Artikel
2015-11-06
Woordwerk: De Halve Maan en de Zon - islam en het christelijk geloof Door M.J. Kater

Beide godsdiensten erkennen een Schepper, beide belijden dat er maar één God is (monotheïsme) en beide weten van een laatste oordeel. In beide komen we Abraham tegen en zelfs Jezus komt ter sprake. Om antwoord te geven op de vraag: ‘hoe stellen we ons op tegenover de islam?’ moet er meer gezegd worden.

De bedoeling van dit artikel is om op vier punten deze ‘halve maan’ te plaatsen in het licht van de ‘zon’. Daarbij wordt dus aan de ene kant een beroep gedaan op het belangrijkste (volgens sommigen zelfs: enige) symbool in de islam, waar de kalender bepaald wordt door de maan. Aan de andere kant op het symbool van de zon als aanduiding van het christelijk geloof als verwijzing naar het Licht der wereld. Christenen worden niet zonder reden aangesproken als ‘kinderen van het licht’. Achtereenvolgens komen aan de orde: het beeld van God (Allah), in het verlengde daarvan de plaats van Jezus als de Zoon van God, het probleem van de zonde en wat onder redding (verlossing) verstaan wordt. Bij alle vier onderdelen stellen we een vraag aan ons eigen adres. Dat kan ons in ieder geval behoeden voor het neerzien op een ander. Om te begrijpen wat de islam leert, is niet alleen de Koran van belang, maar ook de zogenaamde Hadith als commentaar bij of uitleg van de Koran. Evenals in het christendom het geval is, zijn ook binnen de islam tal van stromingen en wordt een bijzonder gezag toegekend aan sommige uitleggers.1

Het beeld van God
Centraal staat in de islam de gedachte dat Allah één is. Hij is de Schepper met vele eigenschappen: hoog verheven, eeuwig, soeverein, machtig, wijs, rechtvaardig en barmhartig. Volgens de Hadith heeft Allah negenennegentig namen, honderd min één, en wie ze kan opzeggen uit het hoofd, mag het paradijs in. Deze namen geven ons wel een idee van wie Allah is. De hoogste naam echter, die God werkelijk representeert, blijft onbekend. Allahs verhevenheid is zodanig dat van een werkelijke relatie met de mens geen sprake kan zijn. Daarom is er in de islam ook geen sprake van de mens als geschapen ‘naar Zijn beeld en Zijn gelijkenis’. Niet dat Hij zo oneindig ver weg is of zelfs afwezig is: ‘God is dichterbij dan onze halsader’(Soera 50: 16).
In de Bijbel is de verhevenheid van God geen belemmering om een werkelijk relatie met Zijn schepselen aan te gaan, van een Vader met kinderen. Allah bewijst wel barmhartigheid en is goedertieren en vergevingsgezind. Maar het eigenlijke woord voor Allah is niet liefde. In de context van de Koran betekent Allah’s liefde dat Hij een behagen heeft in gehoorzame dienaren, meer dan dat Hij ze kent in een persoonlijke relatie van liefde. Vanuit islamitisch gezichtspunt is het een degradatie van Allah als Vader op God van toepassing zou zijn. Het vergt de nodige uitleg om duidelijk te maken wat we als christenen bedoelen met God als Vader: 1. Het gaat om de typering van de relatie vanuit de schepping ‘naar Gods beeld’, die beslist niet betekent dat God een ‘echtgenote’ zou hebben of dat mensen delen in de goddelijke natuur, 2. door het aanroepen van God als Vader erkennen christenen dat Hij dit alleen om Jezus’ wil geworden is. De liefde van de Vader deed Hem Zijn Zoon geven en vanwege Zijn dood aan het kruis (Joh. 3: 16), op grond van de volbrachte verzoening (2 Kor. 5: 14-17), worden zondaren rechtens als kinderen aangenomen in het huisgezin van God (Gal. 4: 4-6).
Toch dringt zich de vraag aan ons op of bijvoorbeeld hun diepe eerbied voor Allah er onder ons nog wel is voor de Vader van onze Heere Jezus Christus. Soms lijkt ons godsbeeld wel een heel hoog ‘knuffelgehalte’ te hebben en een moslim zou weleens verbaasd kunnen staan over een bepaalde nonchalance in onze erediensten. ‘Hoe stellen we ons op tegenover de islam?’ Laten we hen geen reden geven om hen in de overtuiging die hen met de paplepel ingegoten is - namelijk dat het Westen decadent is,het Westen christelijk is en dus christenen respectloze mensen zijn  – te staven.  

De Zoon van God

Dat Jezus in de Koran wordt genoemd, is bekend. Welke plaats krijgt Hij? Jezus mag een bepaalde ereplaats hebben (onder Mohammed), maar Hij is niet ‘God in eigen Persoon’! Iedere moslim verwerpt de leer van de Drie-eenheid. Op de achtergrond speelt de intense strijd met het Arabische polytheïsme mee én de veronderstelling dat God, Maria en Jezus als drie goden gezien worden door christenen (Soera 4: 171). Het is ook nuttig om te bedenken dat de islam ontstaan is in de zesde tot zevende eeuw in een gebied waar het Oosterse christendom zich verbreid had. Ook daarbinnen waren allerlei variaties ontstaan van ‘God die steeds meer mens werd’ tot een ‘mens die steeds meer God werd’. Het is trouwens ook nogal een verschil of je met een vertegenwoordiger uit de mystieke stromingen spreekt of een sterk rationalistische denker.

Wat zijn vooral de bezwaren van moslims en welke tegenargumenten kunnen gebruikt worden? Ik noem er twee:
1. Als God een Zoon zou hebben, dan zou Hij ook een vrouw gehad moeten hebben. Met dezelfde goddelijke natuur.
Het lijkt me juist om een dergelijk opvatting te verwerpen. God heeft inderdaad geen Zoon op dezelfde wijze als een aardse vader een zoon heeft. Christenen belijden Jezus als de Zoon van God, maar beseffen dat dit anders is en kozen daarom destijds voor de aanduiding van eeuwige generatie van de Zoon. De Vader is nooit zonder de Zoon geweest en omgekeerd. Hij is de ‘eeuwige Zoon’ en in de eeuwigheid is geen ‘eerder’ of ‘later’. De Zoon is er niet dankzij de wil van de Vader, maar  Hij is ‘van nature’ de eeuwige Zoon van God.
Jezus is bovendien dus niet de Zoon van God, omdat Hij op een bijzondere manier in de moederschoot van Maria verwekt is. Deze ‘heilige ontvangenis’ laat juist zien hoe Hij de mensen in alles gelijk geworden is, uitgenomen de zonde.  

2. Het is niet juist om te stellen dat ‘God is Christus’ (Soera 5: 17, 72).
Dat lijkt me eveneens juist, maar dit doen christenen ook niet. Het omgekeerde is wel te verdedigen, namelijk ‘ Christus is God’. Maar ook dan zullen we in de eenheid van beide Personen ook het onderscheid handhaven. Johannes 1:1 zegt het wonderlijk mooi: ‘het Woord was God’ (eenheid) en ‘het Woord was bij God’ (onderscheid).

‘Hoe stellen wij ons op tegenover de islam?’ Laten we hun misverstand wat betreft het spreken over Jezus als ‘Zoon van God’ ter harte nemen. Zingen we en spreken we op een manier over Hem, waardoor aan Hem recht gedaan wordt als de eeuwige Zoon, die door de Vader in deze wereld gezonden werd? Een Jezusbeeld waarbij Hij het opneemt voor zondaren tegenover een streng en straffend God lijkt me bezijden de waarheid. Daarom is ook Zijn ‘ambtsnaam’ Christus van zo’n geweldige betekenis en is ook binnen de kerk het nuttig om de naam Jezus voortdurend te verbinden met deze naam, Christus.

Het probleem van de zonde
De Koran die heel sterk de éénheid van God benadrukt kent één onvergeeflijke zonde (shirk): ‘God vergeeft niet de associatie van een partner voor Hem, een kleiner zonde dan die vergeeft Hij aan wie Hij wil.’(Soera 4: 48, 116). Het is dus echt van belang te beseffen hoe moeilijk het is om moslims te overtuigen van God als de drie-enige God en in het bijzonder Jezus als Zoon. Naast deze bijzondere zonde, wordt zonde gezien als het overtreden van Gods wil. Mensen worden geboren in een staat van morele reinheid. Maar ze zijn wel zwak en hebben verlichting nodig (openbaring) en de hulp van Allah. Zonde heeft volgens de Koran alleen consequenties voor wie ze begaat. De zonde van Adam had als zodanig geen gevolgen voor zijn nakomelingen. De islam kent dus geen leer van de erfzonde of oorsprongszonde. Adams zonde was trouwens het gevolg van een ethisch gezien verkeerde inschatting. Toch komen we heel wat teksten in de Koran tegen die erop wijzen dat Allah de zonde serieus neemt.

In de Bijbel is zonde ook overtreding van Gods wil, Zijn wet. Toch tekent de Bijbel de ernst van de zonde dieper: het zijn niet allereerst de daden zelf, maar het hart waaruit ze voortkomen dat het probleem vormt. Zonde is vooral de verbroken relatie met God, ons verlangen naar onafhankelijkheid van God, de opstand tegen Hem, en ‘ik doe het op mijn manier’. De zonde zit zo diep in ons bestaan dat zelfs onze ‘gerechtigheden’ niet meer zijn dan  ‘een stel lompen’ (Jes. 64: 6) die met de voddeman meegegeven moeten worden. Bovendien is volgens de Bijbel deze onreinheid van de bron – ons hart – wel verbonden met de zondeval van Adam en Eva (Ps. 51, Rom. 5). De Bijbel kent mannen en vrouwen een veel hogere status toe dan de Koran: geschapen naar het beeld van God. Maar ook omgekeerd: de zonde(val) is veel erger dan uit de Koran blijkt. Vanwege onze val kunnen we onszelf niet redden, gescheiden en vervreemd als we zijn van God, ons Leven.

De vraag die opkomt van de opvatting over zonde binnen de islam is of wij ook niet langzamerhand steeds meer denken vanuit een bepaald moralisme. Wanneer zonde niet meer is als ‘verkeerde dingen doen’? Wanneer de ‘rechtvaardiging van de goddeloze’ (samengevat: HC zo 23) eigenlijk niet meer functioneert en als ‘vreemd’ ervaren wordt in een kerkelijke gemeente? Wanneer de theologie van het kruis toch daarom langzamerhand door een theologie vervangen wordt ‘van meer naar nog beter’?

Redden we het?!
Het woord ‘redding’ betekent in de islam iets heel anders dan in de Bijbel. In beide wordt gesproken over God, Die wil verlossen. Wanneer we niet geestelijk dood, maar ‘slechts’ ziek zijn, zijn we niet totaal aangewezen op redding van buitenaf. Wanneer over redding gesproken wordt in de islam, moet gedacht worden aan de weg die wij hebben te gaan: geloof, gehoorzaamheid, bekering (Soera 19: 60, 20: 83, 25: 70, 28: 67) en eventueel nog het beroep op de voorspraak van de profeet Mohammed. De weegschaal van ons leven kan alleen doorslaan naar de kant van het goede - en dan zijn we gered! - als we dus: de waarheden in de koran toestemmen (geloof), we zoveel goede daden doen (denk aan de vijf grote plichten) dat de verkeerde uitgewist worden (gehoorzaamheid) en we breken met verkeerde gewoonten (bekering). De voorbede van de profeet wordt alleen in de Hadith genoemd. Ondertussen is duidelijk dat we in dit leven niet al gered kunnen zijn. Dat is iets dat pas werkelijkheid worden kan op de dag van het laatste oordeel.

In de Bijbel gaat het niet over redding ‘door verdienste’, maar ‘uit genade’. Centraal staat de dienst van de verzoening, die van God uitgaat (Lev. 17: 11, 2 Kor. 5: 18-21). De ‘Heere der heerlijkheid’ wordt gekruisigd en zo klinkt het bevrijdende Woord en breekt de toekomst reeds hier aan. ‘Hierin is de liefde, niet dat wij…., maar dat Hij….’(1 Joh. 4)! De Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren is (Luk. 19: 10), gekomen om te dienen en zijn leven te geven tot een losprijs voor velen( Mark. 10: 45).

Wij redden het niet. Of toch wel? Kerkmensen die hun hoop bouwen op het feit dat ze ‘de slechtste toch niet zijn’ bouwen hun hoop op een ‘islamitisch’ fundament. Dan is er niet langer sprake van ‘verbazingwekkende genade’ (Amazing Grace). De zon schijnt volop, omdat er drie uren in de geschiedenis waren waarin iedere blijk van Gods licht, vriendelijke aangezicht, weggehouden werd. Dat kardinale moment in de wereldgeschiedenis wordt ontkend in de Koran. Daarom heeft de halve maan het licht van de zon dringend nodig! Daarom ook: ‘Laat uw licht schijnen …’.

Dr. M.J. Kater is universitair hoofddocent in de gereformeerde praktische theologie aan de TUA
 
Noot
1 Voor dit artikel heb ik met name gebruik gemaakt van twee boeken waarin ook verschillende uitleggers van de Koran het woord krijgen: Chawkat Moucarry, Faith to Faith. Christianity & islam in Dialogue. Nottingham 2001;Colin Chapman, Kruis en halve maan, Amsterdam 2003; Jacob Hoekman, Zonen van Ismaël, Apeldoorn 2012.


 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker