Artikel
2015-03-08
door P.L.D. Visser

‘De afgelopen jaren sprak ik voor de Britse krant The Guardian met ruim tweehonderd mensen die werken of tot voor kort werkten in The City, het financiële centrum van Europa in Londen. Het zijn zeer uiteenlopende verhalen, maar als ik de strekking in één beeld moet samenvatten, dan is het dat van die lege cockpit.’

Aan het woord in zijn recentste boek is Joris Luyendijk, journalist en van huis uit antropoloog. De oogst van zijn onderzoek in The City bundelde Luyendijk in het dit jaar verschenen boek Dit kan niet waar zijn. Onder bankiers.

Zoektocht
Luyendijk sprak met ongeveer 200 personen in het diepste geheim, want perscontacten leiden zonder pardon tot ontslag. Zijn doel was te begrijpen waardoor in 2008 een wereldwijde financiële crisis ontstond na het bankroet van Lehman Brothers, een Amerikaanse megabank met ruim 26.000 werknemers.
Terwijl u en (in ieder geval) ik onwetend bleven van de mogelijke gevolgen, reageerden Londense bankiers in 2008 door voedsel te hamsteren, zetten zij hun geld om in goud, bereidden zij de evacuatie van hun kinderen naar het platteland voor, om maar te zwijgen van degenen die wapens in huis haalden, ‘klaar om zich te verschansen in een bunker mocht de openbare orde instorten’. (p.35)

Catastrofe
De bankiers voorzagen namelijk het gevaar dat de val van Lehman Brothers het internationale betalingsverkeer lam zou leggen. Banken doen uiteraard geen transacties meer met elkaar in het wereldwijde financiële systeem, wanneer hun collega-banken failliet dreigen te gaan.
Wanneer de geldstromen tussen banken tot stilstand komen, betekent dat uiteindelijk dat uw en mijn supermarkt op de hoek niet meer bevoorraad wordt. De rekening voor geleverde goederen kan eenvoudig niet meer betaald kan worden, als de banken hun werk niet meer doen. Ook blijven bijvoorbeeld pinautomaten ongevuld, zodat wereldwijd miljoenen mensen zonder contant geld komen te zitten.
Er is niet veel fantasie voor nodig om de gevolgen voor te stellen: groepen burgers die winkels plunderen, huiseigenaren die naar de wapens grijpen om hun have en goed te verdedigen, hongersnood en, in één woord, totale anarchie. Leger en politie zouden daar niet tegenop gewassen zijn, vooropgesteld dat ze hun werk zouden blijven doen, bij gebrek aan salaris.
Luyendijk: ‘Maar we zijn in 2008 ontsnapt aan een onvoorstelbare catastrofe. Letterlijk, in de zin dat schrijvers en experts in hun boeken vergelijkingen trekken met een financiële kernramp (‘meltdown’), of teruggrijpen op Bijbelse abstracties als Armageddon, het Einde der Tijden.’ (p.35).

Oorzaken
De catastrofe begon heel vertrouwd: Amerikanen kopen een huis en nemen daarvoor een hypotheek. De consumentenbanken verkopen hun vorderingen op de huizenbezitters aan zakenbanken. Die knippen de vorderingen op en verpakken ze tot steeds ingewikkelder financiële producten. Onze pensioenfondsen kunnen vervolgens beleggen in deze producten. Het beleggingsrisico durven ze aan; verzekeringen dekken het risico af en kredietbeoordelaars kenmerken de producten bovendien als veilig.
Alles lijkt goed te gaan, tot miljoenen Amerikaanse huiseigenaars hun baan verliezen en hun verplichtingen niet meer na kunnen komen. De vorderingen die banken op de huiseigenaars hebben, dalen sterk in waarde en daarmee de beleggingen van onze pensioenfondsen.

Cockpit
Je zou denken dat Centrale Banken, toezichthoudende instanties en politici inmiddels toch wel een financieel deltaplan in werking hebben gesteld. Luyendijk concludeert echter van niet. Het financiële systeem is als een vliegtuig in volle vlucht, de passagiers zijn zonder zorg, terwijl de cockpit … leeg is.
Tot zijn ontzetting blijkt dat er niet een handvol topbestuurders is dat het vliegtuig van de financiële wereld met vaste hand op koers houdt. Het is een systeem gedreven door ‘perverse prikkels’ die slecht of kortzichtig handelen in stand houden. Dat financiële systeem van The City is overigens veel te complex om hier te beschrijven. Ook zou het onrechtvaardig en onjuist zijn om iedereen die daar werkt (inclusief in Amsterdam, het ‘bijkantoor’ van The City) met één regel weg te zetten als geldwolven. Daarvoor is er te veel verschil in functies en verantwoordelijkheden in de financiële wereld.

Angst
Wel is duidelijk dat het werk van de financiële elite vaak in een sfeer van angst plaatsvindt. Angst voor fouten die de financiële instelling geld zullen kosten. Dat maakt het nodig zondebokken te vinden voor je fouten. Een typische ‘blame culture’ dus. Er is ook angst om de winstdoelstelling niet te halen. Immers bij veel instellingen in The City vindt jaarlijks de ‘cull’ (slachting) plaats, waarbij het minst productieve personeel ontslagen wordt.
In de sector is ‘nul procent baanzekerheid’. Elk moment kan iemand bij de manager worden geroepen en binnen vijf minuten door een beveiligingsmedewerker op straat gezet worden. Dat brengt een luxueuze levensstijl in gevaar: de dure privéscholen voor de kinderen, de partner die gewend is aan leven op grote voet, de hypotheek die moet afbetaald. Wanneer de baanzekerheid slechts vijf minuten beslaat, verdwijnt de loyaliteit aan de klant, aan het bedrijf, aan de mensen om je heen.

Faust
‘Op zoek naar loyaliteit? Dan moet je een hond kopen.’ (p.79) In de wereld van ‘vijf minuten baanzekerheid’ gaan topbankiers als topvoetballers van de ene naar de andere bank. Daarbij slokt het werk alles op; elk wakend uur wordt op kantoor doorgebracht, elk vrij moment kan de firma weer een beroep doen en heeft het gezin weer het nakijken, met alle verwoestende gevolgen van dien op langere termijn.
De geweldige druk om winst te maken maakt dat ‘a-moraliteit’ het leidend beginsel is. Er is geen sprake goed of kwaad, de financiële sector levert alleen diensten waar vraag naar is. In zo’n klimaat mag je je niet afvragen of je werk de samenleving dient, wat het ethische gehalte ervan is en of korte termijn winst ook op lange termijn nog heilzame betekenis heeft.

Wat mij sterk trof is de ‘religieuze’ beschrijving van een bedenker van complexe financiële producten: ‘Het is het verhaal van dokter Faust … Ik verkocht mijn ziel voor wereldlijke rijkdom. De prijs die de duivel vroeg was mijn morele failliet.’ (p.181-2) Het is de ‘kunst’ om zonder ook maar één wet te overtreden mensen ´te grazen´ te nemen. Een spaarbank in Spanje of België bijvoorbeeld, of een gemeente in Zweden. ‘Waar ik na een tijd niet meer tegen kon was dat ik zulke … partijen keihard voorloog.’ Wat hem deed stoppen was de gedachte dat zijn familie premies afdroeg aan het soort pensioenfondsen dat hij benadeelde. ‘Dan dacht ik: Wow, daar gaat het geld van mijn ouders.’ (p.182).

Sabbat
In de Tien Geboden valt ons werk onder het sabbatsgebod. Dat staat zelfs in het eerste deel van de Wet, over de verhouding tot God. Luyendijks boek maakt op een schokkende manier duidelijk waar secularisatie toe leidt. Waar het gebod van God niet meer zijn heilzame werk mag doen wordt de ene mens als een wolf voor de ander. Het 4e gebod leert ons dat wij geen slaaf zullen zijn ván ons werk en anderen ook niet tot slaven maken mét ons werk. Het sabbatsgebod is niet voor niets ingesteld als de wekelijkse dankdag voor de bevrijding uit de Egyptische slavernij (Deut. 5: 15).
Secularisatie verbreekt de relatie tussen God en ons werk. Het werk, het geld, de angst – het blijken zo middelen te worden in de hand van de satan. Wij mensen kunnen niet straffeloos Gods goede gebod negeren. We zijn niet geschapen voor een leven buiten Hem. Ook Luyendijk heeft daar – van verre – iets van gezien: ‘Waar alle liefde is verdwenen, blijft alleen de wil tot winnen over’ (p.194). En: ‘Veel wijst erop dat de wereld van het geld geen opknapbeurt of grote schoonmaak nodig heeft, maar nieuw DNA’ (p.188).
Nieuw DNA … De Schrift heeft daar een woord voor: wedergeboorte. Onze tijd leert dat waar wedergeboorte uitblijft de gevolgen zichtbaar kunnen (volgens Luyendijk: zullen) worden op wereldschaal.

Ds. P.L.D. Visser is legerpredikant


 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker