Artikel
2016-10-28
Verlangen naar een goede preek Door P.L.D. Visser

Ik verlang zo naar een goede preek… Het is een verzuchting van de bekende theoloog en predikant K.H. Miskotte. Op gevorderde leeftijd ging hij zelf niet meer voor in kerkdiensten, maar na vele jaren van preken had hij niet minder de levende verkondiging van het Woord nodig.

'De prediking van Gods Woord is zelf weer Gods Woord', zegt een Zwitserse reformatorische belijdenis (1566). Dat is doorgaans ook waarvoor een gereformeerd mens naar de kerk gaat en het verklaart de hunkering van Miskotte. Het is alleen niet eenvoudig te zeggen hoe de prediking dan Gods Woord is. Er is toetsing nodig van de verkondiging door ouderlingen en gemeente. In de verkondiging kunnen fouten en dwalingen sluipen. En toch wijst de Schrift de weg van de verkondiging voor de opbouw van het lichaam van Christus.
In deze bijdrage wil ik in (te) kort bestek iets zeggen over 1. verkondiging in de Bijbel, 2. de verhouding Woord-Geest en 3. de verhouding verkondiging-hoorder.

1.Verkondiging in de Bijbel
Je kunt je er over verbazen dat de verkondiging van het Woord het uithoudt in de loop van de eeuwen. Onder het oude Israël waren er de profeten die door de Geest geleid, het Woord van God spraken. De priesters legden de Tora uit aan het volk. Na de ballingschap komen de synagogen op, waar elke sabbat Mozes en de Profeten gelezen worden. En in het Nieuwe Testament klinkt evenzo de verkondiging van Johannes de Doper, van Christus zelf, gevolgd door die van apostelen, profeten en profetessen, evangelisten, herders en leraars.
Dat de verkondiging van het Evangelie doorgaat is te danken aan het werk van God Zélf.
Duidelijk blijkt het verband tussen het werk van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest en de verkondiging in Johannes 20: 21-23:
‘Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Vrede zij u! Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. En nadat Hij dit gezegd had, blies Hij op hen en zei tegen hen: Ontvang de Heilige Geest. Als u iemands zonden vergeeft, worden ze hem vergeven; als u ze hem toerekent, blijven ze hem toegerekend.’
We horen hier dat de Zoon zijn apostelen de wereld inzendt met ‘sleutelmacht’ (HC Zondag 31). Zij zullen het Evangelie verkondigen en daarmee vergeving toezeggen aan wie in Christus gelooft, of het oordeel aanzeggen aan wie ongelovig voortleeft. God zal de hoorders oordelen in overeenstemming met deze verkondiging. Zo zendt Christus zijn apostelen, zoals de Vader Hem eerst zond, en schenkt daarbij de Heilige Geest, die het Woord zijn kracht laat doen in mensenlevens.
Na de apostelen gaat de verkondiging van het Evangelie verder. Zo draagt Paulus Timotheüs op: ‘predik het Woord. Volhard daarin, gelegen of ongelegen. Weerleg, bestraf, vermaan, en dat met alle geduld en onderricht’ (2Tim.4:2). In diezelfde brief aan Timotheüs dringt de apostel aan op de aanstelling van een nieuwe generatie predikers: ‘En wat u van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan trouwe mensen die bekwaam zijn om ook anderen te onderwijzen.’ (2Tim.2:2).

2. Woord en Geest
Het is de Heilige Geest er alles aan gelegen om de bediening van het Woord voort te laten gaan. Woord en Geest staan onlosmakelijk met elkaar in verband. In 2Kor.3:8 gebruikt Paulus de uitdrukking ‘bediening van de Geest’ als hij de verkondiging bedoelt. Preken kan zowel bediening (dienst) van de verzoening heten als bediening van de Geest. En de vrucht op Paulus’ werk (er staat ‘diakonia’, dat is bediening, dienst) herleidt hij in vers 3 tot het werk van de Geest: ‘Het is immers openbaar geworden dat u een brief van Christus bent, door onze bediening opgesteld, geschreven niet met inkt, maar door de Geest van de levende God, niet op stenen tafelen, maar op tafelen van vlees, van de harten.’
Talloze voorbeelden zijn er in de Schrift te vinden waar de Heilige Geest ‘meekomt’ in de verkondiging van het Woord. Of het nu gaat om de bekering van Lydia, Cornelius of de 3.000 van de 1e Pinksterdag – waar het Evangelie klinkt, is de Heilige Geest in de nabijheid. Hij opent en doorboort harten. Hij ontmaskert, vertroost, ontdekt aan zonde en verbindt aan Christus. Hij werkt geloof, hoop en liefde, schenkt Geestesgaven (1Kor.12:4-11) en geloofsvrucht (Gal.5:22).
De verhouding van Woord en Geest blijft een mysterie. Christus vergeleek het werk van de Geest al met de wind die waarneembaar maar niet te volgen is (Joh.3:8). De Geest is vrij in Zijn Goddelijke gang. Niet állen komen tot geloof als Paulus op de Areopagus tot de mensen in Athene preekt, slechts enkelen. De Geest werkt dan ook niet ‘automatisch’ onder de verkondiging van het Woord. Daarom bidden we ook eerbiedig in de eredienst of de Geest mee wil komen in de bediening van het Woord. Hóe de Geest ook precies werkt, het is zoals B. Wentsel schrijft in zijn dogmatiek, dat de Geest vóór, door, onder, rondom en na het Woord werkt, maar nooit zonder aansluiting op en relatie tot het Woord.*)

Niet los
Dat is nodig om te onderstrepen. Elders in deze Wekker komt aan de orde dat het van belang is om het werk van de Geest niet los te maken van het Woord. Telkens zijn er in de kerkgeschiedenis bewegingen geweest die daarmee experimenteerden. Het gevaar daarbij is dat mensen zich beroepen op openbaringen van de Geest, zonder dat die gefundeerd zijn in het Woord.
Profeten in het Oude Testament konden zich beroepen op het ‘zo spreekt de HEERE’, zij ontvingen de inspiratie van de Heilige Geest en werden zó door Hem geleid in het doorgeven van Gods woorden. Wij leven daarentegen in de dagen waarvan de schrijver van Hebreeën zegt: ‘Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon’ (1:1). Daarmee zijn we in de beslissende, laatste fase van de heilsgeschiedenis gekomen. Nu God door Zijn Zoon gesproken heeft, in Zijn leven, werken, sterven en opstanding, nu mogen we het houden bij het apostolisch getuigenis aangaande deze Zoon.
Dat spreken van God door de Zoon heeft ook gevolgen voor de profetie. In het Oude Testament had de profeet veelal een eenzame post te bekleden, vaak tegenover volk, koningschap en priesterschap. Hij moest tegen de klippen op het ‘alzo spreekt de HEERE’ proclameren. In het Nieuwe Testament ligt het anders. De gemeenteprofeet wordt daar nadrukkelijk getoetst en gecorrigeerd: ‘Als iemand denkt dat hij een profeet is of een geestelijk mens, laat hij dan erkennen dat wat ik u schrijf geboden van de Heere zijn.’ (1Kor.14:37) Profeten zullen niet optreden als solisten die willekeurig een beroep kunnen doen op leiding van de Geest en daarmee hun eigen gang kunnen gaan. Nee, zij dienen te spreken tot opbouw van de gemeente, moeten hun bijdrage beperken als er meerdere sprekers zijn, zullen niet wanordelijk door elkaar spreken en hun profetie onderwerpen aan de beoordeling van anderen (v.26-33). De Nieuw-Testamentische profetie wordt zo ingekaderd en ingezet tot opbouw van de gemeente.

3.Verkondiging en hoorder
De afhankelijkheid van het werk van de Geest, zoals die hierboven blijkt, schakelt de prediker echter niet uit maar in. 1Kor.3:9 spreekt van ‘Gods medearbeiders’ als het over de verkondiging door Paulus, Petrus en Apollos gaat. Paulus heeft met veel inzet vorm gegeven aan dat ‘mede arbeiden’. Zo oriënteert hij zich in Athene en maakt hij kennis met het altaar voor een ‘onbekende god’ (Hand.17:23), debatteert met vertegenwoordigers van filosofische richtingen (v18), blijkt de heidense schrijvers te kennen en weet ze te gebruiken in zijn preek (v28). Hij gaat dus in op de cultuur in Athene op een manier waarbij hij zoveel mogelijk ingang zoekt bij zijn hoorders.
Deze fijngevoelige afstemming op de wereld van de hoorders, hetzij Joods, hetzij Grieks, wil de Heilige Geest kennelijk gebruiken. Dat is ook precies de reden waarom we in de kerken niet zonder meer in de leesdienst preken van, zeg, Augustinus, Chrysostomus of Tertullianus gebruiken. Het is nodig om de dingen ánders te zeggen om inhoudelijk hetzelfde te kunnen zeggen. Het gaat om de levende verkondiging van het aloude Evangelie in het nu van de hoorders.
De prediker moet daarom de sensitiviteit ontwikkelen om waar te nemen waar zijn hoorders ‘zitten’. Dat maakt ook dat preken in verschillende situaties ook anders klinken. Een preek over Jozef die in Egypte voor volle korenschuren zorgt, zal in een situatie van hongersnood anders klinken dan in een welvarende gemeente in West-Europa waar de hoorders zitten met de vraag ‘mag ik een kind van God zijn?’ En een preek in de randstad waar het Evangelie als volstrekt irrelevant wordt beschouwt, en Christenen nauwelijks het geloof behouden, zal over dezelfde geschiedenis weer heel anders uitpakken.
In de eerste situatie zal de verkondiging bijvoorbeeld gaan over Gods macht om zelfs uitkomst te geven in de grootste zorg om lijfsbehoud. De tweede preek zal wellicht de lijn doortrekken naar Christus die als het ‘hemelse brood’ méér geeft dan Jozef ooit kon geven aan Israël. In de derde situatie zal de predikant bijvoorbeeld sterk benadrukken dat zoals God toén met het heidense Egypte bezig was, Hij ook nú niet buiten de geseculariseerde cultuur staat, maar op ontelbare manieren handelt aan en in die cultuur.

Ant-woord
Er is veel ambachtelijks in het preekwerk. Grammatica, exegese, heilshistorie, canoniek, homiletiek – in ‘Apeldoorn’ wordt het allemaal onderwezen. En ja, het is eerst en vooral nodig om de Schrift zorgvuldig te verklaren. Maar het is voor een 'goede preek' evenzeer nodig om de cultuur, de context, de situatie van de hoorders te 'lezen' en te verwerken. Het Woord van God moet ook als ant-woord gaan klinken in het leven van ons hoorders zodat we merken: dit gaat over míj, dit betreft óns.
Ik heb de indruk dat er voor ons predikers (dus met insluiting van mijzelf) op dit punt veel werk te doen is: dat we ons tekens weer afvragen wat de tekst die we voor de preek bestuderen te betekenen heeft voor de automonteur, de studente sociologie, de verstandelijk beperkte en het kind dat onder ons gehoor zit. Om het wat onparlementair te zeggen: waarvoor moeten al die mensen op zondagochtend toch vooral hun bed uitkomen en zich onder het gehoor van Gods Woord zetten? Hoe grijpt dit Woord in op hun leven?
Een predikant uit Amsterdam zei onlangs op een conferentie: het lijkt wel of het geloof langzaam uit mijn gemeenteleden wordt geknepen, als water uit een dweil. Het leven in een cultuur waarin de irrelevantie van Gods Woord een vooronderstelling is die zo voor de hand ligt, dat die niet eens meer uitgesproken hoeft te worden, eist zijn tol. Meer dan mij lief is, zie ik voorbeelden van mensen – niet alleen jongeren, maar óók ouderen - die zich jarenlang inzetten voor het koninkrijk van God, maar dan, plotseling, afhaken en alles verwerpen wat hen dierbaar heette te zijn.
In de verkondiging moeten we ingaan op dit sluipende proces, deze vergiftiging van de geestelijke atmosfeer in het Westen. Met dit verstikkende culturele klimaat tobde Miskotte, met wie ik dit stuk begon. Hij herkende akelig veel van zichzelf in de moderne mens van zijn tijd. En hij had ‘goede preken’ nodig om geestelijk niet ten onder te gaan.
Ingaan op onze culturele situatie vereist een bepaald lezen van de Schrift. Een lezen en preken met het oog op de situatie van ons, hoorders. En daar is de leiding van de Geest voor nodig. Hij leidt 'in alle waarheid' om het profetische Woord van God toe te passen in een weerbarstige werkelijkheid. Maar dat Woord blijkt dan ook levend en krachtig te zijn, midden in ons hier en nu.


Drs. P.L.D. Visser is hoofdredacteur












1 B. Wentsel, Dogmatiek, deel 4a, Kampen, 1995, p.315.

 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker