Artikel
2017-06-23
Nader bekeken: Identiteit door A. Versluis

Een jubileum is een moment om terug te kijken. Dit jaar bestaan de Christelijke Gereformeerde Kerken 125 jaar; of eigenlijk bestaan ze ‘voort’, zoals het officieel heet, omdat onze wortels verder teruggaan. Als je terugkijkt naar het verleden, komt ook de vraag op waarom deze kerken zijn ontstaan en nog steeds bestaan. Wat is onze identiteit?

Wij christelijk-gereformeerden zijn niet zo van het ‘eigene’ van ons kerkverband. Het eigene van de CGK is vooral dat we niets eigens hebben. De CGK is nooit sterk geweest in het opzetten van speciaal christelijk-gereformeerde organisaties of scholen. Een eigen leer of leeruitspraken kennen we evenmin. Ook daar kun je natuurlijk tevreden mee zijn, op gepaste of iets minder gepaste wijze. De mooiste omschrijving is dan misschien dat je maar het beste ‘gewoon’ christelijk-gereformeerd kunt zijn. Inhoudelijk genoeg hebben aan Schrift en belijdenis, en die voluit en in hun geheel serieus nemen.

Identiteit onder druk

Voor jongere generaties speelt de betrokkenheid bij het kerkverband steeds minder een rol. Ds. J.H. Velema heeft twee keer een boek geschreven over de CGK: ‘Wat is Christelijk Gereformeerd?’ in 1947 en ‘Wie zijn wij?’ in 1991. In het laatste boek staan bijvoorbeeld een heel ABC met eigenschappen van christelijk-gereformeerde prediking en overzichten van de verschillen tussen de CGK en andere kerkverbanden. Zo’n boek zou in onze tijd niet meer verschijnen, vermoed ik. Waar er vroeger een bepaalde zelfverzekerdheid kon zijn over het eigen kerkverband, ervaren wij nu veel meer verlegenheid met het kerkverband.
Die ontwikkeling is wel te verklaren. De situatie van christenen in de samenleving is immers ingrijpend anders geworden. Christenen vormen in Nederland een minderheid, met wie steeds minder rekening wordt gehouden. Je bent blij als je in een seculiere omgeving een medechristen ontmoet; of iemand ook gereformeerd is of tot welk kerkverband hij behoort, is dan minder van belang. Bovendien binden moderne mensen zich niet graag aan vaste structuren. Veel verenigingen en organisaties hebben moeite om leden te vinden of vast te houden. Een landelijk kerkverband staat in een dynamische en open samenleving ver af van hoe mensen hun identiteit ervaren. De plaatselijke gemeente is dan nog wel van belang, maar we vinden het eigenlijk niet zo belangrijk welke naam daarbij hoort.
Het is winst als we op een meer open en milde wijze met andere christenen omgaan dan in het verleden wel het geval was. Maar het is wel de vraag of het alleen maar winst is. Het zou heel goed kunnen dat ook gebrek aan kennis en een bepaalde onverschilligheid over inhoudelijke verschillen meespelen. Hebben wij het onderscheidingsvermogen om dwaling te doorzien en de moed om het eerlijk te benoemen? Kerk-zijn is ook koers houden; vriendelijkheid naar anderen is goed, vrijblijvendheid over opvattingen niet.

Identiteit en anderen
Identiteit wordt altijd mede gevormd in de verhouding tot anderen. In het verleden is de kerkelijke identiteit vaak gemarkeerd door polemieken, bijvoorbeeld over de verbondsleer of de toe-eigening van het heil. Tegenwoordig zoeken we als kerken vooral verbondenheid en samenwerking met andere kerkverbanden. Ook dan hebben ontwikkelingen in andere kerken echter wel gevolgen voor de CGK.
In dat licht zijn de recente besluiten van de generale synode van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt ook voor ons van belang. De GKv besloten op 16 en 17 juni om alle ambten open te stellen voor de vrouw en om concrete stappen te zetten naar eenwording met de Nederlands Gereformeerde Kerken.
Wat een buitenstaander vooral verbaast, is de snelheid waarmee het denken over de positie van de vrouw in deze kerken veranderd is. Tot en met 2011 was het voor de GKv een serieuze barrière dat de NGK de vrouw in het ambt hadden. Van vrijgemaakte zijde werd het afwijzen van de vrouw in het ambt beschouwd als een kenmerk van echt gereformeerd-zijn. Nu zijn met een zekere vanzelfsprekendheid alle ambten opengesteld voor de vrouw. Zelfs van een gefaseerde invoering, zoals het moderamen voorstelde, is geen sprake. Wachten vanwege broeders en zusters die zich ernstig bezwaard voelen over deze besluiten lijkt geen optie meer.

Luisteren
Bij dergelijke ingrijpende besluiten is uiteraard de motivering van groot belang. Het mag beslist gewaardeerd worden dat de vrijgemaakte synode deze besluiten níet genomen heeft op basis van het rapport op hun vorige synode. Daarin speelde de huidige cultuur een dusdanig grote rol dat door onze deputaten eenheid is opgemerkt dat dat rapport zich bewoog vlak langs de afgrond van de Schriftkritiek, en misschien wel net over die rand. We mogen met dankbaarheid vaststellen dat die weg is afgewezen.

Dat neemt niet weg dat er genoeg vragen te stellen zijn bij het rapport op grond waarvan de vrijgemaakte synode nu haar besluiten heeft genomen. De volledige motivatie is overigens nog niet beschikbaar, want die is ter synode nog aangevuld. Een belangrijke reden waarom onze kerken geen vrouwelijke ambtsdragers hebben, zijn de teksten waarin expliciet staat dat vrouwen in de gemeente geen onderwijs zullen geven (1 Kor. 14: 34; 1 Tim. 2: 11-12). Blijkbaar was dat voor Paulus geen tegenstelling met de boodschap dat in Christus noch man, noch vrouw is (Gal. 3: 28). Volgens het deputatenrapport van de GKv is het niet duidelijk wat Paulus in deze ‘zwijgteksten’ precies bedoelt. Wat deze teksten precies betekenen voor onze tijd, is hen ook niet duidelijk. Aan het slot van het rapport vragen de deputaten wel om nadere bezinning hoe recht gedaan kan worden aan de verschillen tussen man en vrouw in de vervulling van taken en ambten in de gemeente. Blijkbaar is dat echter geen belemmering om alle ambten open te stellen voor de zusters der gemeente.  
Ik vind het moeilijk te begrijpen dat een synode zo’n verstrekkend besluit neemt, waarmee men afstand neemt van het eigen verleden, van zusterkerken, van de vrijwel unanieme, eeuwenlange overtuiging van de wereldkerk, terwijl men toegeeft dat men niet weet wat relevante Schriftgegevens te betekenen hebben. In dat geval is de aangewezen weg toch om langer te luisteren en eerst te vragen wat die gedeelten ons dan wel te zeggen hebben. Anders loop je toch het gevaar van selectief Schriftgebruik. Nu wordt het onderscheid tussen man en vrouw, zoals het Nieuwe Testament dat maakt, op geen enkele manier concreet ingevuld. Het is weinig geloofwaardig dat de kerk in het verleden altijd anders heeft gedacht omdat ze steeds ‘cultuurvolgend’ zou zijn geweest. Het heeft er meer van weg dat de gegroeide praktijk in de kerken en de huidige, seculiere cultuur van grote invloed zijn geweest op de voorstellen van de vrijgemaakte deputaten.

Ik weet niet of ter synode ook de consequenties van dit besluit voor samenwerking met andere kerken zijn overwogen. Voor samenwerkingsgemeenten CGK-GKV zal de situatie niet eenvoudiger worden. De CGK hebben zich in 1998 immers anders uitgesproken over deze vragen (‘Vrouw en ambt’, 1998; ‘Dienst van de vrouw’, 2001). Hoewel de kerkelijke afspraken voor zo’n situatie duidelijk zijn, namelijk dat in samenwerkingsgemeenten de ‘nauwste’ kerkorde geldt, zal dat mogelijke spanning in (samenwerkings)gemeenten niet voorkomen.

Onze identiteit
De snelle omslag in een verwant kerkverband roept de vraag op welke processen zich in de kerken afspelen onder de oppervlakte van synodale besluiten. Dat geeft ook ons als Christelijke Gereformeerde Kerken genoeg huiswerk mee. Hoe stevig is onze identiteit eigenlijk? Daarmee bedoel ik niet dat de identiteit van een kerk primair ligt in bepaalde besluiten. De identiteit van de kerk ligt in haar Heere, Jezus Christus. Tegelijk laten besluiten wel zien hoe je met de Schriften omgaat. Het is niet zomaar aan ons hoe wij de kerk willen inrichten; het gaat om gehoorzaamheid aan Christus als koning.
We hoeven ons niet te beroemen op iets ‘eigens’ van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Er mankeert genoeg aan de CGK. Maar in deze kerken heeft de levende God ons geplaatst en we mogen het vele goede dat Hij ons er geeft dankbaar ontvangen. De ene, heilige, katholieke, christelijke kerk krijgt voor ons concreet gestalte in de plaatselijke gemeente en in dit kerkverband. Het bestaansrecht van onze kerken ligt niet in het afbakenen van een denominatie, maar in het belijden van de kerk, trouw en gehoorzaam aan het Woord van God. De enige lof die telt, is die van de Heere Christus: ‘U hebt Mijn Woord bewaard.’ (Opb. 3: 8).

Ds. A. Versluis is predikant te Ouderkerk aan de Amstel en hoofdredacteur van De Wekker





 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker