Artikel
2017-02-03
Woordwerk: Met verlangen naar de kerk door M. Bot

‘Waarom zou je eigenlijk naar de kerk gaan? En wat mag je er dan verwachten? Het moet toch wel de moeite waard zijn om je bed voor uit te komen, zondagmorgen’. Vanuit de Bijbel zou je daar op verschillende manieren een antwoord op kunnen geven. In dit artikel wil ik dat doen door eerst naar de verlangens van een pelgrim te kijken, vervolgens naar Jezus’ kerkgang en tot slot naar een aansporing in Hebreeën.

Aan de oppervlakte
Aan de oppervlakte van ons kerkelijke leven drijven heel wat vragen en kritiekpunten als het om de kerkgang gaat. Vragen en kritiekpunten die laten zien dat de trouwe kerkgang van ‘vroeger’ niet meer zo vanzelfsprekend is. Bijvoorbeeld als het gaat om de tweede dienst op zondagmiddag of -avond. Maar ook over de invulling van de dienst is het nodige te doen. Moet er niet meer inbreng van gemeenteleden komen? Nu worden nog zo veel onderdelen van de liturgie alleen door de predikant verzorgd. En moeten we niet meer themadiensten gaan beleggen voor de verschillende doelgroepen in de kerk? Of moeten we daar juist helemaal van af? En is het nog wel van deze tijd om zo massaal bij elkaar te komen op zondag, en daarin trouw te vragen van de leden? Dergelijke vragen en kritiekpunten komen aan de oppervlakte als je het in deze tijd over de kerkgang hebt.

De diepte in: Psalm 84
Al die verschillende vragen aan de oppervlakte van het thema kerkgang kan je terugbrengen tot één belangrijke vraag die er onder ligt: wat is je verwachting van een kerkdienst? Wat is je diepste reden dat je naar de kerk komt, op zondag? Deze vraag wordt in de Bijbel duidelijk beantwoord: de verwachting van een kerkdienst is dat je er God ontmoet. Dat is het diepste verlangen dat bovenkomt als je in het hart van de gelovige kijkt. Dit komt misschien nog wel het duidelijkste naar voren in de Pelgrimspsalmen. Liederen die gezongen werden op weg naar de kerk. En voor ons thema is dan Psalm 84 het mooiste voorbeeld. In die Psalm komt naar voren dat er in de mens diepe verlangens zijn, en dat die verlangens hun bevrediging pas krijgen in een ontmoeting met de levende God. En die ontmoeting vindt bij uitstek plaats in het huis van God. Ten tijde van het Oude Testament is dat de tempel, op de berg Sion in Jeruzalem.
Hoe diep de verlangens in een mens kunnen zijn blijkt uit het begin van de Psalm: ‘Mijn ziel verlangt, ja bezwijkt zelfs van verlangen naar de voorhoven van de HEERE; mijn hart en mijn lichaam roepen het uit tot de levende God.’ In deze woorden komt een diep verlangen boven waarin de ziel betrokken is, het diepste wezen van de mens. Dit wordt in de volgende regel parallel gezet met ‘mijn hart en lichaam’. En dit verlangen vanuit de vezels van mijn bestaan is gericht op God, de Levende. Dat is niet de enige mogelijkheid. Want verderop in de Psalm komt naar voren dat je verlangen ook naar andere woningen kan hunkeren dan naar Gods huis, namelijk de tenten van de goddeloosheid. ‘Ik verkoos liever te staan op de drempel van het huis van mijn God dan lang te wonen in de tenten van de goddeloosheid’, vers 11. De dichter maakt dus een onderscheid tussen verlangens die op God gericht zijn en verlangens die God-loos zijn.

Als het gaat om mijn kerkgang moet ik dus die diepte aanboren: mijn verlangens toetsen. En laat ik me er dan eerst maar eens van bewust worden dat ik diepe verlangens heb. Stil worden voor mezelf en eerlijk mijn verlangens boven laten komen. Wat leeft er allemaal op de bodem van mijn hart? De pelgrim nam daar de tijd voor, tijdens zijn uren wandelen naar Jeruzalem. Hij kwam tot zichzelf. Hij werd  zich bewust van zijn verlangens, en bracht ze vervolgens onder de heerschappij van Jahwe. Hij had ook thuis kunnen blijven en zijn hart kunnen ophalen in de tenten van de goddeloosheid, maar: hij zette de stap in geloof en legde ze in de handen van God. ‘Welzalig is de mens van wie de kracht in U is’, vers 6. Dat is niets minder dan een bekering, een omkering op weg naar Jeruzalem: God-loze begeerten in de handen van de levende God leggen. Dat is kerkgang: in een kerkdienst met niets minder tevreden willen zijn dan dat Gods Geest je begeerten gaat omkeren en bezielen. Hunkeren naar een ontmoeting met de levende God. Geloven is relatie en vindt bevrediging in ontmoeting.

Wrijving: Johannes 2
Wanneer we de diepte aanboren komen we dus uit bij verlangens: het uitzien naar een ontmoeting met God. Wanneer er bij ons geen verlangen is om naar de kerk te gaan ligt het voor de hand om dus onze verlangens te toetsen: zijn deze misschien meer op de tenten van de God-loosheid gericht dan op de ontmoeting met onze Schepper en Verlosser? Maar toch is daarmee niet alles gezegd. Het kan namelijk ook zo zijn dat het in de kerk niet tot een ontmoeting komt omdat de kerk zelf dat onmogelijk maakt. Je hebt wel een Geest-gedreven verlangen naar God, maar de kerk creëert geen ruimte om tot die ontmoeting te komen. Dan ligt het probleem dus niet bij de kerkganger maar bij de kerk.

Dat wordt op zijn scherpst duidelijk als we Jezus naar de kerk zien gaan. Vlak voor de jaarlijkse Pascha-viering gaat Hij naar Jeruzalem, en bezoekt dan de tempel. En dan treft hij daar de veehandelaren en geldwisselaars die prominent het beeld in de tempel bepalen. Hij drijft hen het tempelplein af met de woorden: ‘Neem deze dingen vanhier weg, maak niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel!’ (Joh. 2:16). De tempel is het huis van de Vader, een plek van ontmoeting zoals Psalm 84 bezingt, maar de leiders van de kerk hebben er een tent van goddeloosheid van gemaakt: de Mammon wordt vereerd. In het Johannesevangelie is dit optreden van Jezus een van zijn eerste publieke optredens, en juist in dit optreden in de kerk wordt duidelijk dat de kerk zelf zich uiteindelijk tegen Hem zal keren. Want Johannes merkt bij deze geschiedenis op: ‘En Zijn discipelen herinnerden zich dat er geschreven is: De ijver voor Uw huis heeft mij verslonden’ (Psalm 69:10). Jezus’ diepe verlangens komen in de kerk niet tot hun recht, maar worden juist gekrenkt. Dit brengt bij Hem die ijver boven die zo radicaal doet ingrijpen, maar die Hem uiteindelijk ook zal verslinden. Dat is immers de betekenis van Psalm 69 vers 10: David klaagt dat zijn ijver voor Gods huis bij zijn vijanden zoveel woede opwekt dat zij hem daarom te grazen nemen. En zo valt al aan het begin van het Johannesevangelie de schaduw van het kruis over Jezus’ werk, door vijandschap in de kerk!

Als de diepgang in de kerkgang verdwenen is omdat het verlangen naar een ontmoeting met de levende God niet bevredigd wordt, kan de schuld dus ook aan de kant van de kerk liggen. De kerkenraad heeft de grote verantwoordelijkheid om in de wijze waarop kerkdiensten worden belegd, een ontmoeting tussen God en kerkganger te bevorderen. De predikant moet zijn hoorders kennen, om op hun niveau in te stappen en hen geestelijk bij de hand te nemen. Neemt hij de hedendaagse vragen die bij de gemeente leven echt serieus, zodat zijn prediking ook echt antwoord is op hun verlangen? Met gebeden en een liturgie die ook echt op die beleving aansluit en daar geestelijk leiding aan geeft? Is er oog voor de kinderen (als het tempelplein schoongeveegd is, ontvangt Jezus juist de kinderen en zegent hen)? En dan spelen ook zaken een rol als: welke vertaling lezen we, en wat en hoe zingen we? In onze gereformeerde kerken zijn we gesteld op tradities hierin. Maar worden die geregeld tegen het licht gehouden, of deze de ontmoeting met de levende God bevorderen of inmiddels in de weg zijn gaan staan? Dalend kerkbezoek betekent niet per se dat het gemeentelid zijn verantwoordelijkheid niet neemt, het kan ook zijn dat de kerkenraad (inclusief predikant) zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen.

Elkaar ontmoeten: Hebreeën 10
Het diepste punt is nu benoemd: in de kerkdienst gaat het om geheiligde verlangens die verzadigd worden in een ontmoeting met de levende Heere. Maar als we dan nu weer terug gaan naar de oppervlakte met zijn vragen en kritiek, dan kunnen we ons vanuit Johannes 2 afvragen waarom de samenkomst dan zo belangrijk blijft voor die ontmoeting met God. Want laat Jezus’ leegvegen van het tempelplein niet het failliet van de samenkomst zien? Als het om een ontmoeting met de levende God gaat is dat bovendien iets zeer persoonlijks, en valt zo dan ten diepste het belang van een samenkomst niet weg? Zegt Jezus dat zelf ook niet, als twee hoofdstukken verder de Samaritaanse vrouw vraagt: naar welke kerk moeten we gaan, die in Samaria of in Jeruzalem? En Jezus dan antwoordt: ‘Vrouw, geloof Mij, de tijd komt dat u niet op deze berg, en ook niet in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. (…) Maar de tijd komt en is nu, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid’ (Joh. 4: 21,23).

Dat zou je inderdaad vanuit Johannes 4 kunnen denken: dan valt nieuwtestamentisch het belang van samenkomen weg. Toch blijkt dit niet het geval te zijn. Want al is de ontmoeting met God dan wel het belangrijkste van een kerkdienst, toch moet ook zeker nog een tweede genoemd worden: de ontmoeting met elkaar. Wanneer verlangens bekeerd worden tot God, dan blijkt de Geest juist ook de ontmoeting met elkaar te gebruiken om die relatie met God in stand te houden. Een samenkomst moet dus niet alleen de ontmoeting met God openen, maar ook de ontmoeting met elkaar. Hebreeën 10 zegt: ‘Laten wij op elkaar letten door elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar elkaar aansporen.’ Dat de samenkomst hier in het kader van onderlinge aansporing wordt genoemd, blijkt uit de grondtaal. Het gaat hier om één zin, waarin het eerste deel de hoofdzin vormt, en het vervolg een nadere bepaling: ‘Laten wij op elkaar letten door elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken, de onderlinge bijeenkomst daarom niet nalatende, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar elkaar aansporende.’ Die bekende oproep van het niet nalaten van de samenkomst staat dus in het kader van de onderlinge ontmoeting van gemeenteleden. Het is belangrijk om zondag naar de kerk te komen, want dat is de plek waar je door de medegelovige aangevuurd wordt tot liefde en goede werken. De kerkgang verzadigt niet alleen de hunkering naar God (al blijft dat wel het belangrijkste), het voedt ook een verlangen om mijn naaste te gaan liefhebben en de wereld te gaan dienen in het doen van het goede. En de ontmoeting met de medegelovige is als olie op dat vuur.

Als er weinig verlangen is om naar de kerk te komen, dan stelt ook Hebreeën 10 vragen aan zowel gemeentelid als kerkenraad. Gemeentelid: besef je dat jouw kerkgang ook gericht moet zijn op het dienen van de ander, in aanvuren tot liefde en goede werken? Is het wegblijven uit de kerk zo niet een verzuimen van de plicht om je naaste te dienen? In de kerk kom je niet alleen om iets te halen, je komt ook om iets te brengen. Zonder onderlinge ontmoeting dooft het vuur, zowel bij jou als bij de ander. En kerkenraad: is er in de samenkomst ook ruimte voor onderlinge aansporing? Worden onze samenkomsten niet te eenzijdig door ambtsdragers vormgegeven, waardoor de rol van het ‘gewone’ gemeentelid verplicht passief is? Zijn er ook niet lijnen in de Schrift die op een gaven-gerichte gemeente wijzen, waarin een ieder met zijn Geestesgave de gemeente dient? Blijven sommige leden mogelijk daarom thuis, omdat zij de huidige invulling van de samenkomsten te eenzijdig gericht vinden op de ontmoeting met God? Moet dan niet naar manieren gezocht worden die het onderlinge aansporen meer ruimte te geven? Moeten daadwerkelijk alle taken in de dienst door ambtsdragers vervuld worden, of zouden ook gemeenteleden gebeden moeten kunnen uitspreken, of een woord moeten kunnen delen dat de Geest hun ingeeft (1 Korinthe 12-14)? In dit spanningsveld van ambt en geestesgaven ligt in onze traditie rond de samenkomst sterk de nadruk op het eerste. Maar zijn er misschien wegen te vinden waarin de onderlinge geestelijke aansporing meer ruimte kan krijgen in de samenkomsten, zonder daarbij afbreuk te doen aan de ambten? Een Bijbelse bezinning hierop vanuit 1 Korinthe 12-14 en  Hebreeën 10 lijkt me zeker zinvol.

Psalm 84, Johannes 2 en Hebreeën 10: zij geven reden te over om met verlangen naar de kerk te blijven komen. Deze Schriftgedeelten trekken ons weg bij de tenten van de goddeloosheid, en richten onze verlangens op iets beters: op een ontmoeting met God en met elkaar. Ook al is daar een pelgrimsreis voor nodig. En deze hoofdstukken uit de Bijbel geven ons huiswerk mee om onze kerkdienst omwille van deze ontmoetingen steeds weer te reformeren. Aansporing voor het gemeentelid en de kerkenraad beide. In het verlangen dat verlangens steeds weer aangewakkerd en vervuld zullen worden.

ds. Mark Bot is predikant te Maassluis

 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker