Artikel
2015-07-31
Woordwerk: De vreemdeling is God niet vreemd! Door L. van Dalen

Momenteel wordt Europa overspoeld door vluchtelingen. Sommigen komen lopend het Schengengebied binnen. Anderen komen in gammele bootjes over de Middellandse Zee naar Italië toe. Weer anderen landen in een vliegtuig op Schiphol. Het gevolg is dat er overal nieuwe asielzoekerscentra worden geopend. In Brussel buigen Europese ministers zich over de vraag: hoe kunnen we al deze vreemdelingen opvangen? Europa heeft een ‘vluchtelingenprobleem’.

Dit probleem is voor de kerk echter een uitdaging. Christus’ kerk is namelijk geroepen om het evangelie in woord en daad te delen met broeders en zusters die vanwege hun geloof moesten vluchten om in leven te blijven en met mensen die Christus nog niet kennen. Wat de Bijbel over deze roeping zegt, blijkt uit enkele begrippen: gastvrijheid, vreemdeling en vluchteling.

Gastvrijheid
In de Bijbel is het bieden van gastvrijheid erg belangrijk. Wie ergens te gast is, mag gastvrijheid verwachten. Bij het zien van drie vreemdelingen, waaronder God Zelf, zet Abraham hen meteen water, brood, melk en vlees voor. Hij biedt hen ook water aan om hun voeten te wassen en een schaduwplek om uit te rusten. Het was voor Abraham een nederlaag geweest als deze gasten aan hem voorbijgegaan waren (Gen.18:1-8). Als later de inwoners van Sodom de twee vreemdelingen in hun stad – engelen van God – willen verkrachten, is dat niet alleen een verwerpelijk plan, maar ook de grofste schending van de gastvrijheid (Gen.19:4-11).

Als de Israëlieten tijdens hun reis door de woestijn bij het ‘broedervolk’ Edom om een vrije doortocht vragen, tonen de Edomieten geen gastvrijheid, maar vijandschap (Num.20:14-21). Ook David krijgt te maken een ‘gesloten deur’ als hij bij de rijke boer Nabal aanklopt. Nabals vrouw Abigaïl voelt meteen aan hoe schandelijk Nabals afwijzing van Davids verzoek is. Omdat Nabal zijn overvloed niet met anderen wil delen, wordt hij door een van zijn eigen knechten ‘een verdorven man’ genoemd (1 Sam.25:17).

Wanneer de profeet Elia in de stad Zarfath komt, vraagt hij vrijmoedig eten en drinken aan een weduwe die hij tegenkomt. Als vanzelfsprekend wil zij hem dat geven, ware het niet dat zij zelf geen brood meer in huis heeft (1 Kon.17:10-12).

In het N.T. zie je hetzelfde. Wanneer Jezus bij Simon de Farizeeër te gast is, zegt Hij dat Simon in gebreke is gebleven. Simon heeft Hem namelijk geen water aangeboden om Zijn voeten te wassen, Hem geen kus gegeven en Zijn hoofd niet met olie gezalfd (Luk.7:44-46).

De apostelen roepen ons op om gastvrije mensen te zijn. Zo draait de derde brief van Johannes om het openen van je huis en je hart voor rondreizende dienaren van God. Wie zijn huis en hart voor zijn naaste sluit, zoals Diotrefes doet, is niet met God verbonden.

Christenen zijn herkenbaar aan hun liefde – waarvan gastvrijheid een uiting is: ‘Leg u toe op de gastvrijheid’ (Rom.12:13). De gasten die je ontvangt, kunnen zonder dat je het weet engelen zijn: ‘Vergeet de gastvrijheid niet, want hierdoor hebben sommigen zonder het te weten engelen onderdak geboden’ (Hebr.13:2). Hoe ben je een ‘christelijke gastheer of -vrouw’? Als je van harte dient en niet moppert: ‘Wees gastvrij voor elkaar, zonder morren’ (1 Petr.4:9). Christen zijn is onlosmakelijk verbonden met gastvrij zijn. Het ‘ieder voor zich’ staat haaks op het evangelie.

Vreemdeling
De Bijbel staat vol met teksten over de vreemdeling en het vreemdelingschap. Belangrijk zijn deze woorden: ‘Dan moet u voor het aangezicht van de HEERE, uw God, betuigen en zeggen: Mijn vader was een verloren Syriër. Hij trok naar Egypte en verbleef daar als vreemdeling met weinig mensen, maar hij werd daar tot een groot, machtig en talrijk volk’ (Deut.26:5). Het volk Israël is als een vreemdeling (Ex.23:9). De identiteit van Gods volk is onlosmakelijk verbonden met het vreemdelingschap van de aartsvaders. Later zegt koning David het zo: ‘Want wij zijn vreemdelingen voor Uw aangezicht en bijwoners, zoals al onze vaderen’ (1 Kron.29:15).

Vervolgens wordt duidelijk dat asielzoekers te midden van de Israëlieten zowel rechten als plichten hebben. Bekend zijn de woorden uit de Tien Geboden over ‘uw vreemdeling die binnen uw poorten is’ (Ex.20:10, Deut.5:14). Hij heeft recht op rust en moet de rustdag houden.

Elders in het O.T. staat het verbod om het recht van de vreemdeling te buigen (Ex.22:21, Lev.19:33, Deut.24:17, Jer.7:5-6, Mal.3:5). Wie vreemdelingen respectloos behandelt, is vervloekt (Deut.27:19). Daarom staat er in de Schriften dat wat er aan koren, olijven en druiven na de oogst op de grond is blijven liggen, bestemd is voor de vreemdeling (Lev.19:9-10, Deut.24:19-21). Het verhaal over Ruth laat zien hoe zij als Moabitische eten mocht verzamelen op het land van Boaz uit Bethlehem.

In het licht van deze gegevens verbaast het niet dat Gods Woord een expliciet liefdesgebod heeft aangaande vreemdelingen: ‘Daarom moet u de vreemdeling liefhebben, want u bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte’ (Lev.19:34, Deut.10:19). Israël moet God navolgen in liefde en barmhartigheid voor asielzoekers: ‘Die de vreemdeling liefheeft door hem brood en kleding te geven’ (Deut.10:18), en: ‘De HEERE bewaart de vreemdelingen’ (Ps.146:9). In het N.T. wordt het verzorgen van vreemdelingen genoemd als een van de goede werken die gelovige weduwen doen (1 Tim.5:9-10).

God wijst in het O.T. zes vrijsteden aan die dienst doen als ‘vluchthaven’ voor vreemdelingen die per ongeluk iemand gedood hebben (Num.35:15). Zo heeft de vreemdeling ten allen tijde een schuilplaats waar hij of zij veilig is als er een ongeluk is gebeurd met een dodelijke afloop. Asielzoekers worden geenszins ‘vogelvrij verklaard’.

In geestelijke zin zijn trouwens al Gods kinderen vreemdelingen (Ps.119:19, 1Petr.2:11, Hebr.11:13). Petrus zegt tegen ons: ‘En als u Hem als Vader aanroept (…) wandel dan in de vreze des Heeren, gedurende de tijd van uw vreemdelingschap’ (1Petr.1:17). Deze aarde is niet het ‘thuis’ van Jezus’ discipelen. Zij zijn namelijk onderweg naar het Vaderhuis en het nieuwe Jeruzalem. Hun leven is een pelgrimsreis naar Gods toekomst. Kan een christen zich echt thuis voelen op aarde?

In de gelijkenis van de schapen en de bokken wordt duidelijk wie de trouwe volgelingen van Christus zijn. Zij hebben onder meer vreemdelingen welkom geheten. Belangrijk is dat wij in de vreemdeling Jezus Zelf ontmoeten. Hij zegt namelijk: ‘Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt, hebt u dat voor Mij gedaan’ (Mat.25:40). Dat geeft de kerk te denken – zeker als er een AZC in de buurt is!

Vluchteling
Jakob, Mozes, David en Elia: vele figuren uit de Bijbel moeten op een zeker moment vluchten. Vluchtelingen hebben een zwaar bestaan. Zij hebben ‘huis en haard’ achtergelaten en gaan een onzekere toekomst tegemoet. Maar op al hun vluchtwegen is God Zijn kinderen nabij, zodat zij kunnen zeggen: ‘Ú hebt mijn omzwervingen geteld; doe mijn tranen in Uw kruik. Staan zij niet in Uw register?’ (Ps.56:9).

Door de eeuwen heen zijn christenen vaak op de vlucht geweest. De christenvervolging die na de moord op Stefanus begon (Hand.8:1), zet zich voort tot op de dag van vandaag. De geloofsgetuigen beleefden al hoe zwaar dat was: ‘De wereld was hen niet waard. Zij dwaalden rond in afgelegen plaatsen en verbleven op bergen, in grotten en in holen in de aarde’ (Hebr.11:38). Wie op de vlucht slaat, is dakloos geworden, neemt weinig kleren mee en moet zoeken naar eten en drinken. God wil Zich over zulke vluchtelingen ontfermen. De vraag is echter waarvoor de kerk kiest: liefde of angst? Het zijn elkaars tegenpolen!

Tot slot, Gods Zoon is Zelf een vluchteling geweest. Als kind moest Jezus vluchten voor Zijn leven. Nadat de wijzen uit het oosten vertrokken waren, verscheen er een engel van de Heere aan Jozef in een droom die zei: ‘Sta op, en neem het Kind en Zijn moeder met u mee, en vlucht naar Egypte, en blijf daar totdat ik het u zal zeggen, want Herodes zal het Kind zoeken om Het om te brengen. Hij stond dan op, nam het Kind en Zijn moeder in de nacht met zich mee en vertrok naar Egypte’ (Mat.2:13-14). De vreemdeling is God niet vreemd, omdat Zijn eigen Zoon een vluchteling was. Zo is Hij deelgenoot geworden van ons ‘vluchtelingenprobleem’.

ds. L. van Dalen is predikant te Hoogeveen


 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker