Artikel
2017-06-23
Woordwerk: Kun je blij zijn met het kerkverband? Door Miranda Renkema

‘125 jaar CGK’. Een tijdje terug kondigde de redactie in een mail aan daarover een blad te willen maken, en daarbij voor de rubriek Woordwerk te denken aan vragen als: wat zegt de Bijbel over het kerkverband? En hoe moet je in dat licht omgaan met een jubileum? Kun je eigenlijk wel iets vieren als de kerk zo verdeeld is? En kun je blij zijn om CGK te zijn?


Dat zijn niet zulke makkelijk vragen, en ik heb er wat tegen aangehikt of ik het aan zou durven er hier iets over te zeggen. Maar ik wil de vragen die de redactie stelde toch maar proberen wat recht te doen, vanuit het getuigenis van de Schrift.   

Kostbaar
Allereerst maar dit: een kerkverband, dat is iets ontzettend moois! Iets kostbaars, dat alles te maken heeft met wat de kerk ten diepste is. Met de Heidelbergse Catechismus belijden we dat de kerk in wezen is: Christus aan het werk! De kerk, dat is dat Christus Zich uit het gehele menselijke geslacht een gemeente die tot het eeuwige leven uitverkoren is vergadert, en dat Hij die gemeente beschermt en onderhoudt. De kerk is ekklesia: geroepen gemeente. Geroepen uit de wereld, en als volk van God apart gezet om de grote daden te verkondigen van Hem die haar riep uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht.

In Mattheüs 16:18 zegt de Here Jezus na de belijdenis van Petrus dat Híj de Christus is, de Zoon van de levende God: ‘op deze rots zal Ik mijn gemeente (ekklesia) bouwen’. Een gemeente die Hij verzamelt door zijn verzoenend lijden en sterven, een volk dat zich onder zijn heerschappij laat brengen. En nou is het mooie dat dat woord ekklesia in het Nieuwe Testament zowel de grote allesomvattende kerk kan aanduiden, als de kleine lokale kerk, of een groep lokale kerken samen. De grote wereldwijde kerk mag die naam dragen, maar ook de kleine plaatselijke gemeente.

Daarin komt op een prachtige manier uit dat het uiteindelijk om één gemeente gaat, één volk dat Christus verzameld heeft. Christenen zijn broeders en zusters van elkaar, in welke plaats ze ook wonen. En dat merk je terug in de manier waarop Paulus en de andere apostelen de gemeenten aanspraken. In hun woorden proef je hoezeer het voor hen logisch was dat verschillende plaatselijke gemeenten zich met elkaar verbonden zouden weten en zich iets aan elkaar gelegen zouden laten liggen. Ik noem een paar voorbeelden.

Hulp en bescherming

De brieven aan de gemeente van Korinthe staan vol met vermaningen om de eenheid plaatselijk te bewaren, en die vermaningen gronden zich op de eenheid in Christus en de saamhorigheid van lokale gemeenten. In 1 Kor. 1: 12,13 is Paulus heel scherp over partijen die er in de gemeente waren ontstaan (‘ik ben van Paulus, en ik van Apollos, en ik van Kefas!’) en zegt: "Is Christus gedeeld?”. Hij vermaant de gemeenteleden in 1 Kor. 11: 16 om zich niet zo groot te maken, en doet dat met een verwijzing naar andere gemeenten: ‘Indien het er iemand om te doen is gelijk te hebben, wij hebben zulk een gewoonte niet, en evenmin de gemeenten Gods’. En in 1 Kor. 14: 36 haalt hij weer de verbondenheid met andere gemeenten aan als hij zegt: ‘Of is het woord Gods bij u begonnen? Of heeft het alleen u bereikt?’

Paulus laat de Korinthiërs nadrukkelijk weten dat hij overal hetzelfde evangelie verkondigt, en dezelfde verordeningen geeft in alle gemeenten. Zie bv. 1 Kor. 4: 17: ‘Hij zal u mijn wegen in Christus indachtig maken, zoals ik die overal in elke gemeente leer.’, 1 Kor. 7: 17: ‘laat ieder zo leven, als de Here hem toebedeeld heeft, zo als God hem geroepen heeft. Zo schrijf ik het in alle gemeenten voor.’, en 1 Kor. 14: 34: ‘zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen’. En op iets andere manier maakt hij de vergelijking met andere gemeenten ook in 1 Kor. 16: 1: ‘wat nu de inzameling voor de heiligen betreft, doet ook gij, evenals ik het in de gemeenten van Galatië geregeld heb’.

Dat laatste vers laat tegelijk iets anders zien, namelijk dat er samenwerking was van plaatselijke kerken en wederzijdse hulp, o.a. ten behoeve van de verzorging van de armen te Jeruzalem en de zending (vgl. 2 Kor. 8 en 9). Dit was alleen mogelijk omdat de kerken de eenheid in Christus en de roeping tot samenbinding verstonden en zich geroepen wisten tot concrete eenheid. Paulus spreekt op verschillende plaatsen van de roeping van broeders en zusters om elkaar te vermanen en te steunen, en je kunt vanuit het getuigenis van de Schrift zeggen dat die roeping niet alleen voor afzonderlijke gelovigen geldt, maar ook van kerken onderling. Een plaatselijke kerk heeft andere kerken nodig.

Dat is in het gereformeerde kerkrecht dan ook altijd de grond geweest onder het kerkverband. De gereformeerde kerken verdedigden de noodzaak daarvan op drie gronden: 1. vanwege de innerlijke eenheid van de kerk van Christus, 2. omdat de Heilige Schrift leert dat onderscheiden kerken elkaar moeten helpen en dienen, 3. om de vrijheid van de gemeente te waarborgen tegen heerszucht en willekeur van ambtsdragers. Plaatselijke gemeenten zijn volgens het gereformeerd kerkrecht geroepen om eenheid en samenwerking met andere kerken te zoeken opdat de kerken elkaar zouden steunen, wederkerig toezicht zouden oefenen en alles doen wat nodig is om kerk van Christus te zijn. Dat is het mooie, het kostbare, van het kerkverband: het aan elkaar gegeven zijn, om elkaar bij Christus te houden!

Verschillende kerkverbanden?
Maar ... bij dat spreken over onderlinge hulp en saamhorigheid ging het Nieuwe Testament natuurlijk niet uit van verschillende kerkverbanden naast elkaar! Het ging om één kerkverband! Eén kerk van Christus, uit allerlei verschillende achtergronden bijeengeroepen. Het meest treffend vind ik telkens de grote moeite die gedaan is om de kerk uit de Joden en de kerk uit de heiden-christenen bij elkaar te houden. Het was één van de grote vragen van de jonge kerk: hoe om te gaan met de bekeerlingen uit de heidenvolken? Na Pinksteren blijkt dat ook zij mogen horen bij het heil in Christus, maar hoe moest dat nou in de praktijk, die omgang tussen Jood en niet-Jood in de ene gemeente? Het was het onderwerp van het apostelconvent in Jeruzalem (Hand. 11), en ook in Galaten 2: 1-14 blijkt op pijnlijke manier iets van de moeite die het opleverde.  

Zou het niet veruit het gemakkelijkst zijn geweest om te zeggen: de achtergrond en cultuur van beide groepen christenen verschilt zóveel, laten we er twee kerken van maken, voor elke bloedgroep één, zodat beide in eigen kring het onderling goed kunnen hebben? Zo zouden wij het misschien wel gedaan hebben in onze tijd: de kerk opdelen in verschillende groepen, die rustig naast elkaar voortleven, ieder met zijn eigen specialiteit ... maar nee! Het is veelzeggend hoe er gevochten is om die twee groepen sámen te houden in de kerk. De felheid waarmee Paulus in Galaten 2 zijn broeders terechtwijst laat zien: hier is het ene evangelie in het geding, de ene Heer, de ene avondmaalstafel!

Christus heeft de twee één gemaakt
Het kán niet anders dan samen, want Chrístus is Eén ... en dan kan zijn kerk toch niet gedeeld zijn? In Efeze 2: 14 e.v. zegt Paulus over die twee groepen, de christenen uit de Joden en de christenen uit de heidenen: ‘Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft (...) om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen en de twee tot één lichaam verbonden weder met God te verzoenen door het kruis’. De eenheid ligt vast in Christus, die beide, Jood en Griek, met God verzoende, en de twee daarmee onherroepelijk samenbond.  

En dan volgt er in hoofdstuk 4: ‘Als gevangene in de Here vermaan ik u dan te wandelen waardig der roeping waarmede gij geroepen zijt (...) en u te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes: één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping, één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen.’ (Ef. 4: 1-6). In Christus is de kerk één, maar juist daarom, zegt Paulus, beijvert u dan ook voor die eenheid! Het vraagt actief investeren om samen te houden wat samen hoort.

En wij?
En dan vieren wij 125 jaar CGK. Wat een ontzettend andere situatie dan toen. Zoveel kerkscheuringen, zoveel kerkverbanden, en wij zijn er één (heel kleintje) van ... wat mag je, kan je dan vieren? Je mag dankbaar zijn, voor alle zegeningen die de Here gaf. Zoveel mensen die in deze kerken Christus hebben leren kennen, en er ook nu een veilige plek, in zijn huis vinden. Dankbaar voor trouw aan zijn Woord. Dankbaar voor liefde onderling, waar die er is, en moeite die gedaan wordt elkaar te verstaan waar dat moeilijk blijkt. Maar ... mag je het ‘vieren’ dat je 125 jaar een eigen kerk bent? Is het om te vieren?

Het gevaar is dat dankbaarheid om het goede gauw omslaat in blijdschap om het eigen gelijk. Het viel me op hoe prof. Van ‘t Spijker in een kort filmpje dat gemaakt werd ter ere van het 125-jarig voortbestaan van de CGK zorgvuldig formuleerde. Hij zei over 1892: ‘toen heeft er een vereniging plaatsgehad waaraan wij niet hebben meegedaan. Wij denken vaak aan onszelf als mensen die zijn staande gebleven; dat klinkt natuurlijk heel goed, maar wij zijn niet met die vereniging meegegaan. Er waren enige bezwaren (...) en dat resulteerde voor wat de christelijke gereformeerde minderheid betreft in de opmerking dat op dit moment de tijd nog niet rijp was.’

Verootmoediging
En, voegde hij er aan toe: ‘‘nu nog niet’, staat er, ‘nu nog niet’, dat is een zegswijze die heel vaak in onze kerken weerklonken heeft, ‘nu nog niet’.’ Daarmee wees hij fijnzinnig op iets wezenlijks dat ons vieren moet kleuren. Als je zegt: ‘de tijd is nog niet rijp’, dan impliceert dat de erkenning dat je je daarnaar wél uitstrekt, dan vraagt dat om een voortdurend je afvragen wanneer de tijd dan wél rijp is. Het impliceert verdriet om het ‘nog niet’, en verootmoediging. Er past ons in ieder geval geen enkele trots bij zo’n jubileum. Dankbaarheid voor het goede dat de Here gaf, maar ook schuldbelijdenis, en een ons beijveren om de eenheid van de Geest.   

Is dat er inderdaad? Of doet het ons eigenlijk niet zoveel dat de kerk gebroken is? En zeggen we: de kerk is principieel toch al één, in Christus, het komt er niet zo op aan of dat in haar concrete bestaan blijkt. De kerk is één, zeker, en eens zal dat voor ieder (tot beschaming?) openbaar worden, maar maakt het daarom niet meer uit of ze nu ook concreet, zichtbaar één is? Als het gaat om de heiligheid van de kerk, dan zeggen we toch niet: de kerk is heilig (dat belijden we), en nu maakt het niet zo veel meer uit of ze ook daadwerkelijk heilig lééft? Waarom doen we dat met de eenheid van de kerk dan wel? Mogen we soms bij de zonde blijven opdat de genade toeneme?

De kerk is niet van ons
Het helpt om steeds te bedenken dat de kerk niet van ons is, maar van Christus. En dat we in de kerk innig aan elkaar verbonden zijn, omdat we innig aan Hém verbonden zijn. Hij heeft ons uit genade opgenomen in zijn gemeente, en als je zelf leeft van genade, dan maakt dat heel klein, en komt er ruimte voor anderen die van diezelfde genade afhankelijk zijn. Zoals ik ergens las: als woestijnreizigers die elkaar ontmoeten bij de bron.

Christus die wij in ons kerkverband belijden is tegelijk Koning van een wereldwijde gemeenschap, die onze eigenheid ver te boven gaat. Dat geeft aan ons vieren een bijzondere kleur; het maakt dankbaar, bescheiden, en leert bidden: ‘Uw koninkrijk kome ...’

Miranda Renkema is theologe en maakte tot voor kort deel uit van de redactie van De Wekker



 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker