Artikel
2015-06-09
Nader bekeken: Rare jongens, die christenen ... door Miranda Renkema

Daar zat hij dan, in het hol van de leeuw, of ‘in het Sodom en Gomorra van de publieke omroep’, zoals Prem het noemde: SGP-voorman Kees van der Staaij, aan tafel met Matthijs van Nieuwkerk, Prem Radhakishun en Marc-Marie Huijbrechts in De Wereld Draait Door, om met verve en vastberadenheid een hartelijk pleidooi te voeren voor zijn campagne ‘ik ga voor trouw’.
 

Ik dacht: dit is nu vreemdelingschap in optima forma. Aan alles was duidelijk dat die setting daar aan tafel bij DWDD níet de ‘natuurlijke’ setting is van Van der Staaij; dat werd hem door zijn tafelgenoten ook wel duidelijk gemaakt, maar hij hield op een sympathieke, dappere manier vast aan waar hij voor op wilde komen: trouw, als regel door de Schepper meegegeven voor onze (huwelijks)relaties, en daarmee als heilzaam voor de samenleving. Prachtig om te zien, dat het hem ook lukte om daar iets van over te brengen, en dat hij achteraf heel wat meer bijval en respect oogstte dan gesprekspartner Prem die zichzelf nogal overschreeuwde.

Dat was niet de eerste keer trouwens, dat Van der Staaij zich tegen de stroom in hard maakte voor principes die hij van zijn Schepper leerde. Heel recent deed hij dat bijvoorbeeld op de dag dat bekend werd dat minister Schippers het voornemen had om de zogenaamde NIPT-test voortaan aan alle zwangere vrouwen aan te bieden. Op Twitter deelde hij, vlak na bekend worden van dit nieuws, een ontroerend filmpje van World Down Syndrome Day, met daarbij de tekst: ‘lieve kinderen met down-syndroom: jullie zijn en blijven van harte welkom in onze samenleving!’

Anders
Twee kleine voorbeelden uit de afgelopen weken waarbij ineens even publiekelijk bleek hoe christenen midden in deze wereld leven, maar tegelijk ook ‘anders’ zijn, en opvallen, nu niet door ergens tégen te zijn, maar door ergens vóór te zijn: vóór bescherming van het leven dat door de Here gegeven is, vóór een warme, hartelijke plek voor kinderen met een beperking, vóór huwelijkstrouw en investeren in relaties.

Het deed me denken aan voorbeelden die genoemd worden in een oud geschrift, dat dit voorjaar weer extra in de aandacht kwam omdat er een nieuwe Nederlandse vertaling van uitkwam, de ‘Brief aan Diognetus’. Dat is een brief uit de tweede eeuw, waarin een onbekende auteur aan een zekere Diognetus schrijft over christenen; wat voor mensen dat zijn en hoe ze in de wereld staan. De brief staat vol met paradoxen, kennelijk is het leven van die christenen zo het beste te omschrijven.

Een paar zinnen uit die brief:
‘‘Zij wonen in hun eigen vaderland, maar als vreemdeling.
Zij trouwen als ieder ander maar leggen hun kinderen niet te vondeling.
Zij delen hun tafel maar niet hun bed.
Zij wonen op aarde maar zijn thuis in de hemel.
Ze gehoorzamen de heersende wetten, maar overtreffen die in hun eigen leven.
Zij hebben iedereen lief en worden door iedereen vervolgd.
Ze hebben gebrek aan alles maar leven in overvloed.
Zij worden bespot en ze zegenen."  

Ik vind het indrukwekkend ... híeraan vielen die christenen dus op. En het is alsof de auteur er ook niet zo goed raad mee weet, met het typeren van die rare mensen. Hij vertelt dat ze zich aan de ene kant nergens in van de andere burgers onderscheiden, ze hebben geen afwijkende kleding, of taal, en ze wonen gewoon tussen alle andere mensen in, en toch geven ze blijk van een wonderlijk paradoxaal burgerschap. Hij concludeert dat ze wel voluit leven in de wereld, maar tegelijk er nooit helemaal thuis zijn. En dat het erop lijkt dat ze zich niet neerleggen bij de realiteit zoals die er is in de wereld, maar dat ze leven met het besef dat er iets ontbreekt.

Verlangen
En dat is het nou precies ...! Christenen, toen, maar nu niet anders, zijn burgers van een ánder Rijk. Het Koninkrijk van God dat in Christus definitief gekomen is, maar dat tegelijk ook nog komende is, en er eens volkomen zal zijn. En zolang dat Koninkrijk er nog niet in alle volkomenheid is, ontbreekt er iets ..., ontbreekt er veel.

En het verlangen naar dat volkomene van het Koninkrijk zit er heel diep in bij christenen. Ze wonen op aarde, zegt deze brief, maar zijn thuis in de hemel. Ze hebben heimwee: hun hart is dáár waar hun echte Thuis is, dáár waar hun Koning is. En ze verlangen hartstochtelijk  naar de dag dat hun Koning zal komen, en alles helemaal goed zal maken, alles wat nu nog in deze wereld gebroken is. En dat is veel, juist ook voor burgers van dat Koninkrijk.

Ik bleef haken bij dat zinnetje: ‘ze hebben iedereen lief en worden door iedereen vervolgd’, want ook hiervan dringen zich voorbeelden op uit laatste maanden. Beelden van 21 Koptische christenen, in het oranje, op het Lybische strand. Ze mochten vrij, als ze hun Koning zouden verloochenen, maar ze kozen burger te blijven van Zijn Rijk, en ze werden onthoofd. En wij, christenen die nog maar zo weinig te vrezen hebben, wij kijken ernaar, en huilen ... en we weten niet goed wat we ermee moeten ... want het is zó veel, het onrecht, het lijden, de gebrokenheid.    

Soms zou je je willen terugtrekken op dat ene hartstochtelijke gebed: ‘kom, Here Jezus, kom! Alstublieft, kom snel, want deze wereld heeft U zo hard nodig!’ En de gebrokenheid, ook in je eigen leven, kan zo op je afkomen dat je nog maar één ding verlangt: dicht bij de Here zijn ... en dat het over is met alle strijden en pijn. En toch kan het niet helemaal zo. Dat gebed om de wederkomst mag er wel zijn natuurlijk, moet er ook zijn. En verlangen naar heel-heid en vrede is ook goed. Maar we kunnen ons niet terugtrekken in een houding van ‘stil-maar-wacht-maar-alles-wordt-nieuw’.

Actief vreemdelingschap
Opvallend is, dat als de catechismus de bede gaat uitleggen ‘Uw Koninkrijk kome’, dat die bede een gebed blijkt te zijn om íngeschakeld te worden. Het is allereerst een gebed om Christus Koning te laten zijn in mijn eigen hart, dat ik merkbaar bij Hem wil horen en daarin wil groeien. Vervolgens een bede dat ook anderen binnen dat Koninkrijk worden gebracht en dat er steeds meer zichtbaar wordt van de overwinning van Christus op de macht van de boze. Maar door dit te bidden, wordt ons hart ook gericht op die doorwerking van het Koninkrijk: op Gods eer, op de wereld die zo hard herstel nodig heeft, en op de mensen die zo hard redding nodig hebben. Dit gebed bidden, dat kan niet zonder tegelijk jezelf ‘beschikbaar’ te stellen: laat uw Koninkrijk komen ... en gebruik daarvoor ook mij.

Vreemdelingschap betekent twee dingen tegelijk. Dat wij hier geen blijvend huis hebben, maar op weg zijn naar ons echte Thuis, dat maakt dat ons hart bij onze Koning is, en dat ons verlangen op dat volmaakte Thuis gericht is, maar ook dat wij, zolang wij hier nog zijn, Hem echt willen navolgen. Het betekent de blik gericht houden op Gods belofte, maar ook op Zijn roeping. Het vraagt om als burgers van Gods Rijk te leven in een wereld waarin satan rondgaat en zich keert tegen Gods kinderen. Een wereld waarin IS huishoudt en waarin levens niet veilig zijn. Een wereld waarin mensen op de vlucht zijn en verdrinken.

Midden in die wereld mogen wij leven volgens de wetten van een ander Koninkrijk, wetten zoals de Here Jezus ze gaf in de Bergrede. Rare wetten van trouw, eerlijkheid, van liefhebben van je vijanden en bidden voor wie je vervolgen. Wetten die vragen oproepen als je ze volgt, en die daarvoor ook bedoeld zijn (vgl. Math. 5: 16, 5: 46-48). Laten wij dus maar een beetje raar zijn, en met woorden en daden getuigen van de mooiste boodschap die er is voor een gebroken wereld: dat er een Koning is, die armen redt die om hulp roepen, en ellendigen, en wie geen helper hebben, en dat aan de vrede in Zijn Rijk geen einde zal komen.

Mevr. M. Renkema-Hoffman is theologe en lid van de redactie



 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker