Artikel
2017-03-03
Apeldoornse Oogst: Een koninkrijk van priesters door C. Cornet

De betekenis van Israël als ‘koninkrijk van priesters’ in de Joodse en christelijke exegese van Exodus 19: 6.

Israël als koninkrijk van priesters
‘Wil je met mij trouwen?’ Een intieme vraag, die de tijd even stilzet. En klinkt daarna het jawoord, dan worden er - om het met een bekende dichtregel van Joost van den Vondel te zeggen - ‘twee zielen gloênde aaneengesmeed / Of vast geschakeld en verbonden.’ Na dit unieke moment kan het aanstaande bruidspaar naar buiten treden met de boodschap dat ze verloofd zijn. Vol goede moed worden nu de (verdere) voorbereidingen voor het huwelijk getroffen. De dag waarop opnieuw het jawoord zal klinken.
Iets dergelijks vinden we in Exodus 19-24. Zowel aan het begin (Ex. 19: 8) als aan het eind (Ex. 24: 7b) lezen we dat het volk Israël zijn jawoord geeft: ‘Al de woorden die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.’ De eerste keer geeft het volk dit antwoord in reactie op de vraag of het bereid is nauwgezet Gods stem te gehoorzamen en Zijn verbond te bewaren (Ex. 19: 5a). Dit is wat ik de ‘verloving’ noem. De tweede keer geeft het volk dit antwoord nadat Mozes Gods ‘boek van het verbond’ heeft voorgelezen (Ex. 24: 7a). Dit vergelijk ik met het ‘huwelijk’.
Wat maakt het volk Israël nu zo enthousiast om Gods verbondspartner te worden? Het antwoord vinden we in Ex. 19: 3b-6. Hier maakt God de gedenkwaardige en unieke woorden bekend dat Israël voor Hem een persoonlijk eigendom zal zijn, een koninkrijk van priesters (of: priesterlijk koninkrijk) en een heilig volk. Elk van de drie omschrijvingen heeft haar eigen zeggingskracht. In het vervolg van dit artikel zoom ik – zonder verder in te gaan op het onderlinge verband – in op de middelste: Israël als koninkrijk van priesters. Hoe moeten we deze woorden lezen met het oog op Israël? Eerst kijken we naar de joodse uitleg, vervolgens naar de (westerse) christelijke exegese.
 
Joodse uitleg
Al vóór de geboorte van Christus blijken er meerdere leeswijzen voor de twee Hebreeuwse woorden voor ‘koninkrijk van priesters’ te zijn. Zo wordt er in de Aramese vertaling (Targum) gesproken over ‘koningen en priesters’. Een uitleg die vanaf de eerste eeuw na Christus ook voorkomt in de rabbijnse commentaren. Er wordt dan gesproken over ‘de kroon van het priesterschap’ en ‘de kroon van het koningschap’. Hierbij wordt in één adem nog ‘de kroon van de Thora’ vermeld. Deze drie kronen zijn in deze uitleg als het ware de pijlers waar het Jodendom zijn identiteit en bestaansgrond aan ontleent.
De andere Joodse uitleg gaat ervan uit dat het Hebreeuws als ‘koninkrijk van priesters’ gelezen moet worden. Israël is dan het koninkrijk waar God Koning over is. Het priesterlijke wijst daarbij vooral op een naar binnen gerichte attitude: het is een vreedzaam koninkrijk en de mensen zijn toegewijd aan God. Soms wordt er ook gesproken over een naar buiten toe gerichte houding, met het oog op het welzijn van de andere volken. Hoe concreet over deze taak werd gedacht in de loop van de geschiedenis, blijkt afhankelijk van de politieke en sociale situatie van het Joodse volk op dat moment.

Christelijke exegese
In de christelijke traditie overheerst de uitleg dat de woorden ‘koninkrijk van priesters’ betrekking hebben op de nieuwtestamentische gemeente. Het accent ligt daarbij op het priesterschap, een leeswijze die terug te voeren is op de Griekse vertaling (Septuaginta) van Ex. 19: 6. In het Grieks is de uitdrukking namelijk gewijzigd in ‘koninklijk priesterschap’ (zo ook geciteerd in 1 Pet. 2: 9). Gevolg is dat in de christelijke traditie eeuwenlang weinig aandacht is besteed aan de oorspronkelijke betekenis van deze woorden.

De relatief weinige exegeten van vóór de Reformatie die iets schrijven over de betekenis van Ex. 19: 6 voor Israël, wijzen op de verzondigde en daarmee verloren priesterlijke positie van het volk Israël. Een mens kan immers alleen door Christus tot God naderen. Vanaf de Reformatie komt er oog voor de Joodse Schriftuitleg. Vooral de eerstgenoemde joodse uitleg vindt ingang, het naast elkaar plaatsen van ‘koninkrijk’ en ‘priesterschap’. De betekenis daarvan wordt echter nieuwtestamentisch ingevuld. Alleen wie in Christus zijn, mogen deze titels dragen (Calvijn). En was er eerst nog een lichamelijke verschijningsvorm van het priesterschap, dat is Israël, deze is met de komst van het Evangelie opgeheven (Luther). Dit blijft nog lange tijd de overheersende uitleg.

Met het opkomen van het onderzoek naar de hoofdlijnen van Gods openbaring in het Oude Testament (de theologie van het Oude Testament), komt hier langzamerhand een kentering in. De vraag dringt zich dan op wat de plaats en functie van Israël is in Gods heilshandelen. Uit Gods belofte aan Abraham (Gen. 12: 3) blijkt immers dat God van meet af aan alle volken op het oog heeft om ze te laten delen in Zijn zegen. Hoe nu die zegen bij de andere volken moet terechtkomen, wordt concreet gemaakt als God het Joodse volk het predicaat van ‘koninkrijk van priesters’ verleent. Het priesterlijke aspect wijst op de bemiddelende positie van Israël, als Gods koninkrijk, tussen God en de andere volken. Het doel is dat de volken door Israël onder het gezag van Israëls grote Koning zullen worden gebracht. Een doel dat uiteindelijk maar door één Israëliet, de Zoon van de Koning, bewerkt kon worden.

Evaluatie
Met deze beknopte weergave van pakweg 2000 jaar Joodse en christelijke exegese is het onmogelijk om de veelkleurigheid en de ontwikkelingen van beide tradities te laten zien. In mijn scriptie doe ik daar een poging toe, maar heb daar heel wat meer woorden voor nodig. Het is in het kader van dit artikel wel interessant om nog kort stil te staan bij wat dit onderzoek kan bijdragen aan de ontmoeting met Israël. In eerste instantie lijkt alles negatief. God stelde Zijn volk als een brandende kaars te midden van de heidenen, maar in de eeuwen daarna lijkt Israël als een nachtkaarsje uit te zijn gegaan. Voor de Joden reden om binnenshuis een klein vuurtje brandend proberen te houden; voor christenen reden om van dit licht maar helemaal af te zien.

Toch hoeft niet alles in het donker gehuld te blijven. Want zowel in het Jodendom als in het christendom treffen we de notie aan dat de zegen tot de volken moet worden gebracht. Die zegen is niet menselijk en niet afhankelijk van mensen. Maar die zegen is van God en komt door God. Wij geloven dat deze zegen lichaam en bloed heeft gekregen in Jezus Christus. Hij is het Licht der wereld en van Hem geldt wat Hij Zelf sprak: ‘De zaligheid is uit de Joden.’(Joh. 4: 22) Voor christenen reden te over om allereerst in Zijn licht naar het Joodse volk om te zien.

In de ontmoeting met Israël kan over deze Zaligmaker getuigd worden dat Hij de Man is in Wie het koningschap, het priesterschap en heel de Thora vervuld zijn. Overgave aan Hem betekent dan ook bevrijding van de kramp om zelf het vuur tot verlichting van de heidenen brandend te houden. En tegelijk krijgt de opdracht om een ‘koninkrijk van priesters’ te zijn een nieuwe invulling, namelijk om te getuigen van Jezus Christus als licht der wereld. Waar Jood en heiden samen leren buigen voor deze Zaligmaker, wordt niet alleen de vreugde verdubbeld (Rom. 11: 29), maar worden zij ook als ‘twee zielen gloênde aaneengesmeed / Of vast geschakeld en verbonden’.

In de rubriek ‘Apeldoornse Oogst’ krijgen Apeldoornse studenten gelegenheid om in ongeveer 1200 woorden een samenvatting te geven van hun masterscriptie. De spits wordt afgebeten door C. (Nico) Cornet. Bij het schrijven van zijn scriptie werd hij begeleid door prof.dr. H.G.L. Peels.



 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker