Artikel
2014-11-10
door Miranda Renkema

In verschillende artikelen in dit blad komt naar voren hoezeer de kerkelijke tucht iets is waarmee we binnen de kerk eigenlijk heel verlegen zijn. In de rubriek Woordwerk worden mooie lijnen getrokken vanuit de Bijbel over de bedoeling van de tucht en de opdracht die er ligt voor de gemeente van Christus. Tegelijk wordt uit het artikeltje van deputaten kerkorde en kerkrecht duidelijk hoe er in de praktijk grote vragen liggen rond het functioneren van de tucht.  

Het opmerkelijke is, iemand wees mij daar bij de voorbereiding van dit blad op, dat er in onze samenleving allerlei beroepsgroepen zijn die een vorm van intern tuchtrecht kennen. Dat geldt onder andere voor advocaten, notarissen, accountants en belastingadviseurs, maar ook medici en militairen hebben hun eigen tuchtrecht. En er lijkt weinig weerstand te zijn tegen het bestaan van dergelijke interne tuchtcolleges. Ze functioneren volop, en we vinden het heel normaal dat er een gedragscode is waaraan mensen die tot een bepaalde beroepsgroep horen moeten voldoen en dat er bij overtreding van die code sancties opgelegd kunnen worden om een behoorlijke vervulling van het beroep te waarborgen. En tegelijkertijd ligt omgaan met vermaning en tucht in de kerk zo moeilijk, en lijkt het in onze tijd bijna niet meer vorm te geven.  
 
De vraag hoe dat tegelijkertijd zo kan heeft me een tijdje beziggehouden, en ik kom er ook niet helemaal uit. Ik denk dat het antwoord toch wat in de richting gezocht moet worden van het geheel eigen karakter van het kerkelijk recht. Hét punt dat al die beroepsmatige tuchtcolleges gemeen hebben, is dat ze straffen en sancties kunnen opleggen die grote gevolgen kunnen hebben, voor verdere carričremogelijkheden bijvoorbeeld. Het lijkt dat die colleges daar ook voornamelijk op zijn gericht: uitzoeken of er overtredingen begaan zijn, en het daarop laten volgen van een sanctie. En dat past eigenlijk heel goed in onze tijd: afgerekend worden op fouten die je hebt gemaakt. Op een overtreding volgt straf, en de dreiging daarvan dwingt om binnen de afgesproken gedragscode te blijven.   

En daar zit een verschil met kerkelijk recht, dat in principe geen dwangmiddelen heeft, maar een vrijwillig voegen onder dat recht vraagt. Op overtreding van dat recht wordt niet gereageerd met dwang, maar met gesprek, onderwijs, waarschuwing en vermaan. Het kerkelijk recht is geestelijk van aard, en kan ook alleen maar op een geestelijke manier functioneren. Centraal in het kerkelijk recht staat de vrede, het heil van Christus, waarvoor de weg moet worden vrijgehouden. En in dat grote kader staat ook de kerkelijke tucht. Het gaat daarin om de zorg voor een medebroeder of zuster en om een elkaar binnen de gemeente van Christus bewaren bij de kerk van Christus en bij het evangelie van de waarheid.  

Strafmaatregel

Maar zou het kunnen dat we binnen de kerk het zicht daarop soms wat zijn kwijtgeraakt? En dat we de tucht misschien ook vooral wat zijn gaan zien als ‘strafmaatregel’? Dat zou kunnen verklaren dat wanneer kerkelijke tucht wél wordt toegepast, het dan verhoudingsgewijs vaak gaat om ambtsdragers die iets deden dat niet verenigbaar is met hun ambt. En daarvoor ís de tucht er ook, ambtsdragers dragen een bijzondere verantwoordelijkheid omdat hen veel is toevertrouwd. Maar zou het nou echt zo zijn dat ambtsdragers vaker in zonde leven dan gewone gemeenteleden? Óf zijn we in ons denken over de tucht misschien een beetje opgeschoven in de richting van die beroepsmatige tuchtcolleges en denken we vooral in overtredingen en passende maatregelen?

Er was nog iets dat mij op deze gedachte bracht. In het artikeltje over het landelijk archief las ik dat gemeenteleden soms verwezen worden naar een andere gemeente om op die manier tucht te ontlopen. Ik weet niet of het waar is, maar als dat echt zo zou zijn, dan is dat eigenlijk heel schokkend. Want, wanneer je als kerkenraad overtuigd bent dat een gemeentelid door middel van de tucht teruggetrokken moet worden van een weg die leidt naar het buiten de gemeenschap met Christus komen te staan, hoe kun je dan tegen zo’n broeder of zuster zeggen: ga maar naar een andere gemeente, daar kom je onder een tuchtprocedure uit? Dat líjkt pastoraal bewogen, zo’n advies, maar het ís onbarmhartig! Zoiets kun je eigenlijk alleen maar zeggen als je de tucht ziet als een strafmaatregel, waarvoor je iemand wilt bewaren.

Maar de tucht is geen strafmaatregel! Het is een alles op alles zetten, de hele gemeente mobiliseren, om iemand terug te trekken naar Christus! De basis van de tucht ligt in de onderlinge vermaningen (Mattheüs 18): gemeenteleden die onderling toezicht houden op elkaar en elkaar vermanen om bij Christus te blijven. Dat vraagt een geestelijke houding van heel de gemeente, zowel in het serieus nemen van die verantwoordelijkheid, als in het zelf bereid zijn vermaning te ontvangen. De tucht staat in het kader van zorg voor de gemeente en is er op gericht ieder schaap van de kudde dicht bij Christus te houden. Daarvoor wordt, in steeds wijdere kring, alles op alles gezet: eerst onder vier ogen, daarna met getuigen, dan komt de hele gemeente in beeld, die met intensief gebed en gesprek alles moet proberen om dat ene schaap dat dreigt verloren te gaan terug bij Christus te brengen - en als iemand zelfs daar zich niet aan stoort kan hij niet langer bij de kudde horen.

Bij de kudde horen
En in dat laatste zinnetje zit dan nog een wat ander aspect van het moeizaam functioneren van de tucht misschien ... ‘niet langer bij de kudde horen’. Want in onze situatie van kerkelijke gebrokenheid is het niet zo moeilijk om wanneer je met vermaning en tucht geconfronteerd wordt, een overstap te maken naar een ander kerkverband en daar zonder problemen lid van een gemeente te zijn. Dus wat zegt dat zinnetje eigenlijk? Kerkelijke verdeeldheid maakt een goed functioneren van de tucht heel moeilijk. Maar kerkelijke verdeeldheid en gebrokenheid doet misschien ook nog iets anders: het verhult misschien ook wel het zicht op hoe kostbaar het is om bij de kerk te mogen horen. Zodat dat zinnetje wat van zijn diepte verliest.     

Eigenlijk alles wat onze belijdenis zegt over de kerk, wat zij mag zijn, en wat zij in Christus gekregen heeft, is schrijnend tegen de achtergrond van onze gebroken kerkelijke situatie. Maar des te meer komt het er dan op aan om te gelóven dat het waar is, wat we belijden over de kerk, ook over de concrete, zichtbare kerk met al haar fouten en gebreken. En om te blijven zien wat een wonder van genade het is ‘dat de Zoon van God van het begin van de wereld tot aan het einde Zich uit de gehele mensheid een gemeente, die tot het eeuwige leven is uitverkoren, door zijn Geest en Woord in de eenheid van het ware geloof vergadert, beschermt en in stand houdt; en dat ik daarvan een levend lid ben en eeuwig zal blijven’ (HC, zondag 21).

De kerk, dat is de bruid van Christus, gekocht met Zijn bloed, ontzettend kostbaar en door Hem geliefd. Als je het boek Openbaring leest, word je getroffen door de bijzondere zorg die de Heiland had voor Zijn kerk, dat Hij dit Troostboek wilde geven aan een kleine, aangevochten, verdrukte en verstrooide kerk. En door hoe zorgzaam er in dat boek gesproken wordt over die concrete, strijdende kerk op aarde, wat voor hoge roeping ze heeft, en welke heerlijke toekomst ze tegemoet gaat. Dat de strijdende en lijdende kerk van nu eens de triomferende kerk zal worden, volmaakt zuiver en volmaakt eensgezind gericht op de lof en dienst aan God, voor altijd dicht in Zijn nabijheid. Wat is dat iets om naar te verlangen! Maar wat zou het ook erg zijn om dat te missen! Dát is de uiterste consequentie waarvan de tucht wil ‘terugtrekken’, en dat maakt kerkelijk tucht-recht ten diepste liefde-recht. Als we het maar willen zien ...

Drs. M. Renkema-Hoffman is theologe en maakt deel uit van het deputaatschap kerkorde en kerkrecht      
 


 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker