Artikel
2016-04-29
Waar het Woord is, is een weg door J. van ‘t Spijker

Waar het Woord is, is een weg. Is dat zo, ook missionair gezien? En dan concreet: past onze kerkorde wel bij het missionaire wezen van de kerk?

Principe
In het kader van mijn onderzoek aan de Theologische Universiteit ben ik bijzonder geïnteresseerd in wat ik graag het missionaire hart van de kerk noem. Ik raak er steeds dieper van overtuigd dat kerk en zending onlosmakelijk bij elkaar horen. Omdat de kerk van God is, die – de Bijbel laat dat zien – in heel zijn openbaring steeds weer daarop gericht is dat zijn volk, en dat heel de wereld Hem zal (leren) kennen, erkennen en belijden. Daarom heeft Hij Zich bekendgemaakt. Daarom heeft Hij gesproken, en zijn Zoon gezonden, om het verlorenen te zoeken en te redden (vgl. o.a. Hebr. 1: 1 en Lucas 19: 10). En Jezus zond de zijnen. Op Pinksteren gingen – door de werking van de Geest – de monden open en sindsdien verkondigt de kerk de grote daden van God, die haar uit de duisternis gered heeft om te leven in zijn wonderbaar licht (vgl. o.a. Hand. 2: 4 en 1 Petrus 2: 9). Wie kerk zegt, zegt daarom meteen ook zending. Die twee horen bij elkaar.

Daarbij zeg ik volmondig: dat zijn wij ons als Christelijke Gereformeerde kerken ook bewust. Dat hebben we duidelijk uitgesproken en vastgelegd in onze kerkorde. In artikel 21 staat het helder verwoord: "de kerken zullen zich met de verkondiging van het Evangelie richten tot hen die van het Evangelie vervreemd zijn alsmede tot Israël en de volken die nog niet voor het christelijk geloof zijn gewonnen.” Het staat er, en toen onze kerken erover nadachten wat dat met name voor zending in de eigen omgeving betekende, schreven ze in het eerste artikel van de instructie van deputaten evangelisatie op, dat de kerk "naar eis van Gods Woord” zendingskerk is, waarbij ze eraan toevoegden: "ook in eigen land” (bijlage 18, bij artikel 21 K.O., die in de kerkorde terechtgekomen is in 1947). Dat betekent dat onze kerken beseft hebben dat kerk en zending niet uit elkaar te halen zijn. Als je het over de kerk hebt, heb je het op hetzelfde moment over zending. Ver weg. Maar ook in eigen land!
Daar hebben we dus een zeer wezenlijk principe.

Het principe en de praktijk
Maar nu de praktijk. Want het zendingshart dat vanuit dit principiële spreken vast met het wezen van de kerk verweven is, levert in de praktijk van ons kerkelijk leven af en toe op zijn minst gezegd iets van spanning op. Die spanning heeft verschillende keren te maken met de bepalingen die in onze kerkorde zijn opgenomen. Dat zijn stuk voor stuk bepalingen die vooral gericht zijn op (al langer) bestaande gemeenten. Zo staat het immers in het eerste artikel van de kerkorde: "om in de gemeente van Christus naar de vereiste orde te leven,” zijn daarin de dingen die in de kerkorde verordineerd worden nodig. En dan volgt de opsomming van de vier ‘hoofd’-stukken van de kerkorde: de diensten, de vergaderingen, het opzicht en de tucht. Dat zijn allemaal zaken die op een bepaalde manier het bestaan van een gemeente veronderstellen. Dat is op zich goed, Bijbels verantwoord en daarom noodzaak. Ik zeg er geen verkeerd woord over. Laat dat helder zijn!

Wanneer we evenwel de bestaande hoofdindeling en de daaruit voortvloeiende behandeling van de successievelijke artikelen naast het principiële spreken over de kerk als zendingskerk houden, komt er bij mij een vraag op. Want als de zending – naar eis van Gods Woord – met het diepste wezen van de kerk verbonden is, waarin komt dat dan uit als je let op de verordeningen en bepalingen die in de kerkorde zijn opgenomen, en die vooral op de bestaande gemeenten gericht zijn. Zou de kerkorde niet ook heel duidelijk aandacht moeten geven aan dat wezenlijk missionaire aspect van het kerk-zijn?

Ik realiseer me: verkondiging, pastoraat, catechese, kortom al het werk binnen de kerk heeft ook altijd iets van zending in zich. Het hart van mensen die de Here (nog) niet kennen wordt gezocht. In het kader van dit artikel leg ik nu echter toch wat de klemtoon op het getuigenis van de kerk naar buiten toe. Omdat we als kerk – ook in eigen land – zendingskerk zijn. We hebben dat in 1947 al uitgesproken!

Maar: moeten we daar – kerkordelijk gezien – ook iets mee? Die vraag kunnen we – juist vandaag – niet laten liggen! Lettend op de ontwikkeling van de afgelopen 50 jaar merken we heel duidelijk dat de positie van de kerk compleet anders is geworden. De kerk is naar de rand van de samenleving verdrongen. Geloven is iets voor het privédomein geworden – niet meer voor het publieke gebeuren. Ik zet dat nu in een paar zinnen neer, en er zijn heus nuances aan te brengen, maar dit is wel de situatie. Die samenhangt met en uitvloeisel is van het al maar doorgaande proces van secularisering. In maart werd het laatstgehouden onderzoek ‘God in Nederland’ gepubliceerd, waarbij vastgesteld werd dat 68 procent van Nederland buitenkerkelijk is (NRC, 14 maart 2016). Daarbij werd gekopt dat Nederland nu vooral twijfelt over God.
Wanneer we daarover nadenken, komt dat principiële spreken van de kerkorde waarbij zending met het wezen van de kerk verbonden is in een heel dringend licht te staan. We kunnen er naar mijn stellige overtuiging niet omheen: wij bevinden ons als kerken in onze samenleving in een zendingssituatie.

Van het principe naar de praktijk

Daarom ben ik zo blij dat we dat als kerken al zo’n 70 jaar geleden hebben uitgesproken: dat we ons ervan bewust zijn dat we zendingskerk zijn, met die toevoeging: "ook in eigen land”. Het lijkt me dat we daarmee aan de slag moeten. En ook: kunnen.

Dit nummer van De Wekker draagt als ‘motto’ mee ‘Waar het Woord is, is een weg’. Daar zet ik een dikke streep onder. Want het Woord wijst inderdaad de weg. En het Woord roept op om die weg te gaan. Wij geloven van harte dat God ons als kerken in zijn Woord de weg wijst! Zo willen we kerk zijn. Wij willen luisteren naar Gods Woord. En ons richten naar dat Woord. Dat betekent dat we daarom zoeken zullen naar wat Gods Woord aanreikt, in de situatie waarin de kerk vandaag geroepen wordt gestalte te geven aan haar wezen.
Ook dan zeg ik weer: dat beseffen we als kerken. Dat hebben we beseft toen we in de kerkorde regelingen getroffen hebben om de evangelist een officiële plaats te geven binnen ons kerkelijk leven. Dat hebben we beseft toen we eveneens regelingen getroffen hebben om zendingsgemeenten mogelijk te maken. Het zijn ontwikkelingen waarin wij als kerken in zekere zin voorop hebben gelopen. Ik schrijf het op met iets van dankbaarheid: dat de Here ons die weg gewezen heeft. Dat deze mogelijkheden ontstaan zijn. En dat we er ook zegen op zien! Maar zijn we er daarmee? Hebben we met de aanpassingen die we gepleegd hebben de kerkorde ‘pasklaar’ gemaakt voor de situatie waarin we vandaag de dag kerk hebben te zijn? Naar eis van Gods Woord?

Die vraag leg ik op tafel. En ik ben er niet bang voor dat te doen, omdat ik weet dat we als kerken willen buigen voor het Woord van God. En omdat we juist in elke situatie waar we als kerken voor komen te staan, steeds weer opnieuw naar het Wood van God grijpen. Om te kijken welke weg God wijst …!

Daarbij is – naar mijn besef – de fundamentele vraag of de regelingen die in onze kerkorde getroffen zijn, in de situatie van vandaag, voldoende ruimte bieden aan dat principiële gegeven dat we als kerken hebben uitgesproken, dat zending naar eis van Gods Woord bij het wezenlijke van de kerk hoort?

Het zou goed zijn in dat verband in een hernieuwd doordenken van de diensten van de kerk aandacht te geven aan wat de kerk nodig heeft om in een zendingssituatie ook het getuigen naar buiten toe op een Bijbels-verantwoorde manier te ordenen. Zou het daarbij niet zo kunnen zijn, dat we ontdekken dat juist vanwege die zendingssituatie ook de evangelist – net als de andere diensten die nu al in artikel 2 staan – tot de ‘hoofd’-diensten van de kerk behoort, omdat daardoor het apostolische element van de kerk meer en duidelijker verwerkt wordt? Ik weet het: dé apostelen waren er slechts in het begin. Maar de kerk heeft wel degelijk een apostolisch karakter. Hoe geven we daar gestalte aan?

Het valt niet te ontkennen: onze kerkorde is opgesteld in een tijd waarin heel Europa in zekere zin gold als gekerstend. Nu dat niet meer zo is, en Europa en Nederland (weer) zendingsveld geworden zijn, vraagt het besef dat zending tot het wezen van de kerk behoort, om een serieus studeren op de vragen die in die nieuwe situatie op ons af komen.

We hoeven er daarbij niet bang voor te zijn om met deze vragen naar de Schrift te gaan. Ik ben ervan overtuigd dat ook hierin het Woord de weg wijst. Zodat we ook vandaag – ten volle – kerk kunnen zijn. Naar binnen toe, met alles wat daarvoor nodig is, in prediking, pastoraat, catechese en noem het maar op. Maar ook naar buiten toe. Vormgevend aan het apostolisch karakter van de kerk.
En als dat om extra studie vraagt: daar werk ik graag aan mee.

Drs. J. van ’t Spijker is universitair docent missiologie/evangelistiek en gemeenteopbouw aan de TUA


 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker