Artikel
2016-02-19
Nader bekeken: Missionaire meetkunde Door J.A. Voorthuijzen

Ik ben dol op getallen. Eerst rekenen en later wiskunde. Het waren mijn favoriete vakken. Het taalgevoel ontwikkelde zich pas later en is wellicht nog steeds onder de maat. Statistieken, grafieken en wiskundige formules waren puur genieten. Hoe complexer hoe mooier.

Reflecterend op de kerk en haar missionaire roeping, begint de rekenkundige of bedrijfseconomische invalshoek mij echter steeds meer tegen te staan. Bewust en onbewust wordt er naar mijn mening veel te veel gerekend in de kerk. En dat is geen steek onder water naar alle hardwerkende penningmeesters die soms zwetend proberen de begroting weer rond te krijgen. Het is ook geen verwijt aan de commissies van beheer die zich in allerlei bochten moeten wringen om bij de kerkenraad gehoor te krijgen voor het dreigende financiële tekort. Daar gaat het mij niet om. Integendeel, ik ben blij en dankbaar dat er broeders en zusters zijn die hun rekenkundige en cijfermatige talenten in willen zetten voor de uitbouw en het onderhoud van Gods kerk. Waar het mij wel om gaat is het feit dat de vraag naar het nut van missionaire activiteiten in en buiten de kerk bijna altijd als vanzelf op tafel komt en daar niet thuishoort.

Wat is het nut?
We kunnen mensen in de buurt wel uitnodigen voor het kinderkerstfeest maar hoeveel kinderen zullen daar nu daadwerkelijk op afkomen? We kunnen de kerk op woensdagmorgen wel openstellen voor buurtbewoners om koffie te komen drinken, maar misschien schenken we minder dan twee potten koffie leeg en moeten we de rest weggooien! Het is wel een leuk idee, maar we hebben het vijf jaar geleden ook al geprobeerd en toen kwam er niemand op af. Heeft het echt wel zin dat we ons hier druk over maken? Zitten de mensen in ons dorp hier nu serieus op te wachten? Dan waren ze toch allang gekomen? Moet dat evangelische groepje gemeenteleden al weer zoveel aandacht krijgen? En moeten onze tradities daar voor wijken? Is er iemand bekeerd in de afgelopen drie jaren?

Andersom rekenen
Wie doordringt tot de kern van het evangelie, zal ontdekken dat het tot het wezen van de kerk behoort dat erin heel anders gerekend wordt dan erbuiten. Levend in een samenleving waar de hele dag gerekend wordt en de prijzen op het internet bepaald worden door het 5 seconden daarvoor gemeten clickgedrag, is het steeds weer een geestelijke omschakeling om in de kerk niet net zo te rekenen als erbuiten. In de samenleving gaat het om het rendement. Als daar de kosten hoger zijn dan de baten beginnen we er gewoonweg niet aan. Maar in de kerk gelden andere rekenregels, gelden andere tafels en andere meetkundige principes!

Delen wordt vermenigvuldigen
In het christelijk geloof wordt delen vermenigvuldigen. Een voorbeeld daarvan lezen we in Mattheüs 14 bij de eerste wonderbare spijziging. Wiskundig gezien kom ik daar de som tegen dat vijf gedeeld door vijfduizend gelijk is aan twaalf. Vijf broodjes in de handen van onze Heiland worden door Hem over vijfduizend mannen, met hun vrouwen en kinderen, verdeeld. Na afloop blijken er twaalf manden met brood over te zijn. Een bijzondere rekensom waar wij met ons verstand niet bij kunnen en die, eerlijk is eerlijk, ook voor de discipelen een openbaring was. In het normale leven ondenkbaar en onvoorstelbaar. In Gods Koninkrijk de realiteit.

De macht van het kleine getal
In onze cultuur geldt de macht van de grote getallen en het grote geld. Zo is bijvoorbeeld onze democratie gebaseerd op de vraag wie de meeste kiezers achter zich weet te krijgen. Wie meer klanten aan zich weet te binden en goede leiding aan zijn onderneming geeft, heeft per definitie een voorsprong op zijn concurrenten. Grotere kerken hebben op de meeste mensen, zeker op het eerste gezicht, meer aantrekkingskracht dan kleinere geloofsgemeenschappen. Met dat in mijn achterhoofd is het confronterend dat het in de a-wiskundige wetten van het koninkrijk niet om het grote maar juist om het kleine getal gaat. In veel van de gelijkenissen van onze Heiland gaat het niet over honderdduizend of nog meer, maar over precies één. In Lukas 15 vertelt de Here Jezus drie gelijkenissen waarin het steeds om het getal één gaat. De eerste gaat over een schaap: "Welk mens onder u die honderd schapen heeft en er één van verliest, verlaat niet de negenennegentig in de woestijn en gaat achter het verlorene aan, totdat hij het vindt? En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol blijdschap op zijn schouders. En als hij thuiskomt, roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tegen hen: Wees blij met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was. Ik zeg u dat er evenzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die de bekering niet nodig hebben.” De tweede gaat over één penning en de derde over één zoon. Zou het feit dat er drie gelijkenissen achter elkaar staan en die over het getal één gaan, iets te maken kunnen hebben met het feit dat de Heiland ons wil leren niet te blijven denken in de grote getallen, omdat dit niet geestelijk is?

De kracht van één
Wie de zendingsreizen van Paulus bestudeert merkt dat het steeds over het werk van een handjevol zendelingen gaat, die veel van hun werk in grote eenzaamheid moeten doen. Door hun arbeid komen er steeds weer éénlingen tot bekering. De massabekering op de eerste Pinksterdag is een uitzondering en is niet de regel in Gods Koninkrijk. Grote veranderingen in Gods kerk zijn ooit ergens begonnen als het gebrekkige werk van een eenling. Dat ook Paulus zich van deze beperking bewust is geweest, lees ik onder meer in zijn eerste brief aan de kerk in Korinthe (hoofdstuk 3: 5-9): "Wie is Paulus dan, en wie is  Apollos, anders dan dienaren, door wie u tot geloof gekomen bent, en dat zoals de Heere aan ieder van hen gegeven heeft? Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God heeft laten groeien. Dus is dan noch hij die plant iets, noch hij die begiet, maar God, Die laat groeien. En hij die plant en hij die begiet, zijn één, maar ieder zal zijn eigen loon ontvangen overeenkomstig zijn eigen inspanning. Want Gods medearbeiders zijn wíj. Gods akker en Gods bouwwerk bent ú.”

De minimale kerk

Feitelijk zijn we in Nederland met onze grote kerkgemeenschappen verwend. Het zou zomaar kunnen dat dit eerder abnormaal dan gewoon is. De eerste gemeente van 3000 of nog meer leden, zoals deze op de Pinksterdag ontstond, heeft niet lang bestaan. Al snel lezen we van de eerste vervolgingen, met de grote apostel als één van de drijvende krachten erachter. Een vervolging die tot verstrooiing leidde en mede daardoor bijdroeg aan de verspreiding van het Evangelie over een groot gebied rondom Jeruzalem. In ons denken kan een kerk geen volwaardige kerk meer zijn als het ledental onder de honderd zakt. Niet overal wordt deze norm gehanteerd, maar ergens zit het wel zo in onze hoofden. Vreemd eigenlijk, omdat onze Here Jezus een heel andere norm hanteert. Ik denk deze als een belofte te lezen in Mattheus 18: 20: "Want waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden. En heel concreet wordt deze vervuld bij de Emmaüsgangers: En zie, twee van hen gingen op diezelfde dag naar een dorp dat zestig stadiën  van Jeruzalem verwijderd was en waarvan de naam Emmaüs was. En zij spraken met elkaar over al deze dingen die gebeurd waren. En het gebeurde, terwijl zij met elkaar spraken en van gedachten wisselden, dat Jezus Zelf bij hen kwam en met hen meeliep.” (Luk. 24: 13-15).

Samenvattend kan ik niet anders concluderen dan dat het in Gods Koninkrijk  vooral gaat om twee kleine getallen: één en twee. Is het met die wetenschap nog wel verantwoord de vraag te stellen wat het nut van onze missionaire activiteiten is en wat het resultaat ervan is? Is het niet beter te stoppen met denken, wikken en wegen en in plaats daarvan morgen oprecht en welgemeend de deuren van ons hart en van onze kerk wagenwijd open te zetten?

 J.A. Voorthuijzen maakt deel uit van de redactie en is ouderling van de kerk van Kampen

 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker