Artikel
2014-11-10
Woordwerk: Tucht in het Nieuwe Testament door Hilbrand van Eeken

Het woord tucht komt in het Nieuwe Testament niet voor. Gelukkig maar, zodat we makkelijk een ander woord kunnen gebruiken. Want wat tegenwoordig in het Nederlands verstaan wordt onder tucht staat inhoudelijk ver af van wat het Nieuwe Testament ons leert over de zaak welke we met tucht in de kerk bedoelen.

Waar hebben we het over?
In het moderne Nederlands wordt tucht verbonden met een autoritaire stijl van leidinggeven, het leren van discipline. In het Nieuwe Testament wordt, wat we van oudsher in de kerk aanduiden als tucht, in verband gebracht met de liefdevolle zorg van de Herder over Zijn kudde. Wanneer Paulus afscheid neemt van de oudsten van Efeze drukt hij hen op het hart: "Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft.� (Handelingen 20: 28).  Deze woorden vatten goed samen waar we bij tucht in de kerk aan denken. Het gaat om de zorg voor de ander binnen de gemeente van Christus. Paulus laat in de verzen daarna merken, dat hij hier denkt aan zorg die bestaat uit bescherming tegen gevaren. Gevaren van buitenaf én van binnenuit. Van buitenaf zullen woeste wolven proberen de kudde te verscheuren. Van binnenuit zullen mensen met andere idee�n de waarheid van het evangelie willen verdraaien. Christus heeft mensen aangesteld om over zijn kudde te waken. De reden daarvoor is dat de kudde Hem zeer kostbaar en dierbaar is.  Hij heeft hem gekocht met zijn eigen bloed. Bij tucht in de kerk gaat het om elkaar te bewaren bij de kerk van Christus, of anders gezegd: bij het evangelie van de waarheid. Dit is geen eenvoudige taak. Paulus herinnert de oudsten van Efeze eraan hoe hij zelf drie jaar lang dag en nacht gewerkt heeft �onder tranen�.

Aangesteld tot opzieners
Om de zorg voor de kudde op zich te nemen, heeft de Heilige Geest volgens Paulus �opzieners� aangesteld.  Als achtergrond van deze woorden, wil ik nu stilstaan bij woorden van Christus uit Mattheus 16 en 18. Woorden die in het nadenken over tucht in de kerk een belangrijke rol spelen.

In Mattheus 16: 18 en 19 horen we hoe Jezus spreekt over het bouwen van zijn kerk en het openen en sluiten van het Koninkrijk der hemelen. Nader bekeken blijken deze woorden nog niet zo eenvoudig te begrijpen. In de loop van de geschiedenis is er dan ook verschillend uitleg aan gegeven. In de gereformeerde traditie wordt vers 18 zo uitgelegd, dat Christus hier de belijdenis van Petrus � dat Hij de Christus is � aanwijst als het fundament waarop Hij zijn kerk zal bouwen. In lijn hiermee wordt dan ook vers 19 uitgelegd: de sleutels om het Koninkrijk der hemelen binnen te komen liggen in deze apostolische belijdenis. De apostelen krijgen de volmacht om deze sleutels te hanteren. Zo kan bijvoorbeeld Paulus zeer krachtig spreken over iemand die een ander evangelie brengt dan dat van Jezus Christus (Galaten 1: 8).
In Mattheus 18: 15-18 werkt Christus concreet uit hoe dit in de kerk moet functioneren. Deze woorden zijn een stuk duidelijker. Binnen de kerk spreken we altijd eerst de ander onder vier ogen aan. Pas als iemand weigert te luisteren wordt de kring van betrokkenen groter. Blijft iemand alsnog volharden dan wordt heel de kudde erbij betrokken. Als zo iemand zich zelfs daar niet aan stoort, dan kan hij niet langer bij de kudde horen.

Zorg in de praktijk
Uit een tekst als Handelingen 20: 28 blijkt dat deze opdracht van Christus niet beperkt is gebleven tot zijn apostelen. Paulus geeft op zijn beurt de oudsten van Efeze instructie om het herderlijke werk voort te zetten. Hoe de oudsten dit exact in de praktijk hebben gebracht, weten we niet. Wat we wel weten is hoe de apostelen in hun brieven bezig zijn geweest dit herderlijke opzicht vorm te geven. De apostelen geven aanwijzingen over leer en leven. Het is hen te doen om dwaalleer en zonden uit de gemeente te weren. De voornaamste drijfveer hiervoor is de onderlinge liefde. Men is zich zeer bewust welke gevaren er dreigen (Hebree�n 3: 13).

Vanuit de brieven zijn verschillende voorbeelden te geven hoe de apostelen aandringen op onderling vermaan tussen gemeenteleden en hoe binnen de gemeente enkelen een speciale taak hierin gekregen hebben. Twee dingen vallen hierbij in het bijzonder op. In de eerste plaats valt op dat de apostelen steeds opnieuw verwijzen naar de inhoud van het evangelie, welke tot ons komt in het Woord van God. Dat kunnen woorden uit het Oude Testament zijn (2 Tim. 3: 15) of woorden van Christus (Kol. 3: 16). Maar ook de woorden van de apostelen zelf, hebben kracht om de ander de juiste richting te wijzen (1 Tess. 4: 18). Het is dan ook haast vanzelfsprekend, maar niet onbelangrijk, dat Paulus in zijn aanwijzingen voor het aanstellen van oudsten aan Titus schrijft dat ze de gezonde leer moeten kennen.

Maar er is nog iets dat opvalt. Zeker in vergelijking met wat we in het Oude Testament lezen hoe de profeten te werk gingen. In het Oude Testament lezen we hoe de profeten woorden van God gebruikten om de mensen tot berouw en bekering te bewegen, wijzend op het oordeel van God dat zeker zal komen als het volk zich niet bekeerd. In het Nieuwe Testament rust het onderlinge vermaan steeds op het volbrachte werk van Christus en het vernieuwende werk van de Heilige Geest (1 Joh. 2: 20,27). Een mooi voorbeeld hiervan vinden we in Romeinen 15: 14. Paulus heeft net een hele lastige kwestie in de kerk van Rome besproken. Er waren gemeenteleden die op grond van Gods Woord meenden zich te moeten houden aan richtlijnen met betrekking tot voedsel en het houden van bepaalde dagen. Anderen dachten op grond van de vrijheid in Christus daar anders over. Hoe moet het verder? Paulus geeft naar de hem gegeven wijsheid richtlijnen. Maar afsluitend zegt Paulus daarbij dat hij de overtuiging heeft dat de gemeente ook zelf in staat is elkaar terecht te wijzen. Dat zegt Paulus op grond van de door God geschonken goedheid in de gemeente. De goedheid waar Paulus het over heeft, is vrucht van de Heilige Geest: een gave van God (Gal. 5: 22, Ef. 5: 9, 2 Tess 1: 11). Daarbij komt het vervuld zijn met kennis. Kennis in de zin van het inzicht dat leert wat goed is om te doen. Paulus wijst de kerk van Rome op haar rijke bezit; de gave van de Geest (Joh. 14: 26). Maar hoewel de gemeente het al wist, heeft Paulus het toch geschreven. Ook dat is van belang in ons nadenken over opzicht in de christelijke kerk.

Niet alleen woorden
In 1 Korinthi�rs 5 lezen we hoe Paulus de gemeenteleden van Korinthe aandringt ook daadwerkelijk het onderling opzicht in de praktijk te brengen. Hij verwijt hen dat zij dit nog niet gedaan hebben en hij vraagt de gemeente dit alsnog te doen. Paulus had te horen gekregen dat er in de kerk van Korinthe sprake was van incest. Dit was niet alleen in de Joodse wet verboden, maar werd ook in de Grieks-Romeinse wereld veroordeeld. En in plaats van dat de kerk hier wat aan deed, was men trots dat zo iets toch �moest kunnen�. Paulus schrijft wat hij hier van vindt op grond van het gezag van Jezus Christus. Welke opdracht Paulus in vers 5 precies geeft, wordt verschillend gedacht. In ieder geval zal het betekend hebben dat de bewuste man uitgesloten moest worden van de broederlijke gemeenschap. Hij staat buiten het rijk van God en is daarmee terug in het machtsgebied van de Satan (Hand. 26: 18). In de slotwoorden van vers 5 laat Paulus duidelijk merken dat het hem hierin te doen is om het behoud van de man. Of in de gemeente van Korinthe de weg van Mattheus 18 al gelopen was en men als laatste stap de broederlijke gemeenschap moest worden ontzegd, of dat Paulus hier direct een daad wil stellen is voor ons niet meer te achterhalen. Wat we van dit gedeelte vooral leren, is dat herderlijk opzicht uitgevoerd moet worden. Slechtheid en boosheid (vs. 8) beschadigt de kerk en mag daarom geen vaste plek krijgen in het midden van de gemeente. In plaats daarvan mag de kerk leven in reinheid en waarheid.

Het juiste evenwicht
Uit de vele aanwijzingen die we vinden in de brieven, blijkt dat het nodig was steeds opnieuw in te gaan op concrete situaties die zich in de gemeente voordeden. De kudde blijkt in deze wereld maar slechts zelden te verkeren in alleen grazige weiden en rustige wateren. De reden is ons niet onbekend. Het is de tegenpartij, de duivel, die rond gaat als een brullende leeuw op zoek naar een prooi (1 Petrus 5: 8). Bovendien blijft voor iedere christen de strijd tegen de zonde realiteit. De kerk leeft nog in de verstrooiing. Enerzijds leeft de kerk uit de werkelijkheid van de verlossing. De gemeente wordt aangesproken als "de uitverkorenen naar de voorkennis van God, in heiliging door de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging met het bloed van Jezus Christus� (1 Petrus 1: 2). Een soortgelijke kwalificatie van de gemeente kwamen we al tegen in Handelingen 20: 28. Het gaat om de gemeente van God, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft. En tegelijk wordt dezelfde gemeente vermaand met de woorden: " Weest heilig, want Ik ben heilig� (1 Petrus 1: 16). Er is dus een spanning tussen het wat we ook wel noemen het �reeds� en het �nog niet�. Het gebed dat Christus ons leert: "leid ons niet verzoeking, maar verlos ons van de boze� blijft nodig tot de voleinding van alle dingen.

Het is deze spanning waaronder de uitoefening van het opzicht te allen tijde zal blijven staan.  Een spanning die in sommige gevallen gerust �hoogspanning� genoemd kan worden. Wie deze spanning op wil lossen, raakt in grote problemen. Het oplossen van de spanning kan namelijk naar twee kanten. Je kunt vanwege het �nog niet� het opzicht geheel los willen laten. In sommige kerken is dit gebeurd. De vrijheid werd daarmee maximaal. Iedereen mag denken en doen wat hij wil. Het zal duidelijk zijn dat als we deze weg gaan, ver af komen te staan van wat Christus zelf met zijn kerk voor ogen had. Is dit wat er in de kerk van Korinthe dreigde te gebeuren?   

De andere �oplossing�  is het opzicht maximaal te maken. In deze situatie zal geen enkele zonde getolereerd worden, alles wordt gesteld onder het �reeds�. De vrijheid wordt minimaal. Er zal een dik wetboek ontstaan, waarin staat wat wel kan en wat niet. Vanuit de geschiedenis van de kerk zijn dramatische voorbeelden te geven waartoe dit kan leiden. Ook in het Nieuwe Testament komen we deze vorm van kerk-zijn komen zo niet tegen. Paulus riep niet in iedere situatie die hij besprak op om de zondaar �over te leveren aan de satan�.

Er blijft voor de kerk van Christus � tot de wederkomst � dan ook geen andere weg open dan de weg te zoeken naar het juiste evenwicht tussen enerzijds opzicht en daarmee het weren van zonde en dwaalleer uit de gemeente en anderzijds het erkennen van de gebrokenheid van het bestaan en de aanwezigheid van zonde in de kerk. Om in liefde elkaar terecht te wijzen, de moedeloze hoop te geven, op te komen voor de zwakken, en met iedereen geduld te hebben (1 Tess. 5: 14).

Hoe dit evenwicht er uit ziet, zal in elke tijd in antwoord op de vragen die op de kerk afkomen opnieuw gevonden moeten worden.  Gelukkig mag de kerk wanneer zij deze weg gaat, zich getroost weten door de belofte van de Heilige Geest.

Ds. H. van Eeken is predikant in Delft


 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker