Artikel
2015-06-22
Gebod en kerkelijke vermaning door D.J. Steensma

Overspel is reden voor vermaan. Daarover is weinig discussie. Maar gebeurt het dat de kerk tucht toepast bij het kwaad van aanhoudende lasterpraat? Sommigen hebben de indruk dat de kerk het ene gebod belangrijker vindt dan het andere. Is selectieve ergernis niet een verwording van geloofsgehoorzaamheid? Wat is eigenlijk de trigger van de tucht?

Het gebod dat wij naast God geen andere goden mogen vereren, geldt altijd en overal. Het vierde gebod daarentegen geldt vandaag niet meer zoals voor het oude Israël. De Heidelbergse Catechismus geeft een specifieke invulling van dit gebod, eveneens van de andere geboden van de decaloog. Ook de kerk van de eenentwintigste eeuw moet in afhankelijkheid van de Geest en in gehoorzaamheid aan het Woord daaraan een actuele invulling geven.

Maatstaf
Prof.dr. W.H. Velema, die vele jaren ethiek doceerde aan de theologische universiteit te Apeldoorn, maakte een vergelijkbaar onderscheid. Hij sprak over gestalte en gehalte van geboden. De gestalte duidt op de specifieke inhoud van een gebod voor een bepaalde context, het gehalte daarentegen op zijn kern die onder alle omstandigheden gelijk blijft.
Ook al moet rekening worden gehouden met dit onderscheid tussen gestalte en gehalte, en eveneens met het onderscheid tussen algemeen geldende geboden en de actualisering daarvan in concrete omstandigheden, toch kan zonder meer worden gezegd dat de geboden van God maatstaf en richtsnoer zijn voor doen en laten, denken en spreken.

Een christen hanteert deze geboden niet alleen als maatstaf voor zijn eigen leven, maar ook voor dat van medebroeders en -zusters. Christus sprak over het bestraffen van een broeder die gezondigd heeft (Mat. 18: 15). Paulus prees de christenen in Rome omdat zij in staat waren elkaar terecht te wijzen (Rom. 15: 14). Onderlinge terechtwijzing is een vrucht van het woord dat woont in de gelovigen (Kol. 3: 16). Zij zijn geroepen elkaar aan te scherpen in geloofsgehoorzaamheid, met liefde en in besef van eigen tekortkomingen, zonder dat de sfeer benauwend wordt. Paulus noemt terechtwijzing in één adem met wijsheid en het zingen van psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.

Kerkenraden dragen in deze terechtwijzing een bijzondere verantwoordelijkheid, die met name naar voren komt in prediking, pastoraat en catechese. Zij moeten alle geboden daarin een gelijkwaardige plaats toekennen, tenminste gelet op hun gehalte en hun universeel geldige dimensie. Dan is ongehoorzaamheid aan één gebod ongehoorzaamheid aan al de geboden van God. Eén barst in de ruit maakt het hele glas kapot. Welke overtreding tegen welk gebod ook maakt veroordelingswaardig voor de Allerhoogste.

Scheefheid
De indruk bestaat echter dat de kerk het ene gebod van de decaloog hoger stelt dan het andere: Zit er in de wijze waarop wij met de geboden omgaan soms niet een grote mate van scheefheid? Laten we het ene gebod soms niet zwaarder wegen dan het andere? Bij seksueel misbruik is tucht nauwelijks voorwerp van discussie. Maar komt het voor dat iemand vanwege chronische roddel wordt afgehouden van het avondmaal?

Volgens onze kerkorde moet kerkelijke vermaning worden toegepast op de schuldige partij als er een echtscheiding plaatsvindt op onschriftuurlijke gronden. Alleen overspel en kwaadwillige verlating zijn schriftuurlijke gronden. Duurzame ontwrichting niet. Maar vindt er in onze gemeenten afhouding van het avondmaal plaats als het huwelijk toch gescheiden is op grond van een dergelijke ontwrichting? Worden dan ook verdere stappen gezet op de weg van de tucht? Of om een ander voorbeeld te noemen: wordt censuur toegepast omdat iemand zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van het tiende gebod?

De indruk bestaat dat kerkelijke vermaning vooral wordt toegepast bij zonden op seksueel gebied. Deze indruk is mogelijk versterkt door de uitspraak van de generale synode 2013 dat seksuele omgang tussen mensen van gelijk geslacht zonde is. De kerk moet dan, zo zei de synode, de weg van kerkelijke vermaning gaan.

Zijn de geboden dan wel gelijkwaardig? Of hebben wij ze misschien ongelijkwaardig gemaakt en scheefgetrokken door onze actualiseringen? Waarom, zo wordt gezegd, legt de kerk 'altijd' zoveel nadruk op zonden op seksueel gebied? Waarom geen vermaning als iemand lasterpraat spuwt? Sommigen hebben de indruk dat kerkenraden vermaning eenzijdig toepassen. Of dat vermaning nauwelijks nog functioneert. Is dat geen verwording van gehoorzaamheid aan de geboden van God? Als een kerk tegen de ene zonde optreedt en de andere laat geworden?

Ergernis
Gelet op zijn zondestaat zou ieder gemeentelid voorwerp van kerkelijke vermaning moeten zijn. Niet alleen om wat hij doet, maar ook om wat hij nalaat. Wie kan in het licht van de wet van God aangaan aan het avondmaal? De tien geboden ontnemen ons elke vorm van eigengerechtigheid. Wij struikelen allen in velerlei opzicht (Jak. 3: 2).

Maar ongehoorzaamheid is op zichzelf nog geen reden tot kerkelijke censuur. Alles wat 'miserabel' is, is nog niet 'censurabel', zo is wel eens gezegd. Zou dat wel het geval zijn, dan zou er niemand meer in de kerk overblijven, behalve misschien degene die de tucht uitoefent. Dat betekent niet dat we dan maar licht over die zonden zouden moeten denken. Dat zeker niet. Daarover is het Woord duidelijk genoeg.
Alleen die zonde komt voor kerkelijke vermaning in aanmerking die een ernstig karakter draagt, die ondanks vermaan voortduurt en openbare ergernis geeft. Vooral dat laatste is van belang. Daarmee is niet bedoeld dat er slechts enige irritatie is over bepaald gedrag. Het woord 'ergernis' heeft hier een sterkere betekenis. Wie ergernis geeft, draagt bij aan verleiding tot zonde. Hij werpt een steen op waarover een ander kan struikelen en vallen. Ergernis is een belemmering voor het ingaan in het koninkrijk van God. Ze richt zich op een kwaad dat manifest is, vooral bij iemand die tegen beter weten in zich keert tegen het gebod van God.

Deze ergernis kan een begin hebben buiten de 'eigen' gemeente: in de stad of het dorp. In het jaar 1620 liet de kerkenraad van Haarlem een zekere Lysebeth Reynier toe tot de gemeente. Het duurde niet lang, zo schrijft A. van Deursen, of drie gemeenteleden kwamen in de vergadering hun bezwaren ontvouwen. De vrouw had in ontucht geleefd, was een echte lastermond, en liet zich zelden of nooit in de kerk zien bij de predikatie. De rooms-katholieken in de stad schimpten al dat je dan net zo goed hoeren en dieven tot het avondmaal zou kunnen toelaten. De kerkenraad besloot haar af te houden.

Zo functioneerde de tucht in de kerken van de reformatie. Ze diende er vooral toe dat de naam van God niet zou worden gelasterd vanwege het handelen van een gemeentelid. Dat is ook voor vandaag van belang. Mensen mogen niet denken dat de kerk de zonde voedt en beschermt. Zou blijken dat een lid van de gemeente een levensstijl volgt die schade brengt aan de naam van God en zijn gemeente dan moet de kerkenraad de weg van de kerkelijke vermaning gaan.

Vrede
De trigger van deze tucht kan ook binnen de gemeente liggen. Dan is er ergernis over de leefwijze van een medebroeder of -zuster. Is er daadwerkelijk sprake van een levenswijze die terechte ergernis geeft, dan werkt de zonde ontwrichtend binnen de gemeente. Er komt tweedracht, veroorzaakt door de boze die niets liever wil dan uiteenwerpen en scheiding maken. De vrede is verstoord. Dan zal de ergernis uit de gemeente moeten worden weggenomen. Zo verklaart althans onze kerkorde in artikel 71.

Het doel van de kerkelijke tucht ten aanzien van een zonde die bekend is geworden, is onder meer dat de vrede wordt hersteld tussen degene die ergernis geeft, en de gemeente waartoe hij behoort. Tucht wil dan ook de zondaar met de gemeente verzoenen.
De ergernis kan ook ontstaan bij medebroeders en –zusters buiten de 'eigen' gemeente. Paulus schrijft over de situatie in Korinte waar een man omgang heeft met de vrouw van zijn vader. Een zonde die zelfs onder heidenen niet voorkomt. Zonder meer een ernstige zaak. Die man leidt onder de christennaam een onchristelijk leven. Een ergernis. Volgens Paulus is er geen plaats voor deze man in het midden van de gemeente. De apostel vermaant de gemeente daarom ook tot tucht. De ergernis moet uit de gemeente worden weggenomen (1 Kor. 5).

Als een zustergemeente zich ergert over een bepaalde zaak, kan de desbetreffende kerkenraad daaraan niet voorbijgaan, net zomin als de gemeente van Korinte voorbij kon gaan aan het vermaan van de apostel. Gemeenten binnen een kerkverband zijn aan elkaar verbonden. In het geval deze kerkenraad echter een andere visie heeft, zal vanuit het breder kerkelijk leven daarover een uitspraak moeten komen. Eén van de uitgangspunten is dat de ene kerk niet over de andere mag heersen, maar dat elke kerk onderworpen is aan het gezag van het Woord van God. Wat gezamenlijk aan het Woord wordt ontleend, zal voor vast en bondig gelden.

Antenne
Waarom wordt kerkelijke vermaning soms selectief toegepast? Waarom functioneert deze niet altijd optimaal? Zou dat ook niet komen doordat de trigger van de ergernis is verzwakt? Dat de morele antenne niet meer scherp is afgesteld? Wordt zonde nog wel als zonde herkend? Morele fijngevoeligheid is niet altijd overal even sterk aanwezig.
Eveneens moeten we beseffen dat bij vermaan een gewijzigd inzicht in de Schrift een rol kan spelen. Wie de invulling van de zondag aanvankelijk gelijkstelde aan de sabbatsheiliging, kan tot het inzicht komen dat de zondag een andere dag is dan de sabbat in een nieuw jasje.
Ook kan verlegenheid een rol spelen. Moeten we daadwerkelijk de weg van kerkelijke vermaning gaan als een vrouw haar echtscheiding niet heeft aangevraagd omdat haar man haar heeft bedrogen of kwaadwillig verlaten, maar omdat hij haar ernstig heeft verwaarloosd?

Maar doorgaans is de antenne voor datgene wat ingaat tegen het Woord van God verstoord. Het morele besef is er in de loop van de jaren niet beter op geworden. We kunnen spreken van een verwording van moraal. Dit proces is sinds de zondeval gaande en in onze tijd niet stopgezet. Wordt het hedendaagse denken niet gekenmerkt door onverschilligheid ten aanzien van het Woord van God? Zien we niet overal verzet tegen de Almachtige? De moderne mens ergert zich eerder aan wat met zijn rede strijdt dan aan wat strijdt met de geboden van God. De rede is de as waarom alles draait, de bron waaruit alles voortkomt en de maatstaf waaraan alles moet beantwoorden (J. Heyns). Mensen beoordelen gedrag naar de algemene morele maatstaf van de maatschappij. Daardoor ontstaat er minder snel ergernis over ongehoorzaamheid aan de geboden van God. Leefwijze, doen en laten worden gemeten naar wat de wereld vindt. De invloed van de secularisatie gaat aan de kerken niet voorbij, maar werkt daarin door. Er ontstaat minder snel ergernis over wat ingaat tegen het Woord van God. Ook selectieve ergernis is een product van de secularisatie.  

Verslaafdheid
Er zijn vele zaken die op zichzelf ergernis kunnen geven binnen en buiten de gemeente en derhalve voorwerp kunnen worden van onderlinge en kerkelijke vermaning. Dat zijn niet alleen zonden op seksueel gebied, maar ook zonden bijvoorbeeld ten aanzien van het tiende gebod. Wat te denken van het meedoen met kansspelen en loterijen? Is ook het beleggen in aandelen niet een vorm van loterij? Hoe moeten we denken over iemand die binnen de gemeente daarover opschept?
Weliswaar kan een 'noodleugen' soms dienstbaar zijn aan het heil van de naaste, maar mag je trots zijn op liegen? In de eerste helft van de zeventiende eeuw vertelde Jan Jakobsz. na zijn terugkeer uit Spanje in de stad Edam in geuren en kleuren wat voor leugens hij de Spanjaarden allemaal op de mouw had gespeld. De kerkenraad merkte dat velen, vooral ook doopsgezinden, zich ergerden aan de manier waarop 'leden van de reformatie' met leugen omgingen. De man werd voorwerp van tucht. Hij gaf naar de buitenwereld een verkeerde indruk van het christen-zijn.
Een ander voorbeeld. Roken is enorm schadelijk voor de gezondheid. Een christen weet dat zijn lichaam een tempel van de Heilige Geest is en eigendom van Christus, gekocht met zijn kostbaar bloed. Maar hoe staat het met onze ergernis over een gemeentelid dat zijn lichaam voortdurend schade toebrengt? Vaak in het openbaar, bij de kerkdeur soms. Allerminst een goed voorbeeld voor onze jongens en meisjes. Soms een uiting van verslaafdheid. Er zijn omstandigheden waarin roken een zodanige ergernis geeft dat de eenheid van de gemeente en de naam van Christus worden geschaad.
En waarom chronisch roddelen niet altijd voorwerp van kerkelijke vermaning is? Beweringen over personen in de gemeente rondstrooien terwijl men daarover niet de weg van Matteüs 18 gaat? Komt dat doordat kwaadsprekerij zo gewoon is geworden in onze samenleving? Zijn we gewend geraakt aan harde taal? Grofheid? Onbeleefdheid? Lasterpraat? Zijn we soms al zo gewend aan dergelijke zaken dat we ons er niet meer aan ergeren?

Liefde
Samenvattend kan worden gezegd dat de geboden van God wat hun gehalte betreft gelijkwaardig zijn aan elkaar. Vermaning is mogelijk ten aanzien van welke zonde dan ook. De trigger van de tucht is de ergernis. Maar als kerkelijke vermaning in beeld komt, zal wel rekening moeten worden gehouden met de persoonlijkheidsstructuur van degene die de zonde bedrijft en de situatie waarin hij verkeert. Niet iedereen is voor wat hij doet altijd even toerekeningsvatbaar.
Goede woorden moeten worden gesproken aan het adres van die gemeente die in staat is tot onderlinge terechtwijzing vanuit de vrucht van de Geest: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Alleen daar kan vermaning pas goed functioneren waar deze vrucht groeit en waar alles wordt gedaan in de naam van de Here Jezus, God de Vader dankende door Hem.

Dr. D.J. Steensma is deeltijdpredikant van de gemeente van Veenwouden


 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker