Artikel
2014-11-24
Nader bekeken: Papa, wordt het nu al licht? door J.A. Voorthuijzen

Je ligt net in bed en voelt je wegzakken in je eerste, diepe slaap na een lange dag van werken en zorgen voor het gezin. Zachtjes gaat de slaapkamerdeur open en kleine voetjes trippelen naar je bed. Een klein warm neusje wordt tegen je wang gedrukt. Een zacht stemmetje fluistert in je oor: "Papa ben ik nu jarig?”. Je moet je bedwingen om niet brommerig te klinken en geeft zacht als antwoord terug: "Nee Catootje, nu nog niet. Ga nog maar een poosje slapen”.

Als dit ritueel zich drie keer heeft herhaald kom je op het heldere idee om tegen je kleine meisje te zeggen dat ze pas jarig is, als het licht wordt. Want hoe kun je een kind van drie, dat nog geen klok kan kijken en zoveel dingen nog niet snapt, een goed besef van tijd meegeven? Een poosje lijkt het goed te gaan en blijft het stil. Maar Catootje leert snel. En dan staat ze weer bij je bed: ”Papa, wordt het nu al licht?”.

Leven zonder klok
Het is voor ons ondenkbaar om zonder mechanisch besef van tijd te leven. Een dag heeft 24 uren van 60 minuten. En aan de bewegingen en de stand van de aarde is al zo lang en zo vaak gerekend, dat we op de seconde nauwkeurig kunnen zeggen wanneer de zon op 21 november op en weer ondergaat. Eén keer per jaar kan een mens behoorlijk in de war raken. Als de klok van zomertijd naar wintertijd gaat. Is het nu de eerste keer kwart over twee ’s nachts of al de tweede keer? Schakelt de wekker op mijn mobiele telefoon automatisch mee, of heb ik toch een knopje vergeten om te zetten? Hoewel de klok zijn seconden betrouwbaar weg tikt, merken we in ons eigen leven regelmatig dat onze tijdsbeleving enorm kan verschillen. Als je bruiloft nadert, kun je daar weken vooraf bewust naar toeleven. De tijd lijkt soms stil te staan. De huwelijksdag zelf wordt in een soort halve roes beleefd. Voor je het weet ligt die mooie dag al weer weken achter je. Je kunt maandenlang uitkijken naar de geboortedag van je kind. De laatste uren voor de bevalling lijkt de wereld piepend en krakend tot stilstand te komen. Maar als de baby gezond en wel geboren is, is hij groot voordat je er erg in hebt.

Adventsgedachten
Aanstaande zondag is het de laatste van het kerkelijke jaar. De zondag daarop al weer de eerste van advent. En dat terwijl naar mijn idee 2014 nog maar net begonnen is. Na de zomervakantie werden de dagen snel weer korter. Voor ik er erg in had, begonnen de bladeren van de bomen te dwarrelen. Toelevend naar het kerstfeest en de wisseling van de jaren is het heilzaam een aantal weken stil te staan bij de vraag: wat is mijn toekomstverwachting? Waar leef ik in geestelijk opzicht naar toe? Wat houdt mij bezig en waar ben ik zoal druk mee? Blijf ik in mijn (geloofs)leven rondjes lopen in de tredmolen van de seizoenen, of is er ook ruimte en plaats voor die veel grotere beweging van God? De beweging die van schepping via Golgotha naar herschepping gaat?

Soms kan mij het gevoel bekruipen dat we in de periode van advent vooral aandacht hebben voor bijvoorbeeld de geboorte van Johannes de Doper, maar in veel mindere mate voor de wederkomst van onze Here Jezus. Misschien zou het wel beter zijn in de komende weken geen adventszondagen maar maranathazondagen te houden. Want met al ons geklaag en getob over haperende economieën, de islamisering van het Westen, de kosten van de gezondheidszorg, de verloedering van de samenleving, de geringere invloed van de christelijke politiek en de foute machten binnen Europa, vergeten we toch veelal samen met alle heiligen het "maranathagebed” waar het boek Openbaring vol van staat, te bidden.

We verlangen wel dat God ingrijpt, maar ook dat Hij verdergaat met Zijn plan? Zou dit als grondoorzaak kunnen hebben dat we wel klagen, maar diep van binnen vinden dat we het nog steeds heel goed hebben? Dat we wel zuchten, maar niet zo diep als in Openbaring 6: 9-11: "En toen het Lam het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen van hen die geslacht waren omwille van het Woord van God, en omwille van het getuigenis dat zij hadden. En zij riepen met luide stem: Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen? En aan ieder van hen werd een lang wit gewaad gegeven. En tegen hen werd gezegd dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook het aantal van hun mededienstknechten en hun broeders, die evenals zij gedood zouden worden, volledig zou zijn geworden”.

Oproep om een biddag
Na lange tijd heeft de classis ´s-Gravenhage weer invulling gegeven aan haar unieke verantwoordelijkheid om alle kerken van ons kerkverband op te roepen een biddag te houden. Dit met het oog op alles wat er gaande is in de Oekraïne, de opmars van IS in Syrië en Irak, de onrust in Israël en de ebolacrisis in Afrika. De classis heeft ons gevraagd deze biddag te houden in de komende week: van zondag 23 tot en met zaterdag 29 november.

Ik voorzie bij een aantal kerken bezwaren van meer praktische aard. Lukt het wel op zo korte termijn een biddag te houden? Maar een nog grotere belemmering zou wel eens in ons eigen hart en hoofd kunnen rondspoken. Is deze situatie nu zo uniek dat we hiervoor samen moeten komen om te bidden? Zijn er geen ergere situaties geweest in het verleden, waarin we het ook niet hebben gedaan? Krijgen we wel voldoende mensen gemotiveerd om hier aan deel te nemen? Is dit geen gedateerd artikel in onze kerkenorde?

Voor we het weten verstomt ons gebed. Nog voor het begonnen is zelfs. Daarmee laten we broeders en zusters die hier dag en nacht mee worstelen en door een diep dal van lijden gaan, in de geestelijke kou staan. Doet het ons dan niets als we in de geest van het Woord van God medegelovigen horen klagen en kermen: "Hoe lang nog?”. Hoewel de genoemde classis ons heeft opgeroepen deze biddag in de week vóór advent te houden, zou ik de oproep graag op willen rekken, om het ook in de vier weken er na in de zondagse kerkdiensten bewust en nadrukkelijk te doen. En dan vooral ook in het verlangen naar de wederkomst van onze Here Jezus, als de Koning van hemel en aarde.

Ik ben mij bewust van het geduld waar de apostel Petrus over schrijft (2 Petr. 3: 9): "De Heere vertraagt de belofte niet  (zoals sommigen dat als traagheid beschouwen), maar Hij heeft geduld met ons en wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen”. Maar ik kan dit geduld van God op geen enkele manier lezen als een argument om het verlangen naar en het gebed om de wederkomst het zwijgen op te leggen.

Kinderlijk verlangen
Eén vers eerder geeft Petrus aan dat de beleving van tijd in de hemel en op de aarde totaal verschillend is: "Maar laat vooral dit u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Heere is als duizend jaar en duizend jaar als één dag”. Als wij deze tekst lezen kijken we normaliter alleen naar het tweede deel, namelijk dat duizend jaar bij ons in de hemel maar één dag is. Maar andersom staat het er ook! Wat voor ons één dag is, kan in de hemel duizend jaar betekenen.

Hebben wij wel het vermogen met geestelijke ogen naar de klok te kijken? Of hebben we dat als een klein meisje nog steeds niet geleerd? We moeten er toch niet aan denken dat één dag, waarop de kerk niet bidt om de wederkomst van haar Here en Heiland, in de hemel als duizend jaar geldt? Het is voor ouders toch pijnlijk verdrietig om druk te zijn geweest met allerlei voorbereidingen voor het verjaardagsfeest en dan bij je kind helemaal niets te merken van een verlangen daarnaar? Je wordt toch blij van blijde kinderogen? Het kan toch niet anders of het moet in de hemel vreugde geven als de kerk op aarde oprecht bidt om en hunkerend uitkijkt naar de volgende fase van Jezus’ Koningschap?  

Ons denken aan de wederkomst kan sterk belemmerd worden door diepe vragen rond onze persoonlijke verhouding tot God. Toch hoop ik dat er ook dan, al is het zacht fluisterend, gebeden wordt: "Vader, wordt het nu al licht?”.
      
J.A. Voorthuijzen maakt deel uit van de redactie en is ouderling van de kerk van Kampen.




 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker