Artikel
2015-01-21
Nader bekeken: Je suis en IK BEN door J.A. Voorthuijzen

In de westerse wereld is er de afgelopen dagen over weinig onderwerpen meer geschreven, dan over de bloedige aanslag op het kantoor van het Franse satirische weekblad Charlie Hebdo en de gijzeling in een Joodse winkel twee dagen later. Afgelopen zondag kwamen rond de 1.5 miljoen mensen in Parijs op de been, om mee te lopen in een grote mars. In andere Franse steden kwamen ongeveer evenveel deelnemers bijeen in een aantal vergelijkbare, iets minder massale, optochten. Internationaal zochten regeringsvertegenwoordigers voor korte of langere tijd aansluiting, om ook hun sympathie met de slachtoffers en de nabestaanden te tonen.


De populariteit van het Franse weekblad steeg na de aanslag explosief. Er is per direct een groter aantal exemplaren van het weekblad naar Nederland verstuurd. En opeens zijn er overal mensen die rondlopen met een groot bord en daarop de uitdrukking: Je suis Charlie: ik ben Charlie. Op de Dam in onze eigen hoofdstad werden de donderdagavond daar samengekomen achttienduizend mensen, opgeroepen om deze uitdrukking mee te scanderen. De Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb heette opeens Charlie.

Je suis Charlie?
Ik was er niet bij op de Dam en ik weet niet of ik mee gedaan zou hebben met het massale geroep. Mijzelf kennend waarschijnlijk niet. Niet uit angst voor represailles, maar meer omdat ik daarvoor te tegendraads ben. En daarnaast omdat ik geen helder beeld heb van wat ik nu eigenlijk zeg door te roepen dat ik Charlie ben. Zeg ik daarmee dat hun bijtende spot mij aanspreekt en ook de mijne is geworden? Zeg ik daarmee ook dat ik positief sta tegenover de manier waarop Charlie Hebdo iedere vorm van geloof, religie en gezag op een shockerende wijze bekritiseert? Hoe langer ik er over nadenk, hoe meer ik tot de conclusie kom dat ik geen Charlie ben en ook niet wil zijn! Gelukkig zijn er meer die deze positie kiezen. Ik denk aan Stevo Akkerman die in Trouw van zaterdag 10 jan. een treffende column aflevert onder de titel "Je ne suis pas Charlie” en daarin onder meer het volgende schrijft: "En toen we op de Dam werden opgeroepen om met z'n achttienduizenden te scanderen 'Wij zijn Charlie', deed ik niet mee. Ik was niet de straat opgegaan om mij te vereenzelvigen met de vermoorde redactieleden van Charlie Hebdo, maar om steun te betuigen aan hun recht dingen te doen die ik nooit zou doen”.

Vrijheid van meningsuiting

Het wonderlijke is wel dat het ongemakkelijk blijft voelen om aan het papier toe te vertrouwen dat ik geen Charlie ben. Alsof de massale verontwaardiging mij dwingt anders te denken. Alsof na verschijnen van deze Wekker de boze e-mails bij mij binnen zullen stromen en de hoofdredacteur via talloze brieven het dringende verzoek krijgt mij op non-actief te stellen. Als dat nodig is moet dat gebeuren, maar hopelijk niet omdat ik de indruk gewekt zou hebben de absurde terreurdaden van de afgelopen week goed te keuren. Dat in geen geval!

Want, hoe fout je een blad ook kunt vinden, het kan nooit de reden zijn er zo mee af te rekenen als nu gebeurde. Hoe diep antichristelijke uitingen je ook kunnen treffen, tot in je ziel, het kan nooit een argument worden de ander om wat hij of zij zegt of vindt, van het leven te beroven. Het zesde gebod is ons immers als één van de basisregels van God zelf gegeven? De beperking dat iemand niet om zijn overtuigingen en de uitingen daarvan gedood mag worden, geldt in mijn ogen niet alleen voor het individu, maar ook voor de staat of de overheid. Wie denkt, met een beroep op het onverkorte artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, tot andere conclusies te kunnen komen zou zich wel eens schromelijk kunnen vergissen.

Daarmee heb ik weer niet gezegd dat de overheid niet in mag grijpen en zo nodig ook het zwaard mag gebruiken om groter kwaad te voorkomen. Wat ds. Starreveld daarover in De  Wekker van 22 juli 2005 schreef, naar aanleiding van de al lang weer vergeten bomaanslagen in Londen, is nog steeds van kracht: "We belijden als gereformeerde christenen dat de overheid door God gegeven is om alles in goede orde onder de mensen te laten toegaan. Hiertoe heeft hij de overheid het zwaard in handen gegeven tot bestraffing van de bozen en bescherming van de goede mensen (Romeinen 13: 4). Die heilige roeping heeft de overheid. Christelijk is het om te vragen aan de overheid dat ze alles in het werk stelt om de ongebondenheid van mensen te beteugelen en alles in goede orde te laten toegaan. Dat betekent: opsporen en uitroken van elke terreurcel. In de kerk bidden we dat de overheid deze taak met wijsheid vervult en dat de Here de overheidspersonen wil besturen dat we een stil en gerust leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid (1 Timotheus 2: 2)”.

Welke krachten zijn er aan het werk?

Ik vind het beangstigend dat een klein aantal terroristen in zo korte tijd het leven van zoveel mensen kapot kan maken en zo veel nabestaanden met ondraaglijk leed en eindeloos verdriet kan confronteren. Ik vind het verontrustend dat diep religieus fanatisme mensen zo ver kan drijven, dat ze in volle overtuiging het leven van anderen en ook zichzelf onherstelbaar willen beschadiging. Maar de massaliteit van de reacties daarna bevreemden mij niet minder. Het roept bij mij de vraag op welke krachten er in de wereld zichtbaar en onzichtbaar aan het werk zijn? Kan een tocht als in Parijs alsnog uitmonden in de oproep om een blinde aanval op de islam te beginnen? Is de Franse maatschappij, als prototype van een niet-religieuze samenleving, in staat het wankele sociale evenwicht te hervinden? Wat beweegt miljoenen mensen tot deze vorm van sympathie rond een weekblad, dat de afgelopen jaren welgeteld een oplage van zeventigduizend exemplaren had?

Daarnaast blijf ik zitten met de bittere smaak in mijn mond dat onze Westerse verontwaardiging zo selectief en subjectief lijkt te zijn. Wat naar de kantlijn gedrukt melden de kranten nieuwe terreurdaden van Boko Haram in Nigeria. Hier zijn alleen al in de noordelijke stad Baga in de afgelopen week honderden, wellicht zelfs duizenden, slachtoffers gevallen. En het rijke Westen, dat dit ooit een mooi gebied vond om er een levendige slavenhandel op te zetten, houdt zich dan angstvallig stil. Voor dit leed gaat er geen enkele Europeaan met een bord de straat op. En wordt er in de kerken wel voor gebeden?

IK BEN
Terwijl het nieuwe jaar nog maar twee weken oud is en we nog maar net de laatste nieuwjaarborrel genoten hebben, moeten we constateren dat er van een nieuw en schoon begin niets meer over is. Waarbij het naïef is om te denken dat het kwaad zich door zo iets als een jaarovergang laat tegenhouden. De oorsprong van het kwaad, waarvan we vorig jaar uitingen zagen in de toenemende onrust in de Oekraïne, het opkomende geweld van IS, de spanningen in het Midden-Oosten en de uitbraak van de ebolacrisis in Afrika, is namelijk nog steeds niet met wortel en al uitgeroeid. Zo beschouwd lijkt er maar één ding zeker, namelijk dat het kwaad dat er gisteren was, er ook vandaag en morgen zal zijn.

Binnen die context wordt de vraag of ik nu wel of niet Charlie ben, geheel irrelevant. Wat wel telt en eigenlijk ook alleen maar dat, is of ik in alles blijf vertrouwen op: IK BEN (Ex. 3: 14), zoals Hij zich aan Mozes uit het midden van een doorstruik bekendmaakte. Die er zal zijn. Die via Zijn discipelen ook tegen mij met al mijn onrust zegt: En zie, Ik ben met u, al de dagen, tot de voleinding van de wereld (Mat. 28: 20). Waar dat vertrouwen er is zal mijn omgeving dat ook merken. Maar dat kan gelukkig op heel veel andere manieren dan met een potlood in mijn hand of een bord om mijn schouders. En om hierin gesterkt te worden zoek ik op zondag veel liever de beschermende nabijheid van deze IK BEN, op de plaats waar Hij graag wil zijn. Samen met Zijn kinderen rondom Zijn Woord.
      
J.A. Voorthuijzen maakt deel uit van de redactie en is ouderling van de kerk van Kampen.









 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker