Artikel
2016-01-22
Nader bekeken: Oliebollen in het AZC ... door Miranda Renkema

Als dit blad uitkomt liggen de feestdagen inmiddels weer wat achter ons, maar op het moment dat ik dit schrijf is het 2 januari, en voelen die intensieve dagen rond het kerstfeest en de jaarwisseling nog heel dicht bij. En terugkijkend merk ik dat die dagen wat anders waren dan andere jaren.

Zo stond ik twee dagen geleden, oudejaarsdag, om 10 uur ‘s ochtends in een nog bijna stille hal van het AZC hier vlak bij Hilversum, met drie enorme dozen met oliebollen. 300 stuks, incl. poedersuiker, een bestelling waar het Leger des Heils via vrijwilligers voor had gezorgd. Het was voor mij de eerste keer dat ik daar binnen was, en ik voelde me wat apart, daar met die bollen in die troosteloze wit betegelde hal, tussen een enkele wakkere bewoner en een paar beveiligingsmensen ...   

En een week eerder was het Kerst, en zaten we hier thuis aan tafel met drie Syrische vluchtelingen. Dat was niet voor het eerst, dat we het kerstfeest vierden met gasten uit een ander land, maar dat waren dan toch christenen die al langer in Nederland waren, en hier een eigen plek hadden. Nooit eerder was het zo ‘rauw’ als nu, met mensen die nog maar zo pas geleden gevlucht zijn uit verschrikkelijke omstandigheden, en nog in grote onzekerheid zijn over de toekomst.

Twee kleine voorbeeldjes, van dingen waarin bleek hoe het grote wereldgebeuren ook ons leven raakte, en van dingen die we afgelopen zomer nog niet zagen aankomen. Ik kon in juli niet vermoeden dat ik op oudejaarsdag mijzelf onhandig in de hal van een asielzoekerscentrum zou zien staan...

Dichterbij
En dat is precies de reden geweest voor de redactie om, na het blad dat we in de zomer maakten over ‘asielzoekers welkom?’, nu, een half jaar later, nogmaals een blad over vluchtelingen te maken. Er is na de zomer veel veranderd. Konden we toen nog vrij beschouwend schrijven, over Bijbelse noties als gastvrijheid en vreemdelingschap, e.d., maar bleef de problematiek toch wat verder van het bed van het gemiddelde CGK-kerklid, inmiddels zijn de dingen ‘dichterbij’ gekomen.

Sinds de zomer is een grote vluchtelingenstroom in ons land aangekomen (rond de 60.000 vluchtelingen worden op dit moment opgevangen, las ik), en vraagt dat ook om daadwerkelijke hulp. We zijn inspraakavonden over de komst van AZC’s verder, en hatelijke woorden en protestacties van autochtone Nederlanders. De discussies, die in de zomer in politiek Den Haag waren, vinden nu in ieders woonomgeving plaats. En ook aan kerken zijn de ontwikkelingen niet onopgemerkt voorbijgegaan.

Veel diaconieën participeren in de hulpverlening aan vluchtelingen, vaak in gezamenlijkheid met andere diaconieën. Het gaat dan om praktische hand- en spandiensten, coördineren van kleding- en voedselinzameling, organiseren van ‘meat-and-eat’-ontmoetingen, enz. Maar ook nóg een stapje dichterbij zijn de gevolgen merkbaar. Als ik kijk naar onze eigen gemeente, dan hebben we sinds de vluchtelingenstroom in Nederland aankwam ook een aantal Syrische gezinnen in onze diensten. Gewoon in een simpele dorpsgemeente, die daar geen ervaring mee had.

Ineens moeten gemeenteleden proberen te communiceren met mensen die het Nederlands, en soms het Engels, niet machtig zijn. En als ze dat doen, horen ze uit eerste hand de verhalen. Op de clubs vraagt het creativiteit om Syrische kinderen bij de groep te betrekken, en in de liturgie wordt rekening gehouden met liederen waarvan een Arabische vertaling beschikbaar is. Ook de hoofdlijnen van de preek worden vertaald. Dat alles was er afgelopen zomer nog niet. En zo geldt dat vast in meer gemeenten.

Hoe opstellen?
En de grote vraag is natuurlijk, nu blijkt dat we het grote wereldgebeuren niet meer zomaar langs ons heen kunnen laten gaan, maar dat de gevolgen dichtbij zijn gekomen en ook ons leven raken ... nu vluchtelingen naast ons in de kerkbank zitten, en om de hoek wonen ...  hoe zullen we ons daarin opstellen, als kerken, en als christenen?  

Want met dat dichterbij komen van de problematiek zijn de vragen, die we ook in het blad in de zomer en in het blad over islam benoemden, niet minder geworden. Juist als je meer ziet en hoort uit eerste hand, blijkt de situatie vaak nog veel ingewikkelder dan je op afstand, beschouwend, dacht te kunnen duiden. En allerlei vragen kunnen je aanvliegen, want: wat weten wij eigenlijk over de achtergrond waaruit mensen zijn gevlucht? Wat weten we van de motieven waarmee ze hier gekomen zijn? En van waar we goed aan doen?


We weten niet zo veel

Eigenlijk weten wij heel weinig ... Het is heel moeilijk de vinger te krijgen achter alle verwarrende verhalen die uit de oorlogsgebieden hier naar toe komen. We snappen maar heel weinig van de ingewikkelde conflicten die er spelen. En we kunnen ook de gevolgen van onze eigen daden maar moeilijk overzien. Het lijkt dat de grote vluchtelingenstroom van nu voor een groot deel samenhangt met westers ingrijpen in de conflictgebieden eerder.
 
En net als we in het groot maar heel moeilijk kunnen overzien wat op de lange termijn de gevolgen van ons handelen zijn, geldt dat in het klein ook. We weten niet precies waar we goed aan doen. En dat wat er in het grote wereldgebeuren gaande is: oorlog, terreur, geweld; wie weet komt het nog wel veel dichter bij.   


Eén ding weten we ...

Wij weten één ding: dat we een God hebben die het licht liet worden in deze donkere wereld. Die in de komst van Zijn Zoon een Licht op liet gaan, voor alle volken, zodat deze wereld voortaan niet alleen meer die duistere plaats zou zijn. We zongen er van op het kerstfeest: ‘Nu daagt het in het Oosten, het licht schijnt overal: Hij komt de volken troosten, die eeuwig heersen zal’.

God wilde het niet laten bij dat zijn mens gevallen is en dat deze wereld zo donker is geworden. Hij gaf Zijn Zoon, tot redding, voor ieder die bij Hem schuilt. En deze wereld blijft niet zoals die nu is. We mogen het zeggen: "wij verwachten echter naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont” (2 Petr. 3: 13). Onrecht, oorlog en terreur zullen niet het laatste woord hebben. God komt in Christus om de dingen recht te zetten, en dan zal Zijn vrederijk aanbreken.    


Taak van de kerk

Tot die dag geeft God tijd. Petrus zegt: het is Gods liefdevolle geduld, dat die dag er nog niet is: "Hij heeft geduld met ons en wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen” (2 Petr. 3: 9). God is er op uit om mensen om te draaien en weer tot Hem te trekken. Hij blijft intens bezig met deze wereld, ook door het lijden heen, zodat mensen tot Hem zouden vluchten en bij Hem veiligheid zouden vinden. Maar als God zo bewogen is, wat betekent dat dan voor Zijn kerk?

Zijn kerk waarvan Christus zei: ‘zoals de Vader Mij zond, zend Ik ook u?’ en: ‘gij zijt het licht der wereld’? Als de kerk geen licht verspreidt, hoe moeten de mensen dan weten van het grote Licht dat er in Hem is opgegaan, en de Vader in de hemel daarvoor verheerlijken? (Math. 5: 16). Wij zijn geroepen om met woorden en daden het evangelie te delen. Juist als de wereld donker is, mogen wij licht verspreiden, in ons huis, onze familie, onze buurt, onze woonplaats.

Trouw
En voor vluchtelingen. Bijvoorbeeld door vriendelijk te zijn, behulpzaam, betrouwbaar. Met één keer in het jaar oliebollen brengen in het AZC zijn we er dan niet ... Zo kwam ik er ook niet binnen, ik was mee met mijn echtgenoot, die er wekelijks een dag is. Hij kan er niet preken, hij kan er wel zijn, met praktische hulp, aandacht, en af en toe een gebed. En wie vraagt naar motieven, zal het vast horen: dat wij een God hebben die zo ontzettend bewogen, genadig en geduldig is, en dat Hij een kerk heeft die, in alle bescheidenheid en onvolkomenheid, daar graag zo iets van wil laten zien.   

Drs. M. Renkema-Hoffman is theologe en lid van de redactie van De Wekker

 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker