Artikel
2016-03-18
Nader bekeken: ‘Morgen zal het Pasen zijn’ door Miranda Renkema

De titel boven dit artikel is afkomstig van een boekje van ds. A.F. Troost, dat al even geleden verscheen, maar dat ik in deze lijdenstijd nog eens herlas. Het maakte opnieuw indruk op me. Een ‘ommegang’ rond de vraag naar het lijden, op Stille Zaterdag.

Juist in de lijdenstijd is het soms of die vraag naar het lijden ook sterker op je af kan komen. Het lijden in het groot, in de wereld - de oorlogen, het geweld, de angst. Maar ook het lijden in het klein - in persoonlijk verdriet, in ziekte, in eenzaamheid. En het lijden in nog weer wat ander opzicht.  

Deze weken staan in onze kerken ook in het teken van voorbereidingen voor een naderende generale synode. Dat merk je als je in verschillende deputaatschappen zit, aan de druk om de synoderapporten op tijd af te krijgen, en de laatste knopen door te hakken, maar je merkt het ook aan de onrust die zo’n synodejaar altijd wat meebrengt in de onderlinge verhoudingen. De spanning neemt wat toe, de toon wordt wat scherper … en voor wie wat gevoelig is voor toon en broederlijke omgang, en voor wie hart heeft voor de eenheid en roeping van de kerk, zijn het niet altijd de makkelijkste weken.  

Ik werd er nog eens extra bij bepaald toen ik las van het overlijden van ds. G. van den Brink, emerituspredikant van de Nederlands Gereformeerde Kerken en één van de auteurs van het boekje ‘Een kerk ging stuk’. Opgegroeid in een Nederlands Gereformeerde Kerk, onder de prediking van een dienaar van het Woord die gewond was door de gebeurtenissen in de jaren 60 (geschorst op art. 80 K.O, en tot zijn dood toe niet meegemaakt dat die woorden door een kerkelijke vergadering werden teruggenomen), heb ik pas later, o.a. door dit boekje, meer leren begrijpen van de achtergrond van de kerken waarin ik opgroeide: de pijn van het door broeders van hetzelfde Huis buiten het Koninkrijk geplaatst zijn. Daarover werd niet veel gesproken, maar ik heb het altijd gevoeld. Die pijn zit er diep in bij Nederlands Gereformeerden.

Zou het daarom zijn dat ik er gevoelig voor ben, ook nu nog, voor situaties waarin broederlijkheid en eenheid onder druk komen te staan? En dat ik verdrietig word van een antwoord zoals ik laatst las op Refoweb, waarin het bestaan van gesloten kansels in de CGK een ‘begrijpelijke situatie’ genoemd werd, omdat dat nou eenmaal vanouds er bij hoort in onze kerken, en waarin gezegd werd dat een kerkenraad toe te zien heeft op de inhoud van de verkondiging en dat het terecht is dat hij een wijze van prediking die geen recht doet aan bepaalde vereisten niet op de kansel verkondigd wil horen? Of ben ik misschien toch niet zo overgevoelig, maar klopt het écht niet, om in de kerk van Christus bij gebrokenheid en verdeeldheid te zeggen: ach ja, zo is het nu eenmaal, dat zal er altijd wel zijn, wij kennen nou eenmaal ten dele ...?

Goede Vrijdag

Dat is een vraag die des te dringender klinkt nu we in de prediking van deze weken zo stilgezet worden bij het lijdensevangelie. Het lijdensevangelie dat spreekt van onze Here Jezus Christus, Die in de hof van Gethsémané welbewust naar voren trad, precies wetend wat er over Hem zou komen (Joh. 18: 4), en Zich vrijwillig overgaf om de plaats van zijn discipelen in te nemen. Zoals een Herder Zijn schapen beschermt, voor hen instaat, en er tussen springt, tussen hen en het gevaar dat hen bedreigt, uit liefde (Joh. 10: 14,15), zó klonk Zijn antwoord aan de soldaten die Hem kwamen arresteren: ‘Als u dan Mij zoekt, laat dezen dan weggaan’ (Joh. 18: 8). ‘Opdat’, zegt vers 9, ‘het woord vervuld zou worden dat Hij gesproken had: uit hen die U Mij gegeven heb, heb Ik niemand verloren laten gaan’ (vgl. Joh. 17: 12).

Zijn liefde voor de Zijnen ging tot het uiterste. Hij gaf Zijn leven, opdat wij, als wij achter Hem schuilen, veilig zouden zijn. Zoals het Avondmaalsformulier dat zo indrukwekkend zegt: ‘Hij werd gebonden, opdat wij zouden worden bevrijd; Hij werd diep gesmaad opdat wij nooit meer te schande zouden worden; Hij werd onschuldig ter door veroordeeld opdat wij voor uw rechterstoel vrijgesproken zouden worden; Hij heeft aan het kruis de felheid van uw toorn gevoeld en de angst van het geheel door U verlaten zijn opdat wij door U aangenomen en nooit meer door U verlaten zouden worden.’ Maar, als wij Christus dít zien doen, wat is dan onze reactie?

Past ons dan niet een heel erg klein worden? Bij het kruis blijft alleen eerbiedige aanbidding over, stille dankbare verwondering over de pure genade waarvan we mogen leven. Maar dan kan het niet anders, of er komt ook ruimte voor die broeder of zuster die óók leven moet van genade! Hoe dichter bij het kruis, hoe genadiger voor de ander, en hoe meer  onderlinge liefde. Kan je dan volstaan met te zeggen: ach, die verdeeldheid, die is er altijd geweest, en zal er ook altijd wel zijn? Als dit wérkelijk ons hart geraakt heeft, wat is dan onze reactie? Dankbaarheid dóet iets: ‘zou ik aan U, voor zulk een bitter lijden, mijn hart niet wijden?’ En het raakt onze eigen omgang met onze Heer hoe wij omgaan met Zijn kerk, waarvoor Hij in datzelfde Joh. 17 bad om éénheid (vers 21).    

Pasen
En er is nog een reden waarom die vraag indringend op ons af komt. Als we nadenken over waar het naar tóe gaat met de kerk, dan komen we eigenlijk op precies dezelfde lijn uit: dat  in het licht van het offer van Christus al ons eigen gelijk, al onze trots, alles waar wij ons op zouden willen voorstaan verdwijnt, en dat er alleen maar gezamenlijke aanbidding overblijft. In Openbaring 7 lezen we hoe Johannes in zijn visioen een blik in de hemelse troonzaal mag slaan. Hij ziet daar een grote schare die niemand tellen kan, uit alle naties, stammen, volken en talen, staand voor de troon en voor het Lam. Ze hebben witte gewaden aan en palmtakken in de hand en ze eren God, terwijl de engelen, de ouderlingen, en de vier dieren zich neerwerpen voor de troon. Voor Gods troon is er geen verdeeldheid meer, maar gaan alle ambtsdragers op de knieën, voor God en voor het Lam! Maar als het voor Gods troon zó is, hoe zouden wij ons dan nu durven veroorloven om verdeeldheid gewoon te vinden? Zouden wij soms mogen blijven zondigen opdat de genade toeneme?  

Als Johannes vraagt wie het zijn, die mensen in de witte gewaden, dan is het antwoord: ‘Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun gewaden gewassen en ze hebben hun gewaden wit gemaakt in het bloed van het Lam’ (vers 14). Het zijn mensen die het kruis gedragen hebben, die weten dat we door verdrukking heen zalig  worden. Het is de kerk, maar dan verheerlijkt, uitgetild boven zonde en lijden en vervolging, Thuis gebracht door Christus! En dít is wat haar kenmerkt, dít is haar enige identiteit: ‘ze hebben hun gewaden gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam’.      

Stille zaterdag
Zover is het nu nog niet, dat uitgetild zijn boven lijden en verdriet en strijd. Ons leven heeft soms wel wat weg van Stille Zaterdag. Wij leven na Goede Vrijdag, de zonden zijn verzoend. Het is volbracht! Maar het grote Pasen moet nog komen. Van Christus’ macht en overwinning zien we nog niet alles. Wat wordt er nog veel geleden, in de wereld, in ons eigen kleine leven, en ook in de kerk.

Troost besluit zijn ‘rondgang’ om het lijden met de oproep om maar vooral te zwijgen, op Stille Zaterdag. Om niet te snel te denken dat je precies weet hoe het zit met het waarom van het lijden, en om geen grote woorden te gebruiken, maar eenvoudig te leren stil te zijn, en te buigen. ‘Of’, zegt hij dan, ‘zullen we samen nog iets zingen, een Paaslied, bij voorbaat?’ Op Stille Zaterdag tóch alvast zingen, zouden we dat ook als kerk niet doen? In onze woorden, en in onze daden? Immers, morgen zal het Pasen zijn.

Drs. Miranda Renkema-Hoffman is theologe en lid van de redactie van De Wekker


 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker