Artikel
2016-06-10
Prof. C. Veenhof: over de verbondsbelofte én de persoonlijke doorleving daarvan door Miranda Renkema

In De Wekker van 1 april jl., gaven we aandacht aan de dissertatie van ds. G. van Dijk: ‘Het concrete is het wezenlijke. Het denken van A. Janse van Biggekerke (1890-1960) over Gods verbond met mensen’, Zoetermeer 2014. Ds. J.L. de Jong gaf in zijn recensie aan dat het lezen van deze dissertatie ook voor CGK-leden de moeite waard is, om wat meer grip te krijgen op het denken over het verbond in GKv en NGK.

Rond dezelfde tijd verscheen er nóg een dissertatie die in dat verband waardevol is, namelijk een biografie van prof. C. Veenhof, door dr. Ab van Langevelde: ‘In het klimaat van het absolute. C. Veenhof (1902-1983). Leven en werk’, Barneveld 2015. Veenhof was leerling van Janse, vriend ook, maar de wegen zijn later, ook theologisch gezien, uiteen gegaan. En de invloed van Veenhof op het denken over verbond in Gkv en NGK is misschien nog wel groter geweest, omdat hij als Kamper professor in de ambtelijke vakken vele generaties predikanten in die kerken heeft gevormd.  

Dat gevormd zijn van predikanten is ook mijn persoonlijke vroegste ‘kennismaking’ met deze predikant geweest. Ik herinner mij als kind al de naam van prof. Veenhof, omdat in menig preek, kerkbladartikel, of catechese-uur van de predikant van de gemeente waar ik opgroeide, ds. O. Mooiweer, de zin klonk: ‘zoals mijn geliefde leermeester prof. C. Veenhof zei’ ... en dan volgde er een citaat. In die woorden ‘geliefde leermeester’ klonk daadwerkelijk grote liefde en respect door. En ik begreep later dat die liefde voor Veenhof niet iets was van ds. Mooiweer alléén, maar dat er veel mensen waren die hem liefhadden en door hem bijzonder gevormd waren.

Als je de in memoriams leest die na zijn overlijden verschenen, dan word je getroffen door de liefdevolle toon waarop die geschreven zijn, en de indruk die hij op mensen had achtergelaten. In Opbouw schreef ds. W.G. Rietkerk: "ineens heb ik het beschroomde gevoel afscheid te moeten nemen van een levend en warm en welbegaafd man, die mij lief was en die mij als mijn leermeester in veel oprichten diep heeft beïnvloed en gevormd”.* Ook De Wekker plaatste na zijn sterven een in memoriam, waaruit veel waardering bleek voor deze ‘trouwe dienaar van de Koning der kerk’, en datzelfde gebeurde op heel warme toon in De Waarheidsvriend.  

Onzekerheid in jezelf
Het is eigenlijk wel jammer dat deze predikant zo onbekend is geraakt in onze tijd, zeker omdat de onderwerpen die voor hem belangrijk waren nu niet minder spelen, binnen de kerken van de gereformeerde gezindte, maar ook in de gesprekken tussen hen.  

Het verbond is een thema dat door het leven van Veenhof heen liep. Hij werd in 1902 geboren in een gezin dat kerkelijk hoorde bij de late Afscheiding en geestelijk gestempeld was door de piëtistische vroomheid van de Utrechtse Heuvelrug. Hij wilde al jong predikant worden, maar moest daarvoor de route volgen via kweekschool, onderwijzerschap en staatsexamen gymnasium. Na de kweekschool werd Veenhof onderwijzer in Spakenburg, waar hij, naast zijn baan en inzet voor de gereformeerde jongelings- en mannenvereniging verder studeerde. Hij brandde echter op en in die tijd begonnen de vragen te knagen van de omgeving waarin hij was opgegroeid: zat het met al zijn activiteiten wel echt goed tussen God en hem? En riep God hem wekelijk tot het hoge ambt van predikant?

In 1926 vertrok hij naar Kampen voor de studie aan de Theologische School. Maar al na enkele maanden stortte hij opnieuw in. Het was met name zijn geestelijke strijd die hem opbrak. In die worsteling vond hij een geestelijk vader in A. Janse. Van Janse leerde Veenhof de betekenis van het verbond. De Utrechtse bevindelijkheid met zijn diepgaande psychologische component vormde naar zijn eigen ervaring gevaarlijk drijfzand. De nadruk binnen het verbond moest niet liggen op de mens met zijn gespit in zijn zondige zelf, maar op God en zijn Woord en beloften. Dat gaf vaste grond. God dienen betekende het Woord gehoorzamen in alle dingen van het leven.

Betrouwbaarheid van Gods belofte
Gevormd door mensen als A. Janse, K. Schilder en D.H.Th. Vollenhoven leverde Veenhof als jong predikant een uitvoerige bijdrage aan het theologische debat over ziel en zelfonderzoek. De spanning binnen de gereformeerde kerken spitste zich in de loop van de jaren dertig en veertig toe op de discussie over verbond, doop en wedergeboorte. Kortweg was de vraag: moest de doop gebaseerd worden op de wedergeboorte, iets in de mens, of in de belofte, in wat van buitenaf komt?

Veenhof schreef later, in een artikel in Opbouw uit 1975, hoe hij zelf de vastheid van de verbondsbelofte meer leerde zien. Uit dit artikel, dat destijds ook in De Wekker werd overgenomen, neem ik hier een passage over:
"Toen ik predikant was geworden en voor de eerste keer over de doop moest preken raakte ik danig in de knoop. Zonder daarover veel te hebben nagedacht had ik de traditionele opvatting overgenomen dat men de te dopen kinderen moest houden voor wedergeboren en in Christus geheiligd. Van de theorie der "veronderstelde wedergeboorte” moest ik niet veel hebben, maar de "bejegeningsnorm” — zo noemde men dat later — van het "houden voor wedergeboren”, och ja, die had ook ik, net als de grote massa van de gereformeerden, geaccepteerd.
Maar, zoals ik zei, bij de voorbereiding van mijn eerste "dooppreek” raakte ik vast. De vraag: "wat betekent en verzegelt de doop nu eigenlijk, werkelijk?” kwam met alle kracht op mij af. Verzegelde de doop iets in het te dopen kind? Maar wat dan? De wedergeboorte? Maar niet alle gedoopte kinderen waren wedergeboren! En niet allen zouden het worden! Was er dan tweeërlei doop?
Er werd voorts getheoretiseerd over een "inwendig” en een "uitwendig” verbond. Of over een "inwendige” en een "uitwendige zijde” van het verbond. Maar met die onderscheidingen kon ik ook niet overweg … En het eind van al het ploeteren met deze onderscheidingen was steeds weer de vraag: ”Maar wat betekent en verzegelt die doop nu eigenlijk werkelijk?” "Wat heeft dat kindje dat ik zo juist doopte nu en later, eigenlijk, werkelijk, aan de doop die ik het in de naam van God bediende?”

In deze moeiten ben ik Calvijn gaan bestuderen. Ik herinner me nog levendig dat ik in zijn Institutie op deze zin stuitte: "Dit is de volkomenheid, de ongeschondenheid (de integritas) van het sacrament, welke de gehele wereld niet kan schenden, dat het vlees en bloed van Christus even waarlijk aan de onwaardigen gegeven wordt (ja, dat staat er: gegeven wordt — dari!) als aan Gods uitverkoren gelovigen.”
Deze zin was een openbaring voor mij! Want Calvijn zegt hierin duidelijk dat het overeenkomstig Gods instelling bediend sacrament altijd een echt, vol, waarachtig sacrament is. Of, anders gezegd, dat de inhoud, de kracht, de ernst van het sacrament, als het naar Gods instelling wordt bediend, niet alleen niet afhankelijk is van degene die het bedient, maar ook niet van de gesteldheid van hen aan wie het bediend wordt. Wel is het zo, dat alleen zij die het sacrament gelovig aanvaarden, "gebruiken”, de "waarheid”, de "inhoud” daarvan ontvangen.”  
Woelderinks boek over het Doopformulier (1938) bevestigde hem in wat hij begonnen was te zien: "Het beeld dat ik van de doop onder moeizaam ploeteren had gekregen werd er opeens door verhelderd. Het was of de zon over de werkelijkheid en heerlijkheid van de doop was opgegaan.”2.

De kerkelijke conflicten drongen hem echter tot blijvende studie. Bang dat de spanning tot een breuk zou leiden, vroeg hij als kerkelijk strateeg ruimte voor beide standpunten over verbond en zelfonderzoek, en zocht ondertussen hartstochtelijk naar een goede verwoording van het bezwaarde standpunt. Midden in de oorlog was een keerpunt voor hem de ontdekking van een boekje van Helenius de Cock over het verbond, dat hem weer terugbracht in de denkwereld van de Afscheiding.

Vroomheid en zelfonderzoek

Toen de Vrijmaking in 1944 een feit was, ging Veenhof pas na lang aarzelen mee. Hij was innerlijk verscheurd. Rietkerk: "tijdens één van zijn kollege-uren heeft hij ons verteld hoe het hem iedere zondag zeer deed als hij langs het gebouw van de Gereformeerde Kerk moest lopen om de dienst in de vrijgemaakte kerk te leiden. Hij heeft altijd de broederband gevoeld. Hij heeft altijd de eenheid van de Kerk gezocht. Altijd ook geleden onder een schisma, dat hij als een schisma tussen broeders zag. Even pijnlijk als hij getroffen was door deze breuk, even fel was hij verontwaardigd over het feit dat een Kerk het aangedurfd had om oprechte verkondigers van het evangelie te schorsen en af te zetten … Aan de keus waarvoor Veenhof zich toen gesteld zag, heeft hij zich niet onttrokken. Het verschil tussen hem en vele andere vrijgemaakten was het ontbreken van iedere triumfantelijkheid en de pijn waarmee dit schisma hem achter liet.”

Veenhof waarschuwde direct na zijn vrijmaking al voor zelfvoldaanheid van de beweging van de doorgaande reformatie in vrijgemaakte kring. Als hoogleraar in de ambtelijke vakken aan de nieuwe Theologische School legde hij, mede door zijn studie van de Afgescheiden kerken, vooral het accent op persoonlijke vroomheid en reformatie van het hart. Waar hij in de jaren dertig zeer terughoudend tegenover zelfonderzoek had gestaan, was hij steeds meer van mening dat de vrijgemaakte kerken er niet zonder konden.

Zijn waarschuwingen en positiekeuze in kerkelijke kwesties werden hem niet in dank afgenomen en leidden voor de tweede keer tot een vallen onder de kerkelijke tucht. Na een scheuring in de plaatselijke kerk van Kampen in juni 1967 kwam Veenhof buiten het verband van de vrijgemaakte kerken te staan. Hij kon uiteindelijk wegens gezondheidsredenen de hogeschool met ‘eervol emeritaat’ verlaten, maar een jaar later werd hem als tuchtmaatregel alsnog het adviesrecht in de senaat ontnomen.

Na zijn emeritaat ontwikkelde Veenhof zich tot de ‘geestelijk vader’ van de Nederlands Gereformeerde Kerken. Hij droeg bij aan het denken over kerkverband en kerkorde binnen die kerken, en zette zich, zoals hij als deputaat ook al vóór 1967 had gedaan, sterk in voor contacten met de CGK. Ook zocht hij breed in de gereformeerde gezindte naar samenwerking op grond van Schrift en belijdenis.

Balans
Opmerkelijk is, volgens Van Langevelde, dat Veenhof tijdens de aanloop naar de Vrijmaking de ‘objectieve’ kant van het verbond benadrukte, terwijl hij in de jaren vijftig en zestig meer de ‘subjectieve’ zijde beklemtoonde. Dat hield verband met persoonlijke én kerkelijke ontwikkelingen, maar ik denk ten diepste ook hiermee: dat die twee niet uit elkaar te halen zíjn.  

Rietkerk wijst op de nadruk die Veenhof legde op de persoon van Christus. "Zo waarschuwde Veenhof ons keer op keer voor het wat hij noemde verzakelijken van het heil. Alsof God ons iets aanbiedt, dingen: rechtvaardigheid, vergeving, heiliging.
Hij biedt ons niet iets aan, maar Iemand, in wie wij al deze dingen ontvangen. Dat geldt met name ook voor het verbond. Er werd in die tijd vaak zo onpersoonlijk over "het verbond” gesproken met "zijn beloften en eis” etc. Prof. Veenhof leerde ons de tekst uit Jesaja "Ik de Here heb u (dat is de knecht) gesteld tot een verbond” en hij voegde daar aan toe: Er is eenvoudig weg geen verbond zonder Christus. Christus zelf is het verbond!”

De Schrift was in Veenhofs ogen ‘noch objectief, noch subjectief, maar normatief en effectief’, en hij sprak er over als het krachtige Woord van God, waarin de levende Heer Zelf op ons toetreedt om ons met Zijn liefde te overreden.

Dit spreken heeft invloed gehad. Het is het spreken dat ook ik van toen ik opgroeide herken. Een rust vinden in de vastheid van het verbond: dat God Zelf, nog voor wij ook maar iets kunnen, zegt: ‘Ik ben jullie God’ ... - maar dan ook de noodzaak van een toevlucht zoeken bij Hem, bekeren tot Hem, liefhebben van Hem. En: liefde voor Zijn kerk, en een waarachtig zoeken naar gereformeerde katholiciteit, dat ook lijden aan de kerk kan meebrengen.

Het zijn tonen die ook nu, voor CGK-ers in 2016, niet verkeerd zijn. En die er zelfs misschien wel bij horen, als we nadenken over ‘gereformeerd 2025’.

Drs. M. Renkema-Hoffman is theologe en lid van de redactie
* Opbouw, 11 februari 1983

 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker