Artikel
2015-05-18
Woordwerk: Hij komt ons tegemoet ... Door C.C. den Hertog

Hemelvaart en wederkomst hebben alles met elkaar te maken. Als de leerlingen in Handelingen 1 naar de hemel kijken, zoeken twee engelen hen op om hun te verkondigen dat deze Jezus zal terugkomen op dezelfde wijze als zij Hem naar de hemel hebben zien gaan. Dat is voor de discipelen het sein om terug te gaan naar de stad Jeruzalem om daar eensgezind en volhardend te bidden en te smeken. Waarom hebben zij gebeden? Lukas zegt het niet, maar wat zal het anders geweest zijn dan om de komst van de Heilige Geest en de terugkomst van Jezus? Ondertussen zet dat gebed dat opkomt uit de verwachting hen ook midden in het leven. Het eerste dat gedaan wordt, is dat de lege plaats die met Judas’ vertrek in de kring van de leerlingen gevallen is opnieuw gevuld wordt. En dat heeft alles te maken met de opdracht die de Here Jezus aan zijn kerk gegeven heeft: het Evangelie verkondigen in de wereld.

Als we dan opletten wàt de leerlingen verkondigen in deze wereld, valt op dat juist de hoop, de verwachting één van de vaste kernen vormt. Als de apostel aan de Efeziërs schrijft, kan hij de verkondiging van de kerk zelfs laten samenvallen met de hoop; vóór de boodschap hen bereikte, waren zij – zo schrijft hij – zonder hoop en zonder God in de wereld (Ef. 2: 12). Kennelijk hoort dat zo nauw bijeen!

De verwachting die de kerk verkondigde was dan ook een opvallend gegeven in die wereld. Er was veel troosteloosheid. Veel filosofen leerden een eeuwige wederkeer der dingen: alles herhaalt zichzelf en dat zal eindeloos zo doorgaan. De godenwereld van Romeinen en Grieken gaf ook geen uitzicht. Deze goden waren vooral met zichzelf bezig – het heil van de mensheid liet hen koud. Veel verwachting hadden mensen dan ook niet: na het sterven verdween je in de onderwereld, waar het verschrikkelijk was. In Handelingen 17 merken we hoe in Athene op Paulus’ verkondiging van de opstanding gereageerd wordt. Men kan het niet plaatsen en lacht het daarom weg. Slechts een enkeling wil er meer van weten.

Dat de denkers van hun dagen anders dachten over de geschiedenis heeft de apostelen gelukkig niet weerhouden. Integendeel – in alle boeken van het Nieuwe Testament komt de verwachting aan de orde. Na 20 eeuwen christelijk geloof kunnen wij het nieuwe van dit punt nauwelijks meer horen, zo zijn we gewend geraakt aan de komst van Christus als het einde van onze geschiedenis. We doen er goed aan te bedenken dat dat één van de revolutionaire punten was die vanuit het Evangelie die Griekse wereld binnengebracht werden: de horizon is niet één groot vraagteken, de toekomst is niet een zwart gat – wij verwachten ‘Hem die zich eerst om onzentwil voor Gods gericht gesteld en geheel de vloek van ons weggenomen heeft’ (Catechismus, antwoord 52).

Die verwachting zindert door het hele Nieuwe Testament. En – opvallend gegeven! – steeds is het die verwachting die het leven van alledag in deze wereld vormgeeft. Denk bijvoorbeeld aan de woorden uit Kolossenzen 3, waar juist op grond van de verwachting allerlei vermaningen en geboden gegeven worden die erop gericht zijn het leven op deze aarde te leven in het licht van de verwachting. Of kijk naar I Thessalonicenzen 4, waar de gemeente getroost wordt door de apostel met de verwachting van Christus’ komst. Getroost om midden in deze wereld verder te leven en te getuigen van de hoop die in ons is. Ik noem dat opvallend, omdat vaak als kritiek klinkt, dat de christelijke toekomstverwachting mensen uiteindelijk wereldvreemd maakt.

Kritiek
Nu komt dat verwijt wel ergens vandaan natuurlijk. Dat geldt meer van de kritiek die in de richting van de kerk geuit wordt. Dat de kerk een negatief mensbeeld zou leren, bijvoorbeeld, is natuurlijk een onzinnige gedachte voor eenieder die de Catechismus goed leest. Maar tegelijk: enkele uit hun verband gerukte woorden, aangevuld met passages uit het doopformulier kunnen wel die indruk doen ontstaan. En – eerlijk is eerlijk – in de praktijk van het kerkelijk leven is soms de menselijke doemwaardigheid tot een zelfstandige inhoud van de verkondiging gemaakt – los van het licht waarbij ons dat onthuld wordt: Gods ontferming in Christus. Dan drijf je mensen inderdaad tot wanhoop.

Iets dergelijks valt te zeggen van de omgang in de kerkgeschiedenis met de verwachting. Bekend is de kritiek vanuit het Marxisme dat met deze verkondiging de kerk zich aan de kant van de machtigen geschaard heeft en hun geholpen heeft om de uitgebuite arbeiders onder de duim te houden. In plaats van te protesteren tegen de barre arbeidsomstandigheden en de uitbuiting van mensen, koos de kerk ervoor om de mensen te wijzen op de hemelse heerlijkheid, waar hun lijden op aarde ruimschoots zou worden goed gemaakt. Zo maakte de kerk zich tot handlanger van de uitbuiters, zo wordt dan gezegd. En opnieuw – eerlijk is eerlijk – er zijn inderdaad voorbeelden te geven waar de kerk op dit punt tekortgeschoten is. Denk bijvoorbeeld aan het Groninger platteland, waar rijke boeren een groot deel van het traktement van de predikant opbrachten. Dan is het heel moeilijk om in die richting een kritisch woord te spreken. Wiens brood men eet …

Heden van de toekomst
Ondertussen is het eenzijdig om de christelijke toekomstverwachting weg te zetten als een zoethoudertje in de handen van de machtigen. In het Nieuwe Testament blijkt juist steeds dat die verwachting inwerkt op het heden. Er wordt niet een tegenstelling gemaakt tussen heden en toekomst, zodat de toekomst helemaal in de toekomst wordt opgesloten en zonder inwerking op het heden is, maar de toekomst wordt door de Heilige Geest in deze wereld van ons onophoudelijk aan de orde gesteld en doet daar nu al zijn vernieuwend werk. Als ik kijk naar het voorbeeld van de slavernij. Natuurlijk: Onesimus gaat op instigatie van Paulus terug naar zijn heer Filemon. Máár – hun verhouding is voorgoed veranderd, gestempeld door het Evangelie dat hen allereerst als broeders aan elkaar verbindt. Op grond van de toekomst, waar slavernij geen plaats meer heeft, wordt in het heden de verhouding tussen die twee beslissend veranderd. En iets dergelijks geldt van de vermaningen die de apostel in Kolossenzen 3 en Efeze 6 in de richting van de heren en de slaven spreekt. Alleen bij oppervlakkige lezing zou je kunnen denken dat Paulus slavernij geen punt vond. Wie zorgvuldig leest, merkt hoe in de verhoudingen van zijn tijd de apostel spreekt op grond van zijn uitzicht op Gods toekomst, waar geen slaaf en geen vrije meer is, maar God alles en in allen is.

Vandaag
Hoe hebben wij dat vandaag? Ik heb de indruk dat de toekomstverwachting weliswaar iets meer in de aandacht is vanwege de zorgelijke situatie in de wereld, maar dan gaat het toch een beetje anders dan hierboven beschreven. Er wordt meer gewezen naar de woorden van Jezus over de tekenen der tijden die nu dan te zien zouden zijn in de aardbevingen en de geruchten van oorlogen waarvan we horen. Dan wordt vooral opgeroepen om voorbereid te zijn op de ontmoeting met de Here bij zijn komst. De vernieuwende kracht die van de toekomst in het heden uitgaat blijft buiten beschouwing – en daarmee wordt de toekomst opnieuw opgesloten in de toekomst. We herinneren elkaar er van tijd tot tijd met een ernstig gezicht aan, maar veel uitwerking in onze dagelijkse verhoudingen krijgt het niet.

In het spoor van Calvijn heeft de gereformeerde traditie juist veel aandacht gevraagd voor de vernieuwende uitwerking van de toekomst in het heden. In de Institutie van Calvijn staat het spreken over het leven in deze wereld in de toonsoort van de overdenking van het toekomende leven. Dat heeft lang de geloofsbeoefening gestempeld. Denk maar aan dat gebed dat velen bij de maaltijd bidden: ‘Doch geef dat onze ziele niet aan dit vergank’lijk leven kleev’, maar alles doe wat Gij gebiedt en eind’lijk eeuwig bij U leev’’

In dat spoor van Calvijn heeft dr. J. Koopmans in ons land in de vorige eeuw sterk vanuit de verwachting van de kerk gesproken. In zijn preken en boeken kom je het steeds weer tegen: de gemeente van Christus is een gemeente onderweg – en dat bepaalt haar gang door de wereld. Voorafgaand aan en tijdens de bezetting heeft hij keer op keer gewezen op de komst van Christus als de machtige belofte waarbij de kerk leeft. Tegelijk zie ik hem een correctie aanbrengen op een vervorming van het spreken, waar het aardse leven vanuit de eeuwigheid wordt gerelativeerd. Dat gevaar is er namelijk. Dan wordt gesproken over de hemel als het eigenlijke, dan wordt uitvoerig gespeculeerd over hoe het in de hemel wezen zal, dan komen vragen op over herkenning in de eeuwigheid. Het leven op aarde wordt dan gemakkelijk gereduceerd tot een voorspel voor de eeuwigheid. Voor het gegeven dat de Here na de schepping zag dat de aarde zeer goed was, is dan weinig ruimte meer. En voor de belofte dat de Here een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal brengen is dan weinig oor.

Overdenking van de komst van Christus
Als ik het goed zie, concentreert Koopmans de verwachting van de kerk op de verwachting van Christus’ komst – daarmee naar mijn inzicht de diepste motieven van Calvijn opnemend. Dat is een concentratie die een grondige versobering geeft in het spreken over de toekomst. Koopmans laat zich niet verleiden tot het doen van uitspraken over hoe het zal zijn – bang als hij is dat men op die manier de verwachting van de kerk als een zoethouder gebruikt in deze boze wereld. Met een gerust hart laat hij dat aan de Here over, die in de toekomst die Hij voor de zijnen bereid heeft toch niet een ander zal zijn dan die Hij nu is: een God van liefde en genade.
Vanuit deze nuchtere verwachting nam Koopmans echter midden in de wereld van zijn dagen zijn plek in. Want hij wist dat Christus vanuit de toekomst tot ons komt met zijn Woord. Dat woord neemt in onze wereld twee gestalten aan: belofte en gebod. Of met een ander woordpaar dat Koopmans veel gebruikt: troost en tucht. Dat lijkt me iets om over na te denken: dat de beloften van de Here ons op zijn toekomst wijzen, is misschien (!) niet zo verrassend. Maar dat die geboden gehoord worden als geboden die vanuit de toekomst naar ons toekomen, is een belangrijk inzicht dat overeenstemt met wat we in het Nieuwe Testament zien. Het opent de ogen ervoor dat Gods geboden geen willekeurige regels zijn waar we het maar mee moeten doen. Het zijn woorden die de levende Christus tot ons spreekt en waarmee Hij ons op het spoor houdt richting zijn komst – en waarmee in onze wereld de toekomst al gestalte aanneemt. Met zijn belofte en zijn gebod bewaart de Here ons bij de verwachting.

Me dunkt dat we vandaag door middel van geschriften als van Koopmans en Calvijn opnieuw bij de apostelen en profeten in de leer zouden moeten. Om te leren dat de verwachting die met de Hemelvaart gewekt is, in ons leven vormend, herscheppend aan het werk wil. Om te leren dat juist in onze alledaagse verhoudingen zichtbaar mag worden dat wij Hem tegemoet leven. Dan kan de kerk niet worden vastgelegd in het politieke spectrum zoals wij dat kennen. Dan is de kerk niet een kritiekloos verlengstuk van de machtigen, maar ook niet automatisch spreekbuis voor de armen. Midden in de gebrokenheid van de menselijke verhoudingen getuigt de kerk van de komst van Hem die een nieuwe verhouding gebracht heeft tussen mensen, omdat Hij de verhouding tot de Vader hersteld heeft. In zijn gemeente mag anticiperend iets zichtbaar worden van hoe het in zijn toekomst zal zijn. In onze wereld die terugvalt in het voorchristelijke idee dat de geschiedenis een eindeloos voortdurende wederkeer der dingen is, in onze wereld die angstig naar de toekomst kijkt en er liever maar niet te lang over nadenkt, mag de gemeente van Christus leven uit zijn beloften en bij zijn geboden. En zo een zichtbare preek zijn: de Here komt!

Ds. C.C. den Hertog is predikant te Surhuisterveen


 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker