Artikel
2015-02-18
Geloof in de vroege kerk ‘Aangezien wij met Christus gestorven zijn, vertrouwen we erop dat we ook met Hem zullen leven’

door M.A. van Willigen

Hoe kwam men in de Vroege Kerk tot geloof? Welke weg legde men af en hoe stonden catechese, geloofsbelijdenis en sacramenten met elkaar in verband?

Een oude papyrustekst (p 46), gedateerd rond 200, geeft aan wat we als opschrift boven deze bijdrage hebben geschreven. Het is het woord uit Romeinen 6: 8. Deze variant geeft een waardevolle positiebepaling voor de pasgedoopte aan: hij of zij is gedoopt, maar daarmee tegelijk ook met Christus gekruisigd, gestorven en begraven. En aangezien dit zo is, aangezien wij dus gestorven zijn met Christus (de schrijver van de Romeinenbrief sluit zichzelf hierbij in), hebben wij het vertrouwen dat wij ook met Hem zullen leven. Dood staat hier tegenover leven. Het ene is gebeurd, de dopeling is aan zijn of haar zonde gestorven, het andere gaat nog gebeuren: eens zal de gelovige samen met Christus, de Koning der Koningen, voor eeuwig regeren. De Vroege Kerk heeft een sterk eschatologische verwachting en hoop. Ook of misschien kunnen we beter zeggen juist voor de pasgedoopte neofieten.

Geloofsbelijdenis

In Romeinen 6 valt vanaf vers 1 op dat de gedoopten het een en ander moeten leren. In het begin van het hoofdstuk wordt de vraag opgeworpen of het voordeel oplevert om in de zonde te blijven leven. Het antwoord hierop is een krachtig nee, dat vanuit de lijdensgeschiedenis en de verheerlijking van Christus wordt toegelicht en door het sacrament van de doop bij de gedoopten in herinnering wordt geroepen. Ze zijn niet als geïsoleerde individuen gedoopt, nee, ze mochten samen met Christus deze doop doorgaan. Dat maakt hun doop zo bijzonder.
Essentiële gedeelten uit de geloofsbelijdenis keren daarom in deze doopcatechese terug, met name de uitgebreide beschrijving van de vernedering en verheerlijking van de Zoon van God.

Belangrijk is het om ook niet te vergeten dat deze belijdenis door de dopelingen uit het hoofd werd geleerd. Ze kenden deze belijdenis woord voor woord, regel voor regel.
Ook het laatste gedeelte van de geloofsbelijdenis wordt in deze doopcatechese meegenomen. Aan het eind van Romeinen 6 lezen we: ‘Maar nu, van de zonde vrijgemaakt en aan God dienstbaar gemaakt, ontvangt u als vrucht de heiliging en ten slotte eeuwig leven. Want het loon van de zonde is de dood, maar de genadegave van God is eeuwig leven, door Jezus Christus, onze Heere.’ De dopeling moet zich zeer goed realiseren dat hij of zij nu een nieuwe plant of stek geworden is die als het ware met Christus verstrengeld is. Hij/zij is niet alleen een neofiet (‘nieuwe stek’), maar ook een symfiet (‘mede-stek’) geworden. En dat niet alleen. Deze nieuwe medestek van Christus mag er ook op vertrouwen eeuwig met Hem te leven, zoals Christus eeuwig leeft omdat Hij de dood eens en voor altijd overwonnen en achter Zich gelaten heeft. De dood heerst niet meer over Hem (zie Rom. 6: 9). Er is dus voor de gelovige een bijzonder en hoopgevend perspectief.

Catechumenaat
Het christendom verspreidde zich vanaf de tweede eeuw meer en meer, vooral via persoonlijke contacten. Maar het is niet zo dat het overgangsproces van heiden naar christen, kort gezegd ‘christen worden’, gemakkelijk was. Gezien het ingrijpende karakter van de overgang die hierdoor in gang werd gezet, heeft men er in het algemeen de tijd voor genomen.

Binnen het zogenaamde catechumenaat werd er vanaf de tweede eeuw een duidelijk beleid aangehouden bij de toelating van nieuwe geïnteresseerden in het christendom. Zij mochten de kerkdiensten bijwonen en ze moesten ook boeken doorlezen die hen verder vertrouwd zouden maken met het christelijk geloof. Tot deze boeken behoorden bijvoorbeeld de Herder van Hermas, de Brief van Barnabas en andere apocriefe geschriften. De kennismakingsperiode duurde in principe drie jaar, waarna er een gesprek plaatsvond tussen de bisschop en de geïnteresseerde. In dit persoonlijk gesprek kwam aan de orde wat het christen worden voor de betrokkene inhield. Was dit gesprek positief dan kon de meelevende geïnteresseerde zich opgeven voor de doop. Vervolgens is er dan ook (in ieder geval in de vierde eeuw is dit een algemeen aanvaarde praktijk) een vastentijd van 40 dagen die voorafgaat aan de doop. Vlak voordat de dopelingen gedoopt gaan worden zeggen zij ook de geloofsbelijdenis in de gemeente op. Dat gebeurde op verschillende momenten. In sommige kerken gebeurde dat op witte donderdag. In andere kerken gebeurde dat op stille zaterdag.

Doop
Op eerste paasdag worden de dopelingen gedoopt. De dag van hun leven. Immers, ze gaan sterven in het doopvont. Maar ze gaan ook weer opstaan. Net als Christus. Sterker nog, ze zullen met Christus eeuwig leven en eeuwig bij Hem zijn. In de vierde eeuw is het baptisterium niet zelden rond van vorm. Richard Krautzheimer heeft aangetoond dat deze ronde vorm alles te maken heeft met de vorm van het Mausoleum. In het heidense mausoleum werd de dode bijgezet. We hebben in Rome nog de indrukwekkende mausolea van Hadrianus (de Engelenburg) en van keizer Augustus over. Het vroegchristelijke baptisterium is dus, uitgaande van de functie van een mausoleum, een plek waar de dode begraven en bijgezet wordt. Daar ga je dood aan je zonden om vervolgens het oude lichaam voor eens en voor altijd achter je te laten. De doop heeft dus in de Vroege Kerk een dubbele functie en symboliek: Het is een sterfproces en het is een reiniging. Dat betekent dat de dopeling een enorme metamorfose ondergaat. Ook is de doop een ritueel dat de betrokkene naakt moet ondergaan. Daarna ontvangt de neofiet een wit kleed. Immers, hij is gewassen in het bloed van het Lam en geheel rein. Een ander detail is dat men sandalen aan moest doen om de vuile aarde niet te hoeven aanraken en het witte gewaad de week daarna eveneens nog diende te dragen. Men wordt voor en na de doop gezalfd en er zijn ook nog exorcismen; de boze geesten worden uitgedreven.

Belijdenis
Ten onrechte zou men uit dit alles kunnen afleiden dat de doop vooral wordt ondergaan. Maar het is historisch gezien onjuist om dat te denken. Er wordt nogal wat van de dopeling gevraagd. Voordat de doop plaatsvindt is er extra onderricht geweest in de christelijke leer. Er is een gesprek geweest met de bisschop. Hij of zij heeft de geloofsbelijdenis uit het hoofd geleerd en deze in de kerk met andere catechumenen beleden. Dan is er een vastentijd van 40 dagen. Vervolgens wordt de hele paasnacht doorwaakt. Voor de doop moet men zich eerst nog onthouden, zich wassen, zich ontkleden, om vervolgens tijdens de doop, staande in het doopvont actief te antwoorden op de gestelde vragen. Bij de exorcismen wordt gevraagd of de dopeling actief afstand wil doen van de satan en al zijn pracht en praal definitief wil afzweren. Hierop werd eveneens een actief en helder antwoord verwacht. Wat mompelen was te weinig.

Avondmaal
Na de doop wachten de neofieten op elkaar, om zich vervolgens gezamenlijk naar het kerkgebouw te begeven. Uit de kerkelijke traditie weten we dat tijdens deze gang naar de Kerk terug en naar het tweede sacrament, namelijk naar het sacrament van het Heilig Avondmaal, gezongen werd. De neofieten zongen Psalm 23. De gemeente wachtte op haar nieuwe leden. Wat een bijzonder moment moet het geweest zijn om al die pasgedoopten te zien terugkeren in de kerk, gezalfd, in witte kleren, terwijl ze gezamenlijk Psalm 23 zongen!
In de kerk werden deze neofieten of ‘verlichten’, in de apsis door de bisschop opgewacht. Ze werden toegesproken bij hun eerst avondmaalsgang en bemoedigd.‘Wat betekent nu dit brood, dat we hier op de tafel zien staan?’ vraagt Augustinus zich in een van zijn preken af. Hij legt uit dat het heel gewoon brood is, maar een heel bijzondere waarde krijgt voor de gelovigen in het sacrament.

Radicaal

Ook werd door Augustinus op de ernst van de nieuwe status van de pasgedoopten gewezen. Zij waren nu herborenen, renati, regenerati, mensen die verlicht en gereinigd waren. Ze moesten kijken naar andere leden van het lichaam van Christus die hun christen-zijn serieus namen. Ze moesten niet denken dat Christus hun een vrijbrief gaf voor een losse of dubbele moraal. Het was alles of niets: of Christus volkomen dienen en volgen, of Hem ontrouw worden. Vanzelfsprekend benadrukte iemand als Augustinus of Ambrosius dat het moest gaan om het volgen van Christus. Christus moest worden gevolgd en niemand anders. Het vroege christendom was radicaal. Ambrosius gaf om die reden nog een week lang catechese na de doop en eerste avondmaalsgang. Hij ging nog een week lang dagelijks in op alle onderdelen van doop en avondmaal om de bijzondere waarde van de beide sacramenten voor de pasgedoopten goed in beeld te brengen. ‘Wat heb je gezien?’ is daarbij herhaaldelijk zijn beginvraag. ‘Wat betekent dit nu voor jou en mij?’ is de vraag die erop volgt. Wisten de dopelingen dan niet wat hun was overkomen? Deze vraag zou zomaar kunnen rijzen. Maar het antwoord hierop kan kort zijn: Ze wisten het natuurlijk wel, maar realiseerden zich de enorme draagwijdte ervan vaak nog niet. Vandaar dat Ambrosius er nog eens in een meer persoonlijke setting goed op in ging wat alles te betekenen had, om een en ander beter te doen beklijven bij de pasgedoopte neofieten.

Dr. M.A. van Willigen als classicus en filoloog verbonden aan het Centrum voor Patristisch Onderzoek.



 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker