Artikel
2017-01-20
Woordwerk: De Bijbel over kringen: huisgodsdienst in Handelingen door Arco den Heijer

Veel gemeenten bezinnen zich op de plaats van wijkkringen in de gemeente. Een Bijbelkring of vrouwenvereniging is niet langer meer een hobby voor erbij: op veel plaatsen proberen kerkenraden en commissies voor gemeenteopbouw de kring - liefst gekoppeld aan een wijkindeling - tot kernelement van de structuur van de gemeente te maken. Zegt de Bijbel daar nog iets over?  

Niet in directe zin, natuurlijk. Het woord ‘kring´ in deze betekenis komt in de Bijbel niet voor. Maar er valt wel iets te zeggen over samenkomsten van kleine groepen en van grote groepen christenen, en over de verhouding tussen eredienst en huisgodsdienst. In dit artikel wil ik daar iets over zeggen vanuit het Bijbelboek Handelingen, voortbouwend op de masterscriptie over dit thema waarmee ik in juni 2016 ben afgestudeerd aan de TUA. Ik begin met een voorbeeld: de bijeenkomst in Troas, waar Eutychus uit het raam valt. Dat voorbeeld duid ik binnen het geheel van Handelingen. Vervolgens trek ik enkele lijnen naar vandaag.

Eten met Paulus in Troas
Sommige exegeten zien de bijeenkomst in Troas die in Handelingen 20: 7-13 beschreven staat als een soort modelkerkdienst van de vroegchristelijke gemeenten: op zondag, met een preek en een avondmaal. Daar valt wel iets op af te dingen. De samenkomst valt wel op zondag, maar er staat niet dat de gemeente in Troas iedere week zo’n bijeenkomst heeft. Er staat ook niet eens dat heel de gemeente op deze zondagavond samenkomt. Laten we kijken wat er wel staat.

Volgens vers zes is Paulus en zijn reisgezelschap - inclusief Lucas zelf - zeven dagen in Troas geweest. Hij verblijft dan bij één van de leerlingen in Troas, misschien bij Carpus, bij wie hij volgens 2 Timotheüs 4: 13 eens zijn mantel liet liggen. Al die avonden zal Paulus bij hem gegeten hebben, en als geëerde rabbi te gast zal hij naar goed Joods gebruik de maaltijd geopend hebben door dank te zeggen, het brood te breken, en het rond te delen. Vers zeven begint vervolgens met "en op de eerste dag van de week, toen wij [volgens alle oude handschriften; een aantal handschriften vanaf de negende eeuw leest "de discipelen”] bijeengekomen waren om brood te breken, sprak Paulus hen toe, omdat hij de volgende dag wilde vertrekken.” Op zondagavond zijn Paulus, Lucas en andere medereizigers opnieuw bijeen om brood te breken, en op deze avond zijn er ook andere discipelen uit Troas aanwezig (waar ‘hen’ precies naar verwijst, blijft in de tekst wat onhelder) om Paulus te horen: niet omdat het zondag is, maar omdat Paulus de volgende dag wil vertrekken. Het is een afscheidsbijeenkomst rond een maaltijd.

Paulus spreekt tot middernacht tot hen: hij heeft een voorgevoel dat hij deze leerlingen misschien niet meer terug zal zien. Verderop in Handelingen 20 vinden we een voorbeeld van zo’n afscheidsrede (Handelingen 20: 18-35). Tijdens Paulus’ lange rede valt Eutychus uit het venster van de tweede verdieping (derde woonlaag) naar beneden. Dat geeft ons meteen een aanwijzing voor het soort ruimte waarin we ons deze samenkomst voor moeten stellen: woningruimte op een tweede verdieping was er in de oudheid alleen in de vorm van insulae, flats met winkeltjes op straatniveau en appartementen daarboven, tot drie à vier etages. Over het algemeen gold: hoe hoger, hoe gammeler en krapper. Geen zaal vol kerkgangers dus, maar qua omvang eerder een knusse studentenkamer.  
      
Samenkomst als huisgodsdienst
Een samenkomst van leerlingen rond een maaltijd: het geldt in het boek Handelingen als huisgodsdienst. Over de leerlingen in Jeruzalem schrijft Lucas, "en zij bleven dagelijks eensgezind in de tempel bijeenkomen, en terwijl zij van huis tot huis brood braken, namen zij gezamenlijk voedsel tot zich, met vreugde en in eenvoud van hart; en zij loofden God en vonden genade bij heel het volk” (Handelingen 2: 46-47). Dat is veelzeggend: de eigenlijke eredienst, waarin heel het volk bijeen is om op vaste tijden God te aanbidden, vindt plaats bij het opstijgen van de geuren van het reukofferaltaar, in de tempel van Jeruzalem. Jezus’ Joodse volgelingen nemen hier geen afstand van, maar blijven eraan deelnemen.

De eredienst in de tempel was echter voor de vrome Jood ingebed in een heilig leven van alledag. De oudtestamentische profeten hadden fel geprotesteerd tegen het loskoppelen van die twee: God taant niet naar offers wanneer er geen gerechtigheid is voor arme, weduwe en wees, en vreemdelingen (bijv. Jesaja 1: 10-17). In het licht van die heiliging van heel het leven plaatst Lucas ook de samenkomsten van christenen. Als beweging binnen het Jodendom komen Jezus’ volgelingen in eerste instantie dagelijks samen rond de huiselijke maaltijd (Handelingen 2: 41-47; 5: 42). Zo staan de samenkomsten in het teken van het versterken van de gemeenschap, het ontvangen van onderwijs van de apostelen, en het delen van voedsel met de armen (Handelingen 6: 1-7). De dankzegging over en het breken van het brood opent de maaltijd en verbindt de eettafel in huis met de heiligheid van de tempel, waar God rond de tafel der toonbroden zijn volk wilde ontmoeten. En waar aan tafel gesproken werd over de Tora, stelt een oude rabbijnse overlevering, "het is alsof zij aten van de tafel van de Eeuwige, gezegend is Hij, zoals geschreven is, ‘En hij zei tot mij: Dit is de tafel die voor het aangezicht van de HERE is’ (Ezechiël 31: 22)” (Mishna Avot 3: 3). De christelijke gemeente sprak aan tafel over de Tora: hoe Wet en Profeten getuigden van Christus. En zoals tijdens Jezus’ leven op aarde Jezus met zijn leerlingen het brood brak en de dankzegging uitsprak bij hun dagelijkse maaltijden, zo bleven de leerlingen dat doen na zijn dood, ‘om Hem te gedenken’ (Lucas 22: 19), in de wetenschap dat Hij leefde en met zijn Geest aanwezig was.

Samenkomsten klein en groot in Handelingen

De samenkomsten rond de maaltijd vonden plaats in relatief kleine kring en konden geen ruimte bieden aan de gehele plaatselijke gemeente. In Handelingen wordt over meerdere huizen in Jeruzalem verteld: het huis van Maria, de moeder van Johannes Marcus, waar Petrus na zijn bevrijding uit de gevangenis ‘velen’ aantreft (12: 12) – misschien zo’n 15 tot 50 personen bijeen in het triclinium, de eetkamer aan de open binnenplaats. Dat was niet de hele gemeente in Jeruzalem: uit Handelingen 12: 17 blijkt dat ‘Jacobus en de broeders’ niet aanwezig waren: die waren misschien in het huis van Jacobus aan het bidden (vgl. Handelingen 21: 18). Het appartement in Troas waar Paulus de aanwezige leerlingen toesprak was waarschijnlijk nog kleiner.

Kwamen de gemeenten dan nooit als geheel samen? Toch wel. Handelingen vermeldt een paar keer nadrukkelijk dat heel de gemeente samengeroepen wordt (6: 2; 14: 27; 15: 30; tekstkritisch onzeker is 21: 22). Dat zo’n samenkomst speciaal bijeengeroepen moet worden door de apostelen, wijst erop dat de gehele plaatselijke gemeente niet met een vaste regelmaat bijeenkwam. Wanneer men wel allemaal samenkwam, was dat voor een speciale reden: de aanstelling van zeven mannen om de tafels te bedienen (in Jeruzalem), een verslag van Paulus’ zendingsreis of het voorlezen van een brief uit Jeruzalem (in Antiochië). Over een maaltijd wordt in dit verband niet gesproken. Een plaats van samenkomst wordt ook niet genoemd; in een woonhuis van een gemeentelid zal het niet gepast hebben. Voor de gemeente in Jeruzalem kunnen we denken aan de zuilengang van Salomo in de tempel (Handelingen 3: 11; 5: 12). In Antiochië kunnen we misschien denken aan een open plek aan de oever van de Orontes, of aan een gehuurde schuur.

Ontwikkelingen na de verwoesting van de tempel

Wie de gegevens uit Handelingen tot zich door laat dringen, merkt hoe groot het verschil is tussen samenkomsten toen en samenkomsten vandaag. Moeten we terug naar de situatie van de kerk in de tijd van Handelingen? Veel bij elkaar komen in wijkkringen en daarnaast maar incidenteel een kerkdienst voor heel de gemeente beleggen? Wat is in het licht van Handelingen de juiste plaats en de juiste vorm voor een sacrament als het Heilig Avondmaal, dat oorspronkelijk onlosmakelijk verbonden was met een ‘echte’ maaltijd? De gegevens uit Handelingen moeten ons in ieder geval voorzichtig maken om onze vorm van kerk-zijn als de enige juiste te beschouwen. Maar ik denk niet dat we onze huidige vormen van kerk-zijn allemaal om moeten vormen naar het model van Handelingen. Alleen al omdat de verhouding tot het Jodendom in de loop van de geschiedenis anders is geworden. Na de verwoesting van de tempel in 70 na Christus hebben Jodendom en christendom beide een grote ontwikkeling doorgemaakt. In het rabbijnse Jodendom is de bijeenkomst op sabbat steeds meer een echte eredienst geworden, in het vroege Christendom is dat gebeurd met de zondagse misliturgie waarin de christelijke gemeente zich verbonden wist met de eredienst van de engelen in de hemel. Daarmee is de zondagse eredienst tot onmisbaar brandpunt van ons gemeenteleven geworden, die in veel opzichten de rol van de tempel als plaats van aanbidding en lofprijzing heeft overgenomen (al zouden we de pijn om het gemis van de tempel wel meer mogen voelen).

Samenkomen in kleine groepen vandaag

We kunnen dus niet meer terug naar de situatie van de kerk in Handelingen, ook al zouden we dat willen. We kunnen wel kijken wat de kracht was van de structuur van het gemeenteleven in Handelingen en nagaan hoe we daar in onze eigen context van kunnen leren. Dat is een proces wat elke gemeente voor zichzelf moet doormaken: elke gemeente is verschillend, zodat een blauwdruk voor gezond gereformeerd gemeente-zijn in Nederland niet gegeven kan worden. Maar één richting valt volgens mij wel aan te wijzen. Handelingen maakt duidelijk hoezeer de Geest werkt in kleine groepen die bij een maaltijd in huis spreken over Gods Woord en zijn Koninkrijk. Een kleine groep geeft een vertrouwensband, ruimte om vragen te stellen en ervaringen te delen. En een maaltijd is niet alleen maar gezellig, maar was in de situatie van Handelingen ook een concrete vorm van diaconaat: waar rijken met armen hun voedsel delen, en waar eenzamen in gemeenschap worden opgenomen. In de gemeente waar ik lid ben beginnen veel kringen pas na de maaltijd, als de kinderen op bed liggen. Dat is makkelijker voor gezinnen. Maar liggen de prioriteiten dan goed? Moeten we bij onze gemeentestructuur niet beginnen bij wat goed is voor eenzame ouderen of voor asielzoekers, en de gezinnen vragen zich daaraan aan te passen? Hoeveel ongemak hebben we daarvoor over? Ik stel de vraag allereerst aan mezelf.

Avondmaal als sacrament en groepsmaaltijd
Ten slotte nog een opmerking over het Heilig Avondmaal als sacrament. Dat was, zoals gezegd, in de tijd van het Nieuwe Testament geen losstaand ritueel maar verbonden met een volledige maaltijd. En die volledige maaltijd werd gevierd juist in de kleinere ‘kringen’ van de gemeente, in huizen van gemeenteleden. Hoe leren we daarvan vandaag? Het Avondmaal in de eredienst, zoals wij dat kennen, heeft zijn eigen waarde gekregen, ingebed in een liturgie van zang, gebeden en verkondiging. Dat hoeven we niet overboord te zetten. Maar misschien kunnen we ze wel meer gaan beleven als symbool voor de gemeenschap die doordeweeks gestalte krijgt in maaltijden die in de kringen van de gemeente worden gehouden. Een symbool dat eenzijdig vergeestelijkt wordt wanneer die maaltijden ‘in de huizen’ er niet ook zijn. Zodat de zondagse samenkomst, net als de tempeldienst in het vroege Jodendom, erom vraagt ingebed te worden in een gemeenteleven door de week. Zo wordt de gemeente een vitale gemeenschap die als getuige van Gods Koninkrijk in de wereld is geplaatst.  


Arco den Heijer studeerde klassieke talen en een researchmaster letterkunde in Nijmegen, en theologie in Apeldoorn. Hij studeerde in juni af op een scriptie over christelijke samenkomsten in Handelingen, onder begeleiding van dr. Michael Mulder. Momenteel werkt hij als AIO Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit Kampen, waar hij bij prof.dr. Rob van Houwelingen onderzoek doet naar de rol van publiek debat in Handelingen en in het vroege Jodendom.


 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker