Artikel
2017-03-17
Interview: ‘De relatie met de kerken is super belangrijk’
Wilma van der Zande van de TUA
Door Ar Sikking

Wie het beroepingswerk een beetje volgt, ziet dat er nog een paar studenten op een beroep wachten. Er zijn genoeg vacante gemeenten, zou je zeggen. En naar verwachting gaan er de komende tijd veel predikanten met emeritaat. 'In die zin mogen er nog wel een paar admissiale studenten bij,' vindt Wilma van der Zande.

Achter de statige gevel van de Theologische Universiteit in Apeldoorn (TUA) gaat een enorm gebouw schuil. Samen lopen we trappen op en af, langs stille studieruimtes, de aula, een computerlokaal, collegezalen, vergaderzalen, spreekkamers, een ruimte met een fotogalerij van alle oudgediende hoogleraren. Ergens staat een deur op een kier en zien we professor Kater praktische theologie doceren.

Begeleiding
Vlak achter de ingang aan het Wilhelminapark bevindt zich het kantoor van Wilma van der Zande. Zij werkt al ruim 37 jaar bij de TUA. In 1979 begon ze als receptioniste/telefoniste en nu is ze universiteitssecretaris en studieadviseur en -begeleider. Ze begeleidt studenten bij hun persoonlijke ontwikkeling. En als het niet vlot met de studie, probeert Wilma hen daarin verder te helpen. Uit onderzoek van enkele jaren geleden bleek dat jonge predikanten vaak een moeilijke start hebben en nogal eens uitvallen.
Wilma: "We moeten meer doen op het persoonlijke vlak, zodat ze weerbaar zijn als ze de pastorie ingaan. Hoe ga je met moeilijke dingen om? Hoe kun je bij conflicten bemiddelen? Hoe moet je leiding geven aan een kerkenraad? Ik mag daaraan een bijdrage leveren met individuele gesprekken en lessen in beroepsvaardigheden, bijvoorbeeld over studievaardigheden, persoonlijke ontwikkeling en communicatie. Erg leuk om te doen.”
Het werk van Wilma is breed. Toen ze bij de ‘Theologische Hogeschool’ begon, bestond het ondersteunend personeel uit twee personen: de conciërge en Wilma. Nu zijn er zeven. Wilma heeft zich verder ontwikkeld en is ‘de spil van de TUA’.
"Ja, dat zeggen ze wel eens, maar dat zeg ik zelf niet. Dat komt ook doordat je meegegroeid bent met de organisatie. Ik zit bij de bestuursvergaderingen, bij het college van hoogleraren en andere gremia, doe secretarieel werk en regel veel praktische dingen.
De TUA is een groot deel van mijn leven. Formeel werk ik 38 uur per week, maar dat is in de praktijk veel meer, ook thuis. Het werk is meer dan een baan. Ik ben getrouwd, we hebben helaas geen kinderen - dat is zoals God je leven leidt. Daardoor kan ik er meer zijn voor de TUA.”

Standaarddag
In die 37 jaar heeft Wilma heel veel ‘knowhow’ opgebouwd. "Tja, ik ken de hoeken en de gaten. Ik draag een stuk geschiedenis mee. En dan moet je wel oppassen de geschiedenis niet te verheerlijken.”
Elke dag is anders voor haar. "Er komt nogal eens iemand binnenlopen met een vraag of voor een gesprek. Of een student die het even niet ziet zitten. Of ik heb een vergadering. Nee, een standaarddag ken ik niet.”
Ze legt uit hoe tegenwoordig de organisatiestructuur is. "Je hebt het college van hoogleraren en van docenten die zorgen voor het onderwijs. Het college van bestuur bestaat uit de heer Hanekamp en de rector, nu professor Selderhuis. De rector wisselt elke drie jaar, gelijk met de Generale Synode.
Er zijn twee toezichthoudende organen: het curatorium houdt toezicht op het onderwijs, het confessionele gehalte, en neemt onder andere admissie-examens af. Studenten die preekconsent aanvragen, leveren niet alleen een preek in, maar doen ook proponentsexamen voor het curatorium. De curatoren bezoeken ook vaak colleges.
De raad van toezicht houdt zich bezig met de zakelijke kant van de universiteit. De organisatie, faciliteiten, financiën en dat soort zaken. Zowel het curatorium als de raad van toezicht leggen verantwoording af aan de generale synode.”

Studenten
De studie is er niet makkelijker op geworden. In de beginjaren studeerden de studenten vierenhalf jaar en gingen na het kandidaatsexamen de pastorie in. Nu is het eerst drie jaar bachelor- en daarna drie jaar masterstudie, het vroegere doctoraal. Inclusief een specialisatie en een stage.
Studenten lopen in hun stage een week of tien met een predikant mee, wonen vergaderingen bij en gaan mee op huisbezoek. De tweede helft van de stage doen ze veel dingen zelfstandig.
"Mijn taak daarbij is dat ik een supervisie-traject met ze doe, waarbij ze reflecteren op het werk en op hoe ze er zelf in staan.”

Er zijn doorgaans zo’n 140 studenten. "Degenen die predikant willen worden, doen bij het curatorium admissie-examen om toegelaten te worden ‘tot de opleiding voor het predikantschap binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken’. Tegenwoordig doen ze dat meestal pas na één, twee of drie jaar studie. Niet alle studenten komen direct door het admissie-examen heen, vaak moeten zij meerdere keren ‘opkomen’. Dat gebeurt achter gesloten deuren. De kern van het admissie-examen is een gesprek met het curatorium over het feit dat ze zich geroepen weten tot het predikantschap in de Christelijke Gereformeerde Kerken.
Dan hebben we nog de niet-admissiale studenten uit de volle breedte van de gereformeerde gezindte en daarbuiten. Juist die breedte maakt het boeiend. Uit verschillende achtergronden komen er vragen en opmerkingen, waardoor anderen leren na te denken, zonder hun eigen achtergrond als absoluut te zien.
We hebben ook zogenoemde contractanten, dikwijls studenten met een late roeping. Die groep neemt toe. Het zijn vaak wat oudere studenten met een baan en een gezin, die dan toch de roeping hebben om predikant te worden. Dan volgen ze in eerste instantie op contractbasis colleges langs een eigen route. Dat is echt maatwerk, wat door wetgeving en financiën steeds moeilijker wordt.

Ik heb contact met alle studenten, rijp en groen. Dat is geweldig waardevol, dat studenten mij hun vertrouwen geven. Ook wel uniek dat zij zich in hun hart laten kijken. Ik vind het boeiend en mooi hoe oprecht studenten bezig zijn met hun studie, vanuit een roeping vaak, of met een geestelijk zoeken naar de weg van de Heere in hun leven. Heel bijzonder.”

Kerken
Maar de TUA is geen eilandje. Wilma benadrukt dat de relatie met de kerken belangrijk is.
"Die vind ik super belangrijk. Toen ik hier kwam, waren er de schooldagen. De Grote Kerk zat dan bomvol. Wij noemden dat de dagen van de aandeelhouders. De TUA is nog steeds van de kerken.
We hebben geen schooldagen meer, maar we houden wel TUA-dagen. We proberen dan de bezoekers in de school echt iets mee te laten maken van de colleges en dergelijke. Ik vind dat schitterende dagen. Dan ervaar je de band met de kerken. Bij de oudere generatie leeft dat nog, maar weten de jongeren nog wel dat de TUA een stukje van de kerk is? De laatste jaren zijn we begonnen met TUA-ambassadeurs in de kerken en drie keer per jaar ontvangen de leden van onze kerken het TUA-magazine Connect. Zo proberen we die band met de kerken aan te trekken: de school is van jullie!
We hebben niet alleen gebed, maar ook financiële steun nodig. Zonder de kerken zou het allemaal niet kunnen.
Laat de mensen maar komen. Vooral jongeren: kom rustig eens een dagje meelopen en bedenk: is dit wat voor mij? Maar bezoek vooral de TUA-dagen in het najaar. De sfeer is hier erg goed en gemoedelijk, dat is toch wel echt ‘Apeldoorn’."














 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker