Artikel
2015-04-16
Woordwerk: De gemeente als huis van barmhartigheid door W.A. Capellen

In onze tijd neemt, ondanks allerlei moderne communicatiemiddelen, de vereenzaming toe. ‘Eenzaamheid, het probleem van nu’, was de kop van een krantenartikel in Trouw een halfjaar geleden. Is dat een probleem dat de christelijke gemeente voorbijgaat of zijn er ook gemeenteleden die eenzaam zijn, zich geïsoleerd weten en voelen? In de gemeente van de HEERE hebben we oog voor elkaar, omdat Hij hart en oog heeft voor mensen die geïsoleerd zijn (geraakt).

Door ouderdom, ziekte of een andere reden zijn er gemeenteleden die op zondag de diensten niet meer kunnen bijwonen. Door middel van internet of kerktelefoon is er (vaak) nog wel de mogelijkheid om op afstand de diensten te volgen. Hoewel dit prachtige middelen zijn, wordt de gemeenschap der heiligen echter wel gemist. Hoe dient onze houding te zijn tot hen die, tot hun grote verdriet, niet (meer) kunnen deelnemen aan allerlei gemeentelijke activiteiten en in een bepaald isolement leven? Is het niet vaak ‘uit het oog, uit het hart’?

Gods bewogen hart
Als Adam ziet dat de dieren samen zijn, beseft hij dat hij alleen is. God geeft Adam het verlangen naar iemand naast zich (Gen. 2: 20). De Heere wil niet dat Adam alleen is en schept Eva. Samen mogen zij hun Schepper dienen! Als er door de zondeval ‘verwijdering’ ontstaat tussen mensen onderling en tussen God en de mens, neemt de Heere daar geen genoegen mee. Hij doet er alles aan om de mens bij Hem terug te brengen. Hij wil tevens dat mensen onderling in liefde met elkaar omgaan.

Dat blijkt als we letten op allerlei wetten en regels die de Heere aan Zijn volk geeft waarin de opdracht om te zorgen voor elkaar centraal staat. Juist zij die, door welke omstandigheden dan ook, dreigen geïsoleerd te raken, dienen opgevangen te worden. Het boek Deuteronomium kent talloze bepalingen die de Israëliet richting wilden geven in de zorg voor hen die het moeilijk had.

De Heere neemt het op voor mensen die in de toenmalige samenleving eenzaam waren: onderdrukten, hongerigen, gevangenen, zieken, wezen en weduwen (Psalm 146). Hij is een Vader van de wezen en een Rechter van de weduwen (Psalm 68: 6). Verschillende keren horen we in de Psalmen iemand die eenzaam is omdat hem onrecht wordt aangedaan, roepen tot zijn God om Zijn nabijheid. Zelfs in de ballingschap is de HEERE nog bewogen met Zijn volk. Hij vergeet hen niet (Jes. 49: 14-16).

Gods kudde
De gemeente is de kudde van de goede Herder. Als Paulus afscheid neemt van de ouderlingen in Efeze, roept hij hen met nadruk op om de hele gemeente, aangeduid als kudde, in het oog te houden (Hand. 20: 28a). De gemeente vormt één groot huisgezin (Ef. 2: 19). De Heere is het Hoofd van het lichaam dat uit veel verschillende leden bestaat (1 Kor. 12: 12-31). Het lichaam kan pas goed functioneren als de verschillende leden betrokken zijn op elkaar. Als één lid lijdt, lijden alle leden mee (1 Kor. 12: 26a). We worden niet alleen opgeroepen om de Heere lief te hebben, maar ook de onderlinge liefde in de gemeente in praktijk te brengen. De houding van Kaïn: ‘ben ik mijns broeders hoeder?’ (Gen. 4: 9) dient een christen vreemd te zijn. In de Romeinenbrief roept Paulus op om blij te zijn met hen die blij zijn, maar ook om te huilen met hen die huilen (Rom. 12: 15).


Jezus doorbreekt het sociaal isolement
Als er Eén op aarde is geweest die aandacht heeft gehad voor hen die moesten leven in een isolement is het Jezus. Om dit te illustreren letten we op twee personen: de bloedvloeiende vrouw en de man die al 38 jaar aan zijn bed is gekluisterd.
De eenzaamheid waarin de bloedvloeiende vrouw zich bevindt is niet te onderschatten (Mark. 5: 25). Naast haar lichamelijke kwaal die haar moe maakt, leeft zij al twaalf jaar in een sociaal isolement. Ze mag niet in contact komen met andere mensen, omdat ze naar de wet van Mozes onrein is.

Voor een onreine stond er een bord bij de ingang van de tempel: verboden toegang. Dat betekent dan ook dat ze al die jaren van haar ziekte géén godsdienstige feesten kon en mocht meemaken. Ze stond alleen. Ze stond buiten de gemeenschap met God. Zoiets doet wat met je psyché, met je geest.
Jezus doorbreekt haar sociaal isolement echter door haar ‘dochter’ te noemen en op te nemen in Zijn familie. Ze wordt opgenomen in de gemeenschap met God én anderen.

Op een ander moment bezoekt de Heiland in verpleeghuis Bethesda een man die al achtendertig jaar lang ziek is. Johannes wijst ons vooral op de houding van Jezus ten opzichte van deze zieke. Jezus is bewogen met deze man. Zijn liefdevolle bewogenheid wordt weerspiegelt in Zijn ogen. Jezus zag hem liggen (Joh. 5: 6). Dat is veel meer dan dat Jezus wat rondkijkt en een willekeurige zieke ziet liggen. Hij kijkt naar de man met aandacht. Hij weet alles van deze man. Hij ziet een mens die geen mens heeft. Er staat zoiets als dat deze man ‘in zijn ziekte lag’, er helemaal in opgesloten zit. Door zijn ziekte is hij geïsoleerd: hij is gebonden aan zijn bed en kan niet opgaan naar de tempel.
Jezus stelt een vraag aan de man om hem de gelegenheid te bieden zijn verhaal te laten vertellen. Vervolgens hij over zijn ellende, over zijn geïsoleerd zijn: ik heb geen mens. Laat nu dé Mens vóór hem staan!
Jezus heeft Zich bewust losgemaakt van de feestvierende menigte die op weg is naar het tempelplein, dat zich vlakbij het verpleegtehuis bevindt. De Heiland doorbreekt het isolement van deze chronisch zieke zodat hij kan opgaan naar de tempel en zich weer onder de mensen kan begeven.

De Zoon van God, die mens werd, heeft als geen ander oog voor eenzamen. Hij is het Woord dat vlees is geworden. Hij is het, zegt Jesaja, die onze ziekten, onze krankheden op Zich genomen heeft en één wilde worden met ons gebroken leven. Hij is in onze ellende afgedaald, de eenzaamheid ingegaan. Werd Hij niet verlaten door Zijn discipelen, ja zelfs door Zijn Vader? Waarom? Omdat Hij eenzamen nabij zou kunnen zijn.

Elkaars lasten dragen
Wij kunnen niet het isolement waar gemeenteleden zich in bevinden doorbreken op de manier zoals Jezus dat deed. Het punt waar het nu om gaat, is of het geloof ons in beweging zet naar de ander toe. Is het niet onze roeping met bewogenheid om te zien naar eenzamen? Markus wijst ons op een verlamde die door vier mannen tot bij Jezus wordt gedragen (Mark .2: 3, 4).
De verlamde man heeft mensen om zich heen die hem niet vergeten. Zij vinden hem niet lastig, maar brengen zijn last bij Jezus. Ze hebben veel voor hem over. Elkaars lasten dragen is een geschenk van God in een geïndividualiseerde samenleving waar iedereen voor zichzelf leeft. ‘Draag elkaars lasten, en vervul zo de wet van Christus’ (Gal. 6: 2). De dichter van Psalm 41 zegt dat diegene welzalig is die verstandig omgaat met een ellendige (41: 2).

Kunnen wij elkaar ooit een betere dienst bewijzen dan de ander biddend voor Gods voeten neerleggen en zoeken naar wegen om de ander nabij te zijn? Het opzoeken van een gemeentelid dat de kerkdiensten niet meer kan bijwonen en oprechte belangstelling tonen, kan veel voor iemand betekenen. Een bemoedigende kaart aan een chronisch zieke sturen, is teken dat de ander niet vergeten wordt. Een hand op de schouder leggen bij iemand die in een instelling verblijft, kan een teken zijn van: jij hoort er ook bij!
De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is o.a. wezen en weduwen bezoeken (Jak. 1: 27). Het is als een beker koud water. Wie zijn naaste goed doet ontmoet de Heere. Eens zal op de grote dag de Koning der koningen zeggen: ‘Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt, hebt u dat voor Mij gedaan’ (Matth. 25: 40).

Ds. W.A. Capellen is predikant te Drogeham














 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker