Artikel
2016-11-11
Woordwerk: Wedergeboren tot een levende hoop door Miranda Renkema

Eind oktober kwam in Nederland een nieuw album uit van de 82-jarige zanger-dichter Leonard Cohen. Op het album komen thema’s terug die in het hele oeuvre van de van oorsprong Joodse Cohen een rol spelen, zoals de zoektocht naar God, en de liefde als metafoor voor het geloofsleven. Maar er is een verschil met eerder werk: in alles is te horen hoe de oude zanger de strijd heeft opgegeven.

Moegestreden geeft Cohen het toe dat de werkelijkheid donkerder is, en cynischer dan hij zou willen, en vermoeid legt hij het bijltje er bij neer. Hij berust erin dat het niet lukt, een liefdesverbond tussen God en mens, en dat het blijft bij de teleurstellingen die je opdeed en de fouten die je maakte. Hij verwijst daarbij naar de slang uit het paradijs, van wie het gif binnengedrongen is tot diep onder onze huid, daar komen wij mensen niet meer van los.

Moe, zonder hoop, en overgelaten aan je eigen schuld ... het raakte me om dat zo scherp getekend te zien; dat is inderdaad precies hoe wij er voor staan, als mensen na de zondeval. En het raakte ook om dat zo getekend te zien door iemand die, dat proef je tussen de regels door, eigenlijk zou willen dat het anders kon: ‘I wish there was a treaty we could sign, I wish there was a treaty between your love and mine’.  

Wat is het Evangelie dan toch overweldigend dichtbij en actueel ... het Evangelie dat zegt dat God dát nou juist deed: een liefdesverbond sluiten! En dat er voor mensen die vergiftigd zijn door de zonde wél hoop is, en mogelijkheid tot vernieuwing en herstel. Want dat zijn de dingen die meeklinken in dat woord ‘wedergeboorte’, waarnaar we in dit blad wat dieper kijken.

Innerlijke vernieuwing
Artikel 24 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat het ware geloof iemand ‘doet wedergeboren worden en maakt tot een nieuw mens; het doet hem leven in een nieuw leven en bevrijdt hem van de slavernij der zonde’. Wedergeboorte heeft inderdaad alles te maken met Genesis 1-3. Het gaat er om dat de mens, geschapen naar Gods beeld, maar door de zondeval zo radicaal geschonden in dat beelddrager zijn van God, als gave van het heil in Christus door de Geest vernieuwd mag worden, waarbij dat beeld van God mag worden hersteld.

Het woord ‘wedergeboorte’ komt niet zo veel voor in de Bijbel. In Titus 3: 5 zegt Paulus dat God ons ‘heeft gered door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de Heilige Geest’. Het meest bekend is waarschijnlijk Johannes 3, waar de Here Jezus zegt dat iemand het Koninkrijk van God niet kan zien tenzij hij wederom geboren wordt, en niet kan binnengaan tenzij hij geboren wordt uit water en Geest (vers 3, 5). In het gesprek blijkt dat die nieuwe geboorte tot stand komt door het geloof in Jezus als de eniggeboren Zoon van God, in de wereld gezonden tot haar behoud (vgl. 3: 12, 15-18). En in 1 Petrus 1: 23 wordt het woord van God genoemd als middel van de wedergeboorte.


Maar inhoudelijk kom je het op meer plaatsen tegen, ook al worden er andere woorden gebruikt. Zo spreken Joh. 1: 13 en 1 Joh. 3: 9 over een ‘uit God geboren zijn’, en vind je het in uitdrukkingen als: ‘mede levend gemaakt met Christus’ (Ef. 2: 5), ‘aandoen van de nieuwe mens’ (Ef. 4: 23), ‘hervormd worden door de vernieuwing van uw denken’ (Rom. 12: 2) en ‘van dag tot dag vernieuwd worden van onze innerlijke mens’ (2 Kor. 4: 16). En dit is te horen tegen de achtergrond van wat in het Oude Testament klinkt in de belofte van het nieuwe verbond, waarbij de wet in het hart geschreven wordt (Jer. 31: 31-34), en een nieuwe geest in het binnenste wordt gegeven (Ezech. 36: 25-28).

Dat verbond waar Cohen naar op zoek is, dat ís door God gesloten. Hij rustte niet toen het contact met ons mensen stukging, maar zette een plan van redding in. Hij sloot een liefdesverbond, met mensen die dat verbond keer op keer verbraken - en Hij gaf Zijn eigen Zoon, als Hogepriester die door Zijn bloed een níeuw verbond van kracht liet worden: een verbond dat rust op verzoening, voor eens en altijd genoeg om vrij tot de Vader te mogen naderen, voor ieder die op Hem vertrouwt.   

Uit de teksten hierboven blijkt dat de wedergeboorte hoort bij het heil in Christus, dat het vrucht is van de Heilige Geest en dat het gewerkt wordt door het Woord. Het ziet op de totale innerlijke vernieuwing van ons mens-zijn voor God. Het gaat om de vernieuwing van ons hart door Gods Geest, die als gave van Christus ons geschonken wordt. En het ziet op het begin daarvan, maar beperkt zich niet tot dat eerste moment, het nieuwe leven openbaart zich ook daarna als vrucht van de wedergeboorte.

Doorwerking van Gods genadige vrijspraak
De Heilige Geest speelt immers niet alleen een rol bij het begin van het nieuwe leven, maar ook bij de voortgang daarvan. Calvijn betrok het woord ‘wedergeboorte’ daarom nadrukkelijk op heel het leven. Hij gebruikte het voor de gestadige doorwerking van Gods genadige vrijspraak in het concrete dagelijkse leven. Het kán niet anders, of de reactie op Gods gave van verzoening brengt als vanzelf vruchten van dankbaarheid voort, die uitkomen in concrete levensvernieuwing.

Dat is ook hoe artikel 24 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis er over spreekt, als het daar gaat over het rechtvaardigend geloof dat mensen allerminst onverschillig maakt voor een vroom en heilig leven, en dat het onmogelijk is dat dit heilig geloof in de mens niets zou uitwerken. ‘Wij spreken immers niet van een onvruchtbaar geloof, maar van een geloof, waarvan de Schrift zegt, dat het door de liefde werkt (Gal. 5: 6)’. Geloof, wedergeboorte en vruchten van vernieuwing horen bij elkaar.  

In de Dordtse Leerregels komen we het begrip wedergeboorte tegen als begin van het nieuwe leven (III/IV, artikel 11 en 12). Toch staan deze twee lijnen niet helemaal tegenover elkaar, want als je doorleest in artikel 13, dan zie je dat ook daar het nieuwe leven wel een toespitsing krijgt: de vrucht van de wedergeboorte is het liefhebben van Christus. Beide lijnen zien de wedergeboorte als geschenk van Gods genade en vrucht van de Heilige Geest.  

Gemeenschap met Christus
Dat het gerechtvaardigd zijn in Christus, en de vernieuwing en heiliging van ons leven dicht bij elkaar horen, blijkt ook uit teksten die spreken over het deel hebben aan Christus, de gemeenschap met Hem. Zo zegt Paulus in 1 Kor. 1: 9: ‘God is getrouw, door wie u geroepen bent tot gemeenschap met zijn Zoon, Jezus Christus’. En Johannes doelt op die zelfde gemeenschap, als hij Jezus’ woorden doorgeeft over de wijnstok en de ranken: ‘blijft in Mij, gelijk Ik in u. Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien Gij in Mij niet blijft.’ (Joh. 15: 4).

Als wij deel krijgen aan de gemeenschap met Christus, worden we door de Geest aangenomen tot broers en zussen van Jezus en tot kinderen van God. We delen dan ook in alles wat Christus heeft en ontvangt (Rom. 8: 14-17). En daarbij lukt het niet goed om te denken in termen van wat eerst en wat later komt. Het geloof waarmee de gerechtigheid van Christus aangenomen wordt, maakt ons één met Christus. De gemeenschap met Christus valt dus samen met de rechtvaardiging door het geloof. Zij leidt echter meteen ook tot een daadwerkelijke vernieuwing van het leven, die zich daarna hoe langer hoe meer doorzet.

Lofprijzing
Er is in de geschiedenis van de kerk heel wat nagedacht over de verhouding van vergeving en vernieuwing, en hoe het zit met de orde van het heil. Het gevaar van dat heel precies in kaart willen brengen, is dat we scheidingen gaan aanbrengen die in de Bijbel zo niet voorkomen. De vraag is ook of we zo recht doen aan de bedoeling van de teksten die over Gods heilshandelen spreken.  

Een bekende tekst in dit verband is Rom. 8: 29-30. Dit gedeelte staat bekend als ‘gouden ketting’: de daden van God die daar genoemd worden zijn als in elkaar grijpende schakels in een keten van heil. En in dit gedeelte is inderdaad een bepaalde orde te ontdekken in de daden waarmee God de zijnen opneemt in de gemeenschap met zijn Zoon. Het gaat over gekend en voorbestemd zijn, roeping, rechtvaardiging en verheerlijking. Maar in andere teksten worden weer andere begrippen gebruikt, en het is lastig die teksten aan elkaar te verbinden.

Het is dan ook de vraag of het in deze teksten om een vaste volgorde gaat. Als we andere teksten waarin ook dergelijke reeksen genoemd worden, zoals 1 Kor. 1: 30 en 1 Kor. 6: 11, naast Romeinen 8 leggen, dan wordt in het ene geval de rechtvaardiging voorafgaand aan de heiliging genoemd, en in het andere daaropvolgend, zodat het moeilijk is om rechtstreeks een vaste orde uit de teksten af te leiden. De diverse schakels volgen elkaar ook niet zo op, dat de ene schakel de volgende veroorzaakt, want van elke schakel geldt dat Gód die geeft.


Het helpt om te zien dat deze teksten, waarin opgenoemd wordt wat God in de realisering van het heil doet, een bepaald karakter hebben. Ze geven geen systematische indeling van de diverse stappen die God zet, of die de gelovige doormaakt, maar ze bedoelen Gods lof te zingen! Ze willen Hem prijzen voor alles waarmee Hij ons opneemt in zijn gemeenschap. Er is sprake van onderscheiding en een zekere orde, maar die kan niet al te strak afgebakend worden, en dat hoeft ook niet, om God te kunnen danken. Zoals zo mooi in de Dordtse Leerregels blijkt, als artikel 12 eindigt met de belijdenis dat de mens door de genade die hij ontvangen heeft gelooft en zich bekeert, en er dan in artikel 13 op volgt: ‘Hoe dat in zijn werk gaat kunnen de gelovigen in dit leven niet volkomen begrijpen. Intussen vinden zij hun rust hierin dat zij weten en ervaren door deze genade Gods van harte te geloven en hun Heiland lief te hebben’.

Verwondering

Ons antwoord op Gods genadige vrijspraak kan niet anders zijn dan dankbare verwondering. Verwondering die stem krijgt in getuigenis en loflied, en gestalte krijgt in houding en daad. In alle nederigheid en onvolkomenheid. Want het getuigenis stuit in deze wereld nog op weerstand, en de lofzang wordt hier nog onderbroken door zuchten. Om nog even terug te komen op Lenoard Cohen, hij protesteerde eerder tegen ‘born-again-christians’ die het allemaal wel erg goed weten, en erg goed kunnen, en doen alsof het hier op aarde al hemel is; hij schreef dat het ‘halleluja’ hier niet zo triomfantelijk gezongen kan worden, omdat er veel te veel stuk is...:  ‘it’s a cold and it ‘s a broken halleluja’.  

De lofzang klinkt inderdaad nog gebroken en de nieuwe gehoorzaamheid wordt nog doorkruist door zonde. We hebben dagelijks gebed om vergeving nodig. ‘Zo dringt ons de gebroken gestalte van de heiliging tot Gods rechtvaardiging heen. De heiliging teert op de rechtvaardiging (O. Noordmans)’*. Maar tegelijk is evenzeer waar dat de Heilige Geest herscheppend bezig is in Gods kinderen, en dat dat leidt tot daadwerkelijke vernieuwing. Hoe klein en aangevochten dit nieuwe leven voorlopig ook blijft, de vruchten die de Geest aan de ranken laat groeien zijn goed, en we mogen met Paulus zeggen: niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij.   

En zo kom ik terug bij de tekst boven dit artikel: 1 Petrus 1: 3. Een lofzang - om mee te zingen, al is het met gebroken stem - op de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons naar zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop, tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen is weggelegd voor ons, die in de kracht Gods bewaard worden door het geloof tot de zaligheid, welke gereed ligt om geopenbaard te worden in de laatste tijd. Halleluja!  

Mevr. drs. M. Renkema-Hoffman is theologe en lid van de redactie

- - -

  *Gegrond geloof, kernpunten uit de geloofsleer, blz. 344



 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker