Artikel
2016-01-08
De Wekker in oorlogstijd Door Niels van Driel

De Wekker is vanaf 1888 altijd met grote regelmaat blijven tikken. Slechts tijdens de Tweede Wereldoorlog raakte het blad van slag, zodat wij nu pas de 125ste jaargang ingaan. De bezetter verbood de verschijning van De Wekker na 4 oktober 1940. Opvallend is dat de klok in oktober 1942 weer begon te lopen, toen vrijwel alle landelijke kerkbladen wegens papierschaarste al maandenlang opgehouden waren te verschijnen. Over een raadselachtige episode uit de geschiedenis van De Wekker.

Anders dan op andere vrijdagen wordt De Wekker op 10 mei 1940 niet bezorgd. De week daarop rolt het blad niet eens van de persen. Pas op 24 mei klinkt De Wekker weer. Bij monde van de hoofdredacteur, professor J.J. van der Schuit, geeft het blad een schril geluid. De gevreesde inval van de Duitsers was dan toch als een stortzee over het land gegaan. Van der Schuit rept van ‘verschrikking en ontzetting’. Hij voorziet een andere tijd. Evenals andere scribenten, onder anderen J.W. Geels en G. Wisse, roept hij al snel op tot gehoorzaamheid aan de bezetter, zolang die geen dingen vraagt die rechtstreeks in strijd zijn met Gods gebod.

Tegelijk kruipt het bloed, dat destijds in de traditionele kerken haast oranje moet zijn geweest, waar het niet gaan kan. Af en toe klinkt er in De Wekker vrij openlijke kritiek. Zo roepen Van der Schuit en Geels aan de vooravond van Koninginnedag (toen 31 augustus) op voor het vorstenhuis te bidden. Geels uit bovendien zijn verdriet over de bezetting. Omdat daarna het verschijningsverbod volgt, schoten deze aanhankelijkheidsbetuigingen naar hun inschatting de bezetter in het verkeerde keelgat. Preciezer: zij vrezen dat NSB-leden uit eigen kring nadrukkelijk de aandacht van de censuur op deze stukken heeft gevestigd. Pas een volle maand later volgt immers abrupt het verschijningsverbod.

Zonder smet

‘Ik zal passeeren de moeilijke dagen, om niet te zeggen nachten, die mijn ziel heeft doorworsteld om het weder-verschijnen van "De Wekker” te bewerkstelligen’, schrijft Van der Schuit aan de synode van 1944. Wat heeft Van der Schuit nu precies gedaan en hoe ver is hij gegaan?

Van der Schuit bezweert de synode dat hij aan geen enkele voorwaarde hoefde te voldoen om De Wekker weer ‘vrij’ te krijgen: ‘Ik mag hier staan in uw midden als verantwoordelijk hoofdredacteur zonder smet en zonder blaam en het is mij een eer "De Wekker” als het oudste kerkelijk embleem ongerept in uw handen te leggen’.

De waarheid is moeilijk te achterhalen. De oorlogsjaren vormen voor de geschiedschrijver in het algemeen een mistig tijdvak. De meeste media werden opgeheven, of bevatten weinig informatiefs. De bezetter las mee! Op basis van verspreid archiefmateriaal doe ik een poging tot reconstructie.

Zelfcensuur?

Volgens E.G. Bosma, eerder dit jaar gepromoveerd op Oude en nieuwe orde, heeft Van der Schuit de bezetter waarschijnlijk zelfcensuur aangeboden. Op dit punt ben ik hem  in een recensie bij nader inzien te snel bijgevallen. Hij leest dit af uit het feit dat De Wekker na zijn herverschijning een volstrekt apolitiek blad was. Maar dit geldt voor alle organen vanaf 1942, voor zover ze niet nationaalsocialistisch waren dan wel ondergronds.
Ten tweede suggereert Bosma dat Van der Schuit ds. H. Janssen, die veel op de actualiteit inging, als scribent heeft afgeserveerd. Maar dit is al te suggestief. Janssen voelde zich achteruitgaan en was in de laatste periode van zijn leven dementerend. Bosma’s derde overweging is dat De Wekker op een lijst staat van bladen die hadden beloofd geen voorlichting te geven omtrent het volksleven. Maar de lijst is ongedateerd, afkomstig van A. Kaptein, iemand die Bosma zelf sterk wantrouwt, en de belofte is nogal vaag. Op zichzelf is dit feit moeilijk te duiden.

Feit is dat Van der Schuit zijn geesteskind dolgraag weer ziet verschijnen. Al tientallen jaren is hij nauw betrokken bij het blad en sinds 1932 is hij hoofdredacteur.

Connecties

Wat heeft Van der Schuit geprobeerd na het verschijningsverbod? Volgens de notulen van de deputaten voor Correspondentie met de Hoge Overheid is hij al snel daarna langs geweest bij de directeur van het Nederlandsch Christelijk Persbureau, dr. H.W. van der Vaart Smit, een echte collaborateur. Mededeputaat Janssen vindt dit geen gelukkige actie. Beter dan Van der Schuit realiseert hij zich wat voor vlees men met Van der Vaart Smit in de kuip heeft. Hij waarschuwt ertegen langs deze weg De Wekker weer terug te krijgen.

Mogelijk legt Van der Schuit in plaats van met Van der Vaart Smit contact met diens adjunct-directeur, Kaptein, een ex-student van de Theologische School, die daar in 1929 was weggestuurd. In ieder geval corresponderen zij enkele malen met elkaar. Kaptein is iemand die van twee walletjes eet. Aan de ene kant dekt hij zich in door NSB-lid te worden, aan de andere kant heeft hij veel goeds gedaan voor de kerken. Zo weet hij eind 1941 te bereiken dat de door de bezetter geëiste concentratie van de kerkelijke pers deels door de kerken zelf mag worden ingevuld.

In mei 1941 biedt Kaptein, die goede contacten heeft met het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten, Van der Schuit aan te proberen De Wekker weer aan de gang te krijgen. De hoogleraar reageert dat de precieze voorwaarden hem niet duidelijk zijn, maar bedankt hem per kerende post wel voor deze ‘royale aanbieding’. Echter, tegen dit ‘aanbod’ ziet hij bezwaren, niet zozeer van hem persoonlijk als wel ‘van de zijde der kerk’. Hij voorziet dat bekend zal worden ‘tot welken prijs wij "De Wekker” hebben vrij gekregen’. Wat bedoelde Van der Schuit? Mijns inziens geen zelfcensuur maar herziening van een synodebesluit.

1937
Van der Schuit sympathiseert volstrekt niet met het nationaalsocialisme. Op zichzelf is hij een moedig man, die zelfs als hij wordt gewaarschuwd dat er NSB’ers in de kerk zitten, niet nalaat voor de koningin te bidden. Al tijdens een rondreis door Duitsland in juli 1934 had hij geconstateerd hoezeer dit land zich onder invloed van het nationaalsocialisme in heidense richting ontwikkelde. Ook nadien bleef hij principiële bezwaren koesteren tegen deze wereldbeschouwing. Maar hij helt steeds meer naar het standpunt dat de kerk zich niet moet inlaten met politieke zaken.

De opkomst van de NSB noopt tot een heldere kerkelijke koers. In 1937 spreekt de synode uit dat het lidmaatschap van de NSB tuchtwaardig is. Van Van der Schuit had dit niet gehoeven. Hij verdedigde het standpunt dat de kerk zich moest beperken tot het beoordelen van individuele NSB-leden. Als de bezetter hem duidelijk maakt dat deze kerkelijke uitspraak de heruitgave van De Wekker verhindert, neemt hij – zoals blijkt uit de bijdrage van ds. M.W. Vrijhof aan het herdenkingsboekje van de gemeente Arnhem – in maart 1941 contact op met de kerkenraad van Arnhem, die verantwoordelijk is voor de agenda van de voorjaarsclassis Apeldoorn. In februari heeft hij al een brief aan alle kerkenraden gestuurd waarin hij een duidelijk verband legt tussen de uitspraak van 1937 en het verbod op De Wekker: ‘Ik wil hiermede niet zeggen, dat, wanneer ooit onze generale synode zich zal herzien in zake een politieke uitspraak, wij dan kunnen verzekerd zijn van het vrijgeven van "De Wekker”. Maar ik kan wel zeggen, dat, zoolang deze synodale uitspraak blijft bestaan, er weinig of geen hoop is voor het weer verschijnen van ons orgaan.’

Diverse kerkenraden nemen Van der Schuit deze brief kwalijk. Geels, die hem verwijt op eigen houtje te hebben gehandeld, meent dat zijn collega door dit soort acties zijn gezag verliest. Van der Schuit verklaart dat zijn schrijven zeker niet voortvloeit uit NSB-sympathieën. Hij zegt ‘altijd’ al reserves bij deze kerkelijke uitspraak te hebben gehad. Zijn reserves brengen hem tot de suggestie deze in te trekken of af te zwakken, omdat ‘1937’ de belangen van het kerkverband in de weg staat. Dat kan alleen langs kerkelijke weg. De kerkenraad van Arnhem voelt zich niet geroepen de kwestie op de classisagenda te plaatsen en stelt zelfs voor de synode vanwege de tijdsomstandigheden uit te stellen. Dat gebeurt niet, maar op de agenda van de synode van september 1941 komt de uitspraak over de NSB niet voor. Langs deze weg krijgt Van der Schuit De Wekker niet aan de gang.

Persconcentratie
Kort daarna komt er een andere mogelijkheid. De bezetter wil de uitgave van veel kerkelijke bladen staken. Kaptein kan hier invloed op uitoefenen en Van der Schuit maakt daar graag gebruik van. Nadat hij een signaal heeft gekregen dat De Wekker misschien weer mag verschijnen, brengt hij op 11 maart 1942 een bezoek aan het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten in het paleis op de Kneuterdijk. Ds. M.W. Nieuwenhuijze van Den Haag is bereid met hem mee te gaan. Samen gaan zij onder het spandoek ‘Duitsland wint op alle fronten’ door. Van der Schuit moet nog lang geduld hebben, maar eindelijk wordt zijn verlangen vervuld. Begin september wordt hij bij de Sicherheitsdienst in Arnhem geroepen, waar hem wordt meegedeeld dat De Wekker weer mag verschijnen. Van der Schuit betuigt Kaptein in oktober 1942 zijn grote dank voor zijn bemoeienis. Kaptein krijgt voortaan geregeld De Wekker ‘als een klein bewijs, dat wij deze uw activiteit niet mogen vergeten’.

De synode van 1944 rechtvaardigt Van der Schuit door ‘grote blijdschap’ uit te spreken over het feit dat De Wekker ‘zonder enige voorwaarde’ werd vrijgegeven. Nieuwenhuijze  kijkt met gemengde gevoelens op zijn bezoek terug. Per 15 september heft de bezetter namelijk de classicale mededelingenbladen op, de opvolgers van de opgeheven classisorganen. In een brief aan een onbekende collega zegt Nieuwenhuijze dit ‘ontzettend jammer’ te vinden. Ditmaal gaat hij als redacteur van het Haagse mededelingenblad naar het departement, dat hem te verstaan geeft in het geval van de CGK gekozen te hebben voor het hoofdorgaan. ‘Op onze pertinente vraag, of dit was uitgegaan van de redactie van De Wekker, heeft men beslist ontkennend geantwoord.’ Het departement verzekert Nieuwenhuijze dit zelf zo te hebben georganiseerd en voorgesteld. Twee jaar lang was er zo ‘gezeurd’ of De Wekker terug mocht komen dat het meende dat het hoofdorgaan belangrijker was dan de mededelingenbladen. ‘Dit schijnt wel met "Apeldoorn” [ofwel Van der Schuit] besproken te zijn’, besluit Nieuwenhuijze. Hij beseft dat er niets meer aan te veranderen valt, zodat hij zich bij de gang van zaken neerlegt.

Conclusie
Van der Schuit heeft mogelijk oprecht gemeend op geen enkele manier de Duitsers tegemoet te zijn gekomen. Of hij daarbij het verdichtsel van zijn eigen hart voldoende heeft gepeild? Zijn antipathie tegen de NSB-uitspraak van 1937 heeft hij nooit verheeld. Als hij daarvan in zijn gesprekken met de Duitse instanties ook maar iets heeft laten merken, kan dat gemakkelijk als goodwill zijn overgekomen. Zeker is dat hij signalen heeft afgegeven dat De Wekker belangrijker was dan de classicale mededelingenbladen, die hij zo heeft geslachtofferd.

Wat kreeg het kerkvolk daarvoor terug? Een catechismusverklaring van Van der Schuit, pastorale bespiegelingen van Wisse, een feuilleton et cetera. De Wekker liep weer regelmatig, maar tijdsignalen gaf ze niet meer af. Na 1 september 1944 stokt de uitgave opnieuw, nu voor de duur van de bezetting.

Pas in augustus 1945 kan Van der Schuit in De Wekker schrijven dat haar ‘tikslag’ weer klinkt in het bevrijde vaderland. Hij verzekert zijn lezers dat het er niet om gaat dat de klok loopt, maar of zij wel zuiver tikt. Had De Wekker dat in de voorgaande jaren echt gedaan? De 125ste jaargang had gerust nog even op zich mogen laten wachten.

Dr. Niels van Driel is kerkhistoricus



 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker