Artikel
2017-01-20
Bijbelstudie: Psalm 65: 2-5 door D.J.T. Hoogenboom

Ons leven is een reis. De vraag is waarheen die reis leidt. De dichter van Psalm 65 heeft een duidelijk doel. Hij is verwonderd dat zijn levensreis dat doel mag hebben.

Meteen in vers 2 wordt een plaats genoemd: Sion. Sion is de naam voor Jeruzalem (2 Sam. 5: 7). Maar het is meer dan een plaatsaanduiding. In vers 5 worden voorhoven, huis en paleis genoemd: een aanduiding voor de verschillende niveaus in de tempel. Sion is de plaats waar de HEERE woont en waarvandaan Hij de wereld regeert (paleis). En zo roept het woord Sion de diepe verwondering op dat God zichzelf geeft. Het doel van de reis van de dichter is de tempel, is God zelf.

De tempel

C.S. Lewis schrijft dat hij het eerst wat vreemd vond dat er in de Psalmen zo vaak over de tempel wordt gezongen en dat we steeds weer worden opgewekt om God te loven vanwege de tempel. Het lijkt soms wat gedwongen, zegt hij. Totdat hij het wonder ontdekte van de HEERE die op deze aarde wil wonen te midden van zijn zondige volk. Iemand die wakker wordt uit een angstige droom, zegt Lewis, kan ook niet anders dan opgelucht en blij zijn dat het allemaal niet waar is. Zo is het met de tempel, wie door het geloof werkelijk ziet wat daar gebeurt, kan niet anders dan eeuwig opgelucht adem halen. Het is niet verloren.

De heiligheid van de tempel zoals die voorkomt in Psalm 65: 5 wordt bijna letterlijk overgenomen in 1 Kor. 3: 17 waar het gaat over de gemeente. Dat is in het Nieuwe Testament de plaats waar God geeft, vanwaaruit Hij wil werken en regeren op de aarde. Daar openbaart Christus zich in Woord en Geest.

Beweging
Er is in deze Psalm sprake van beweging: komen (vers 3), naderen (vers 5). Die beweging is vaker te zien in de Psalmen, bijvoorbeeld in de pelgrimsliederen 120-134. Vanuit Mesech en Kedar (Psalm 120), de gevaarlijke randen van de wereld waar de dichter het niet meer uithoudt, vlucht Hij naar Jeruzalem, het huis van God (Psalm 122-123).

Een beweging waarvandaan? Vanuit de schuld. Als de Heere zich openbaart in zijn goedheid blijk ik ineens niet goed. Je bewust worden van Sion gaat dus gepaard met een bewustzijn van ongerechtigheden. Die hebben de overhand, zo staat hier. Dat is een beeld dat je voor je ziet: ongerechtigheden als die jongen op het schoolplein die jou steeds weer uitkoos en van wie je niet kon winnen. Hij had de overhand, letterlijk: met zijn hand in je nek lag je met je neus op de grond. Zo ervaart de dichter de zonde: als iets dat je met je meedraagt en je neerdrukt.

Maar dan is ongerechtigheid ook iets dat van je kan worden afgenomen. Een mens doet zonde, hij is zondig maar hij is geen zonde. Dan zouden we geen mens meer zijn zonder zonde. De zonde drukt terneer maar bij de Heere is de mogelijkheid dat die schuld wordt weggedaan, weggenomen. Vandaar dus de reis: van de ongerechtigheid naar Sion.

Nabijheid
En dan het wonder dat die dichter met zijn schuld heel dicht bij God mag komen. Er zit namelijk in vers 5 een steeds dieper doordringen tot bij God in dit: voorhof, huis, paleis. Daaruit spreekt een grote intimiteit en nabijheid. Vanuit die schuld en ongerechtigheden arriveren we bij de HEERE, bij Hem thuis. Kind aan huis bij de God van de hemel. Het intieme spreken in dit vers contrasteert met de grootse beelden uit het vervolg (vers 6-9). Een zondaar mag naderen tot God.

Die beweging veronderstelt de mogelijkheid en het vermogen om te naderen. Een aantal begrippen wordt genoemd om onder woorden te brengen wat de Heere doet. Allereerst: Hij doet naderen. De Heere is het die de dichter laat naderen. Hij nodigt en geeft kracht. Calvijn schrijft: Wij zijn welgelukzalig als wij op God hopen; als wij zijn beloften omhelzen; gelukzalig, zeg ik, als wij, steunende op Jezus Christus, de Middelaar, ons ervan verzekerd houden, dat God onze Vader is, en tot Hem ons gebed richten. Maar waar komen het geloof en het aanroepen van God vandaan? Van waar anders dan dat Hij ons door genade aan zich heeft verbonden toen wij nog vreemdelingen waren?

Hij verkiest, Hij kiest mensen uit die bij Hem mogen horen. Het gaat hier over de verkiezing van Israël. Daar in de tempel wordt het volk zich zijn bevoorrechte positie bewust. De wereld, de hele wereld, dus ook het volk Israël, heeft zich van de Heere afgekeerd. In het paradijs. Adam en Eva kunnen niet meer bij God wonen als zij niet naar Hem willen luisteren. Zij moeten het paradijs verlaten. Er is een scheiding gekomen tussen God en mensen. Maar nu heeft God een weg gebaand. Sion is een wonder, een onmogelijke mogelijkheid. God woont bij mensen. En mensen mogen bij God komen. Het wonder van Woord en sacrament.

En ten slotte staat er dat de Heere verzadigt. Wij worden genodigd bij de Heere en worden dan verzadigd. Dat is uiteindelijk de kern. Paulus gebruikt opvallend vaak het woord ‘overvloed(ig)’ (bijvoorbeeld Filippenzen 1: 9). Dat is blijkbaar het woord dat de tijd na Pasen typeert. Wij denken vaak zo karig over de Heere God. Dat lijkt me duivelswerk, want die is het die de milde Gever van eeuwig en tijdelijk goed als een schraalhans voorstelt (Genesis 3: 1). Wij zien zoveel tekort omdat we niet kijken vanuit Sion, niet kijken vanuit kruis en opstanding maar beginnen aan het andere einde: de woeste golven van de wereld om ons heen en de godverlatenheid van ons geseculariseerde hart.

Verzadiging heeft alleen zin als er honger is. Honger naar God. De vraag is of wij die honger ook zo beleven. Honger om bij God te zijn. Honger om onze werkelijkheid te begrijpen vanuit Hem.

Men komt dan tot God voor de lofzang (vers 2), de gelofte (vers 2), het gebed (vers 3). De lofzang is in stilte, dat is paradoxaal. De stilte kan zijn een letterlijk zwijgen en dan dus ook een ophouden met klagen na Psalm 51-64. Het kan ook wijzen op het refrein van Psalm 62, dat wordt gezongen. Mogelijk is het ook een verwijzing naar de ‘stillen in den lande’ (Psalm 35: 20). De gelofte God gedaan kan betrekking hebben op de voorspoed zoals die in het laatste deel van de Psalm voor komt. Het gebed wordt gehoord. Wij zijn op reis en mogen in het gebed vluchten naar de Heere. In die intimiteit van het gebed ontdekken we dat Hij vergeeft, sterker nog dat Hij verzadigt met het goede.

- - -

Gespreksvragen
1. Probeer een beeld te krijgen van het gevoel dat men in het oude Israël had bij het horen van het woord ‘Sion’ door een aantal Psalmen te lezen die over Sion of Jeruzalem gaan.
2. Waar ontmoet u de Heere God?
3. De Heere heeft zich geopenbaard in de Heere Jezus. Wat doet zijn openbaring u?
4. Calvijn schrijft: het doel van de eredienst is de eer van God. Is de eredienst dan beperkt tot de kerkdienst?
5. En welke elementen zijn dan noodzakelijk voor een eredienst en welke niet?
6. Voelt u zich verzadigd met het goede van Gods huis?
 
Ds. D.J.T. Hoogenboom is predikant te Utrecht-West


 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker