Artikel
2017-04-28
Homoseksualiteit en bewogen pastoraat Door A. Th. van Olst en A. Versluis

Ad Heystek, getrouwd, vader van vier zonen, ouderling van Veenendaal-Pniël, is docent psychologie aan de CHE en de TUA. Hij doceert onder andere over homoseksualiteit en pastoraat. We leggen hem enkele vragen voor over homoseksualiteit in de christelijke gemeente en een pastorale houding rondom homoseksuele relaties.

Kunt u iets vertellen over uw betrokkenheid op homoseksualiteit?
In mijn loopbaan als docent en hulpverlener ben ik verschillende keren in aanraking gekomen met jonge mensen die worstelden met hun (homo)seksuele identiteit. Ik herinner me een keer een jongen die ik na een gesprek acuut naar een psychiatrische kliniek heb gebracht vanwege een groot gevaar van suïcidaliteit. Hij was zeer depressief vanwege zijn schuldgevoel en in verwarring over zichzelf na maandenlang in een ‘homoscene’ te hebben verkeerd. Hij kon het niet meer op een rijtje krijgen met zijn afgelegde belijdenis om de Heere te willen volgen. Hij zag nog maar één uitweg, een einde aan zijn leven te maken. Gelukkig is het goed gekomen.
Ook herinner ik me ouders die jaren getobd hadden met hun dochter die al op zichzelf woonde en allerlei psychische klachten had. Wat waren ze blij om te zien hoe hun dochter opknapte en weer gelukkig werd toen ze ‘uit de kast’ kwam en een relatie met een vriendin aanging. Anderzijds was het voor die ouders heel moeilijk dat de kerk deze relatie afwees.

Wat raakt u het meest in hun verhalen?
Het lijden dat veel van deze mensen hebben wanneer zij Christus willen volgen en tegelijk hun verlangens om lief te hebben en geliefd te worden willen onderdrukken. Ze kunnen er niets aan doen dat ze zo zijn. Zij zijn wie ze zijn.  

In het verleden is wel gezegd, soms nog wel, dat homoseksualiteit te maken heeft met opvoeding en omgevingsfactoren, en wellicht te ‘genezen’ zou zijn. Tegenwoordig hoor je vaak: Je wordt ermee geboren. Hoe kijkt u daar tegenaan?
Het is geen tegenstelling. Altijd heeft men in de psychologie geweten dat de ontwikkeling van je persoonlijkheid een samenspel is van aanlegfactoren en van invloeden tijdens de ontwikkeling. Het is ook goed om te beseffen dat zich een heel spectrum aan variaties van mannelijke en vrouwelijke hetero-, homo- en zelfs biseksuele gerichtheid kan ontwikkelen.
Het is dus ook niet altijd het een of het ander, zoals mensen vaak denken; er is veel variatie.
Genezen vind ik een fout woord, omdat het suggereert dat het om een ziekte gaat. Het is geen ziekte maar een ontwikkeling die in combinatie met een bepaalde aanleg beïnvloed wordt door diverse zaken in de opvoeding, door leeftijdgenoten, identificatiefiguren en wat al niet, in combinatie ook met het zelfconcept dat een kind ontwikkelt. Omdat omgevingsinvloeden een rol spelen kun je je ook voorstellen dat de seksuele identiteitsontwikkeling enigszins te beïnvloeden is.

Hoe diep zit het: homoseksualiteit? Is het allesbepalend voor je identiteit?
Ik stel bij deze vraag vaak de tegenovergestelde vraag: in hoeverre bepaalt je heteroseksualiteit je identiteit? Hoe belangrijk is dat voor je zijn, je denken, voelen en handelen? Kun je je voorstellen dat je als hetero kunt veranderen in homo? Net zomin kan een homo zich indenken dat hij een hetero kan worden, afgezien misschien van mensen met een duidelijke biseksuele identiteit.
Gelukkig is het niet allesbepalend. We zijn (veel) meer dan seksualiteit. Onze identiteit wordt ook gevormd door ons verstand, door onze emoties, door ons sociaal functioneren, door onze opvattingen. Overigens zijn we ook op die facetten onvolmaakt en beperkt en zullen we worstelen met onze tekorten.
Uiteindelijk zullen we onze identiteit moeten vinden in Christus, waarbij het ook dan nog een permanente worsteling blijft tussen de oude en de nieuwe mens.

Hoe komt het toch dat zo veel mensen die ‘uit de kast komen’ de kerk verlaten?
Het ‘uit de kast komen’ is voor buitenstaanders veelal plotseling, maar voor de mensen zelf zelden. Ze weten het al heel lang, meer of minder bewust. Ze hebben zich allang georiënteerd op hoe erover gedacht wordt en weten dat het in de kerk moeilijk is. Een meisje zei tegen haar wijkouderling: ‘dat mag zeker niet hier in de kerk’, en zonder het antwoord af te wachten deelde ze mee dat ze besloten had naar een andere kerk over te stappen. Ze anticipeerde al op te verwachten moeilijkheden en zocht veiligheid voor zichzelf.

Is het mogelijk: homoseksuele relaties afwijzen en toch veiligheid willen bieden in de kerk?
We zijn vaak te laat. Het belangrijkste lijkt me dat we in de kerken duidelijk laten merken dat mensen met een homoseksuele gerichtheid erbij horen, dat ze een plaats in de kerk hebben. Het is belangrijk dat we in de kerk voor hen bidden, zodat ze het niet alleen horen maar ook voelen dat ze er mogen zijn en dat er een plaats voor hen is. Ik verwacht dat er dan veel meer openheid is om pastoraal in gesprek te gaan als deze mensen worstelen om een relatie aan te gaan. Nu zijn we vaak te laat: ze ‘komen uit de kast’ en gaan soms tegelijk een relatie aan. Het gaat erom dat we als gemeente de juiste attitude hebben naar onze homoseksuele medemens en hen een plaats geven, zoals ook de synodebesluiten aangeven.

Als kerken vragen we van homoseksuele broeders en zusters zich te onthouden van een seksuele relatie. Is dat niet teveel gevraagd?
Het is voor de een heel veel gevraagd en voor de ander minder. Laten we oog hebben voor de variatie die er is. Het lukt sommigen redelijk goed om hun leven celibatair in te richten en hun bestemming te vinden op andere terreinen, in de kunst bijvoorbeeld of in de kerk of in een andere betekenisvolle functie. Anderen worstelen er heel erg mee en dreigen eraan ten onder te gaan, zoals die jongen die ik hierboven noemde. Vaak is het zo dat in de fase van de jonge volwassenheid de strijd het grootst is. Gelukkig spreekt de pastorale handreiking over het hebben van ‘pastoraal geduld’ en ‘de gezindheid van Christus’.

Wat blijft u het meest bij als u de zeven persoonlijke verhalen in dit themanummer leest?
Dat ieder zijn eigen strijd strijdt. Voor de een betekent dit een radicale keuze om celibatair te leven. Voor de ander de keuze om een relatie aan te gaan of die van hun kinderen te accepteren. Ik denk dat ze allemaal worstelen met het aanvaarden van hun identiteit of de identiteit van hun kinderen, maar de wijze waarop ze die aanvaardingsprocessen doorlopen kan heel verschillend zijn. Dat varieert van een directe acceptatie tot een radicale ontkenning. Ik denk dat het voor allen een moeilijk proces is.

Eén van hen pleit voor een herwaardering van het ongetrouwd zijn en voor intieme vriendschap.
In het verleden keken we wel anders aan tegen samenwonende mannen dan samenwonende vrouwen. Omdat in vrouwelijke relaties seksualiteit niet altijd zo dominant is als bij mannen, lijkt samenwonen van vrouwen een hoger acceptatieniveau te hebben. Verder lijkt het erop dat we allerlei vormen van samenleven accepteren als er maar geen sprake is van seksualiteit. Naar mijn idee wordt seksualiteit weleens overgeaccentueerd en andere vormen van intimiteit in dit verband onderbelicht. Een relatie is meer dan seksualiteit.
Het is ook belangrijk om te zien dat vroegere samenlevingsverbanden (ook de Bijbelse) veel breder samengesteld waren. Zelfs medewerkers maakten deel uit van de ‘grootfamilie’. Ik kan me goed voorstellen dat in die grote verbanden voor mensen met een homoseksuele gerichtheid er voldoende geborgenheid en ook wel intimiteit te vinden was, zonder dat er sprake hoefde te zijn van een seksuele relatie. Veel homoseksueel gerichte zusters en broeders die celibatair leven, verlangen naar nabijheid of een keer een knuffel. Je kunt je afvragen of we in onze huidige samenleving met kerngezinnen en individualisme niet te kort doen aan alleengaanden. Brede leefgemeenschappen, en dan bedoel ik niet gemeenschappen van alleen maar homoseksuele mannen, zouden hierin kunnen voorzien.

Straks gaat u samen met andere leden van de taakgroep naar kerkenraden en gemeenten die een revisieverzoek hebben ingediend. Wat verwacht u van die gesprekken?
Ik verwacht dat veel kerkenraden vooral bewogenheid hebben met homoseksuele gemeenteleden en hun worsteling en dat zij een uitweg zoeken om daar ruimte voor te vinden. Deze bewogenheid heeft, zoals eerder aangegeven, mijn grote respect. Ik denk echter dat zij de oplossing ten onrechte zoeken in een alternatieve uitleg van de Bijbelgedeeltes en anderzijds te weinig oog hebben voor de pastorale ruimte die de Bijbel laat voor het omgaan met en in de gebrokenheid. Graag zou ik daarover in gesprek gaan.

Hoe zou u een kerkenraad, die moeite heeft met de pastorale weg die de synode in 2013 al wees, willen adviseren?
Ik zou hen erop willen wijzen wat de betekenis van het kerkelijk pastoraat is, namelijk mensen op de weg van Christus brengen. Dat betekent je kruis op je nemen en Christus volgen. En als dat kruis te zwaar is, dan kunnen we als kerkenraad en gemeente helpen dit mee te dragen en geduld betrachten. Niet de positie ten opzichte van de weg bepaalt ons pastoraal handelen, maar de richting waarin we bewegen. Misschien moeten we elkaar helpen in het uithouden tot Christus weerkomt en alle dingen recht zal maken.

De synodes van 2013 en 2016 boden een duidelijke ethische lijn, maar toch ook pastorale ruimte. Hoe ziet die ruimte eruit?
Pastoraat wordt gekenmerkt door maatwerk, er is geen standaard die op iedereen past. Het is vooral goed luisteren, nabijkomen en samen de goede weg zoeken en gaan. Het heeft ook iets van het in de steek laten van 99 schapen om de ene te zoeken. En als je het vindt, verzorg het, verbind de wonden en neem het op je schouder mee terug.
Pastoraat wordt ook gekenmerkt door beslotenheid. Het vindt plaats in de vertrouwelijkheid tussen de pastor en de pastorant. Anderen hoeven daar niet meer van te weten dan in algemene zin om mee te kunnen leven en bidden. Het vraagt dan ook van de gemeente geestelijke draagkracht en vertrouwen in het pastorale handelen van de kerkenraad.
Op deze manier is er ruimte voor bewogen en geduldig pastoraat terwijl tegelijk de normen die de Bijbel aanreikt uitgangspunt blijven.  

Wat nu als de weg die we als kerken, op grond van Gods Woord, van onze leden willen vragen, nu leidt tot grote psychische druk? Zo erg, dat ze zichzelf verliezen in wanhoop.
In deze en ook andere situaties gaan zich dilemma’s voordoen waar twee kwaden met elkaar gaan strijden en er geen oplossing voor handen lijkt. Professor Douma noemt dat in zijn ethische verhandeling: botsing van plichten. We hebben dan een bepaald kwaad te accepteren om een groter kwaad af te wenden. Vroeger werd wel de tegenstelling gemaakt: situatie-ethiek versus norm-ethiek, waarbij de situatie-ethiek werd afgewezen (prof. Velema), en terecht. Maar ook binnen de norm-ethiek kunnen twee normen botsen en worden we soms genoodzaakt een keuze te maken. Zijn we als pastors en medegemeenteleden bereid om mee te lijden en te helpen het uit te houden in onze gebroken wereld?

Sluiten we als kerken niet juist kwetsbare leden buiten?
Ik ben van mening dat de besluiten van de GS niet het doel hebben leden buiten te sluiten. De synode heeft juist aandacht gevraagd voor erkenning van deze leden en opgeroepen als gemeente schuld te belijden over foute bejegening. Ze hebben een volwaardige plaats. Wanneer de leden verkeerde wegen gaan, en dat geldt alle leden, voor allerlei soorten dwalingen, dan wordt er heel zorgvuldig gehandeld om deze mensen bij de kerk te houden. Helaas geven sommigen geen gehoor aan de vermaningen en volharden in het kwaad. Het is de vraag of de kerk deze leden uitsluit of dat ze dat zelf doen.

Wat zou u tegen kerkenraden willen zeggen die aangeven: volgens ons zijn er bij ons geen homoseksuele leden?
Statistisch heeft 3% van de Nederlanders een homoseksuele identiteit. Uiteraard kent dat een variatie van heel uitgesproken tot wat diffuser. Ik kan me voorstellen dat in kerken waar de norm van God gehanteerd wordt minder mensen ‘uit de kast komen’, maar ik geloof zeker, al zal dit misschien geen 3% zijn, dat meerderen hiermee worstelen zonder dat anderen dit weten.

Hoe kunnen we als kerken een veilige plaats zijn voor homoseksuele broeders en zusters?
Mijns inziens is het vooral belangrijk een veilig klimaat te creëren. Het creëren van zo’n klimaat heeft te maken met attitudevorming. Ouders en predikanten zullen hierin een belangrijk voorbeeld moeten zijn. Spreek en schrijf erover. Laat het op catechisaties en verenigingen besproken worden. Jongeren kunnen zich nogal eens negatief uiten over homo’s; dat moeten we echt bestrijden. Het is goed als er voldoende veiligheid is om uit de kast te komen en dat er begrip is voor hun worsteling. Tegen mensen die worstelen met hun seksuele gerichtheid en bang zijn ervoor uit te komen zou ik willen zeggen: zoek een betrouwbaar gemeentelid op om het mee te delen.




 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker