Artikel
2016-02-05
Woordwerk: ‘Zwaar en menigmaal misdreven’ - over de prediking van zonde en genade
 
Door M.J. Kater

 
Er zijn zaken waar je echt voor in de kerk moet zijn. Om erover te horen en om te ontvangen. Diagnose en therapie. Oordeel en vrijspraak. Als in de kerk de ‘zonde’ niet meer ter sprake komt, waar dan wel? Juist daar waar genade verkondigd wordt, is er de ruimte van het schuld belijden en het schuld vergeven. Voor Gods aangezicht.

In dit artikel aandacht voor deze twee kernwoorden in de prediking: zonde en genade.  Allereerst omdat we dit verplicht zijn wanneer we Gods Woord naspreken. Bovendien - al zou binnen de kerk weerstand tegen deze prediking bestaan –‘schreeuwt’ onze samenleving erom: een plek waar schuld ter sprake kan komen zonder de schandpaal van de sociale media, omdat het kruis daar hoog opgeheven wordt in de prediking. Het gaat bij zonde om de radicale afwending van God door de mens. Het gaat bij genade om de radicale toewending van God in Christus tot de mens.

Zonde radicaal
Wat zonde is komen we niet te weten en maken we ook niet duidelijker door er over te gaan spreken als ‘verkeerde dingen doen’. Ik noem twee redenen. Dat brengt zonde in de eerste plaats te veel in de sfeer van moralisme. Dan zou de oplossing ook binnen handbereik liggen: minder verkeerde dingen doen en men is ‘minder’ zondaar. Of het nu een of andere cursus: ‘Hoe een betere christen te zijn?’ is, of een systeem van ‘raak niet, smaak niet en roer niet aan’ maakt niet eens zoveel uit. Dan is het niet zo’n heel grote stap: ‘O God, ik dank U dat ik niet ben als ….’ (Luk. 18: 11). Op dat spoor vinden we de woorden uit Jesaja (64: 6) vreemde woorden, namelijk dat al onze ‘goede daden’, onze gerechtigheden, een vies en vuil kleed zijn, dat verachtelijk weggeworpen kan worden. Het zou kunnen zijn dat we in de kerk onze neus ophalen bij ‘ongerechtigheden’. Maar als we dat niet (meer) doen bij de zonde van ‘eigengerechtigheid’? Dan lijkt me dat mede het gevolg van een te moralistische visie op wat zonde is.

In de tweede plaats leidt spreken over zonde als ‘verkeerde dingen doen’ gemakkelijk tot het door elkaar haspelen van twee heel verschillende dingen. Het is van levensbelang te onderscheiden tussen de opmerking ‘jij deugt ook nergens voor’ uit de mond van een opvoeder (die een kind zo mishandelt) en de uitspraak van onze God dat wij als zondaren nergens toe deugen (Rom. 3: 9-20, waar ons zelfportret getoond wordt). Anders gezegd: het is nuttig en nodig te onderscheiden tussen een theologisch mensbeeld en een psychologisch mensbeeld.

Zonde is een werkelijkheid die we alleen leren verstaan in relatie tot God. Zonde is een theologisch te duiden werkelijkheid. Slechts wanneer we God onder ogen komen, slaan we onze ogen voor Hem neer én tegelijkertijd kunnen we het niet laten om Hem onder ogen te komen! (Luk. 18: 13). Daar opent de Geest ogen voor, zodat zonde een pijnlijke werkelijkheid voor ons wordt. Niet omdat we zelf steeds falen, maar omdat Hij niet de liefde en de eer ontvangt die Hij waard is om te ontvangen. Waarom is zondigen ‘zwaar’? Omdat we zondigen tegen Hem, Die zo goed, zo vol liefde en trouw, zo heerlijk heilig en rechtvaardig, zo ... Gód is!

Het is ondoenlijk in een kort artikel alle aspecten aan de orde te laten komen. Daarom één gedeelte in het bijzonder als richtinggevend voor ons (s)preken over de zonde. In Efeze 2: 1-10 herinnert Paulus de gemeente aan Gods grote barmhartigheid en Zijn heerlijke kracht. Dat doet hij door hen te wijzen op hun ‘eertijds’. Wat betekent het namelijk om een geboren zondaar te zijn? Paulus benoemt drie onthutsende karakteristieken van ons zondaarsbestaan:

1. We zijn dood. ‘We worden dood geboren en we leven dood, totdat ons het leven van Christus ons deelachtig gemaakt wordt.’(Calvijn). Dood en leven zijn in de Bijbel heel vaak de aanduidingen van een leven zonder God en het leven met God. Wij zijn geestelijk dood, omdat de relatie met God verbroken is. Denk aan de gelijkenis van de verloren zoon (Luk. 15): ‘mijn zoon was dood en is weer levend geworden’ staat gelijk aan ‘hij was verloren en is gevonden’. Het betekent ook dat we geen oog hebben voor God (‘ik zie niks in God’), geen oor hebben voor Hem (doof voor Gods stem) en geen genegenheid voor Hem hebben (zelfs wanneer Hij tot ons komt, ontlopen we Hem als was Hij een vreemde).
Maakt dat zonde abstract? Nee, maar dit is zonde in de wortel van ons bestaan. De radicaliteit van de zonde zit in ons hart. God en onze naaste niet liefhebben, dat is onze zonde.

2. We zijn slaven. Het dood-zijn in (of door) de misdaden en de zonden (Ef. 2: 1) blijkt een heel actief bestaan te zijn.  Met allerlei concrete voorbeelden kan dit zondigen geïllustreerd worden in de prediking. De Bijbelse grondwoorden laten al een de grote variatie uit de bonte wereld van de zonde horen: ongeloof, ongehoorzaamheid, opstand, afbuigen van de weg van Gods geboden, het doel missen enz. Toch zijn we daarin niet eens eigen baas. Al doet onze (on)wil er wel terdege toe! We gehoorzamen echter in dit alles de ’overste van de macht der lucht’ (Ef. 2: 2). Ook dat lijkt me een aspect te zijn van ontmaskerende prediking. Altijd gedacht mijn eigen zin te doen, en dan blijkt er een te zijn die met ons zoals ‘een ruiter een paard berijdt’ speelt (Luther). Vervolgens blijkt er ook nog de tirannie van de samenleving te zijn!

3. We zijn veroordeeld. In het uur van onze doop is beleden dat we ‘kinderen des toorns’ zijn. Het ‘des doods schuldig’ is het enige vonnis dat ons past. Dat eigent de Geest ons toe in het aanvaarden van Gods goed recht van spreken.

Genade radicaal
Deze dingen komen ter sprake in een Bijbels-gereformeerde prediking juist in de context van het woord genade. Dat is immers ook de context waarin Paulus de gemeente van Efeze herinnert aan dit ‘eertijds’. Het is ook de context waarin bijvoorbeeld in onze Heidelbergse Catechismus over onze ‘zonde en ellende’ gesproken wordt. Het is dus niet ‘slechts’ prediking voor mensen die nog in de zonde leven, maar juist de gelovigen moet hun afkomst niet vergeten. Juist dan schitteren er op z’n minst drie dingen:

1. Gods barmhartigheid. Juist in het licht van ‘zonde’ schittert ‘genade’ des te heerlijker. Ook het omgekeerde is trouwens waar: het licht van Gods genade ontmaskert zonde in haar afzichtelijkheid. Maar zo krijgen bijvoeglijke naamwoorden klank en kleur: rijke barmhartigheid en grote liefde! Grondeloze barmhartigheid!
De prediking van Gods genade is een lofzang op Gods liefde: Hij had ons lief toen we nog dood waren en er niets in ons naar Hem vroeg. Hij zocht, Hij maakt levend, Hij kocht ons. En dat alles ‘in Christus’!

2. Gods genadegave. ‘Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God’(Ef. 2: 8). Uit genade. Genade is alles wat we krijgen wat we niet verdienen. Dus alles is genade! Maar genade schittert het meest in het licht van: de dood verdiend en het leven gekregen. Overvloedige genade!

3. Gods herschepping. Ook de heiliging is een genadegeschenk: ‘Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.’(Ef. 2: 10). Genade als eerste en laatste woord.

Op een of andere manier lijkt de gedachte binnen geslopen dat wil de kerk bij-de-tijd zijn niet meer binnen haar samenkomsten voortdurend gesproken moet worden over ‘zonde en genade’. Dat zou een imago van stoffig en ouderwets geven, of ertoe leiden dat soms al heel snel het etiket van ‘hel- en verdoemenisprediking’ geplakt wordt boven de ingang van de kerk. Of zou het kunnen zijn dat we er zo gemakkelijk over spreken en preken dat het woord ‘zonde’ eigenlijk niemand meer alarmeert en we ook niet meer van verwondering opspringen van vreugde bij de inhoud van Gods genade?

De tweestemmigheid van de radicaliteit van zonde en genade heeft een prachtige vertolking gekregen in het lied van zondag 23 HC over de rechtvaardiging uit genade. Als we deze taal niet meer (s)preken in de kerk dan is de kerk geen schuilplaats meer, geen plaats meer waar ons de grond onder de voeten ontzinkt om zo opgevangen te worden in de doorboorde handen van Christus in Wie de Vader Zijn handen uitbreid. De prediking van zonde en genade dient echter wel gestalte te krijgen in het leven van Gods kerk: dan haal je voor niemand je neus meer op en zijn ze allemaal welkom. Genade geeft een ruim hart voor anderen.

Dr. M.J. Kater is universitair hoofddocent (gereformeerde) praktische theologie aan de TUA


 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker