Artikel
2017-06-09
Pastoraal: Volharding(I): Bijbelse lijnen door H. Peet

Geloven is vaak opboksen tegen de tijdgeest.  We hebben de wind meer tegen dan mee. De golven gaan soms hoog en beuken ongenadig tegen het kwetsbare scheepje van het geloof. Het gebindte kraakt soms gevaarlijk en regelmatig houd je je hart vast. Zal mijn geloofsscheepje niet wegzinken in de golven, zonder ooit de veilige haven te bereiken?

    
Toch gaat dit scheepje dat het zo zwaar te verduren heeft, niet ten onder. Het mag dan wel hevig heen en weer geslingerd worden, maar de golven zullen het toch niet winnen. Het geheim ligt in de diepte. Het ware geloof is verbonden met goede grond. Het mag ankeren in de vaste grond van Gods trouw. Mijn geloof kan het wel af laten weten, maar Zijn trouw laat het nooit afweten.
Daarom leidt het ware geloof geen schipbreuk, maar wordt het aanschouwen in het nieuwe Jeruzalem. De Heere is zo getrouw als sterk! Hij legt Zijn machtige Vaderhanden beschermend om het geloof. Daarom blijft geloof geloof hoezeer het soms ook onder vuur komt te liggen. God staat in voor Zijn eigen werk. Daarom kan een echte gelovige nooit definitief van zijn geloof afvallen. Het echte geloof is altijd volhardend geloof! Wie door de Heilige Geest is wedergeboren en echt tot geloof gekomen is, zal dat tot het einde van zijn leven blijven.  In het vervolg wil  ik u aan de hand van enkele voorbeelden laten zien dat de Bijbel alle aanleiding geeft om zo over het karakter van het geloof te spreken.  

In Gods handen

David verkeerde ook meer dan eens in zwaar weer. Zo spreekt hij in Ps. 138: 7 over het verkeren in benauwdheid. Toch wordt het hem dan niet bang te moede. Hij weet dat God hem in bescherming neemt. Daar is Gods linkerhand die hem in bescherming neemt tegen de toorn van zijn vijanden. Eén beweging van die hand is voldoende om de vijanden te doen terugdeinzen. Tegelijk weet David van Gods heilrijke rechterhand. Van die hand zegt David in hetzelfde vers: Uw rechterhand verlost mij. David weet van de verlossende macht van Gods rechterhand waardoor hij zich veilig mag weten al het woeden van de vijand ten spijt.

Met beide handen is God dus in de weer voor David: Hij heeft er met eerbied gesproken Zijn handen vol aan! Maar zo is David dan ook volstrekt veilig. Nu krijgt geen vijand een vinger achter de deur van zijn leven.  Wie bij David wil komen, zal eerst Gods machtige hand moeten trotseren en dat is uiteraard tot mislukken gedoemd. David hoeft zichzelf niet overeind te houden in de strijd. David hoeft niet te zeggen: ik zal. Hij mag alles aan zijn God overdoen: de Heere zal! God zal Zijn werk in het leven van David voltooien.

Waarom David daar zo zeker van is? David belijdt: Uw goedertierenheid, Heere, is voor eeuwig (vs. 8).  Gods goedertierenheid heeft niet het karakter van een ééndagsvlieg maar blijft altijd. Gods goedertierenheid heeft zo’n ontstellend lange adem. Een veel langere adem dan Davids vijanden! Wat zullen ze dan ook tegen Hem uitrichten? God kan Zichzelf niet verloochenen. Daar mag David nu goed mee zijn.

Leunt David nu vervolgens rustig achterover om gerustgesteld vast te stellen: ik ben binnen, mij kan niks meer gebeuren? De trouw van de Heere is geen rustbed om op te luieren! Het is voor David een pleitgrond die ruimte geeft voor gebed. David leunt niet achterover maar buigt voorover om God aan te roepen: laat niet varen de werken van Uw handen (!). Met andere woorden: laten Uw handen steeds weer voor mij in beweging komen. Biddend mag hij groeien in het vertrouwen dat hij voor altijd gered is.

Onder de hoede van de Herder

In Joh. 10 spreekt Jezus over Zichzelf als de goede Herder. Hij signaleert vijanden die het op Zijn schapen gemunt hebben. Er zijn dieven die erop uit zijn om de schapen te roven en te slachten (vs. 10). Hij contrasteert Zichzelf met de figuur van de huurling die de benen neemt als het gevaarlijk wordt. Als het maar een beetje spannend wordt, laat hij de kudde aan zijn lot over en gaat hij er vandoor (vs. 12).

De Heiland is uit volstrekt ander hout gesneden. Hij staat juist voor de kudde in. Hij verzekert Zijn schapen ervan dat ze in eeuwigheid niet verloren zullen gaan, maar het eeuwige leven zullen ontvangen. Zij mogen hiervan volstrekt zeker zijn omdat niemand ze uit Zijn hand kan rukken (vs. 28). Jezus gaat niet op de loop als het gevaarlijk wordt. Hij is geen huurling maar herder! Het blijkt wat Zijn bewaring waard is. Geen dief of rover kan zijn schapen aan Zijn zorg en bescherming onttrekken. Elke vijand moet het afleggen tegen de hand die zelfs de dood overwon. Niets en niemand zal dan ook scheiden van de liefde van de Herder!

In vers 29 gaat Jezus nog een stap verder. Daar blijkt dat niet alleen de hand van de Herder om de schapen is, maar ook nog eens de hand van de Vader. Zou een schaap die de stem van de Herder mag gehoorzamen en volgen ooit veiliger kunnen zijn dan zo? Hun leven is met Christus verborgen in God. Nu kan het ook niet anders dan dat de schapen blijven horen, blijven volgen. Omvangen door de hand van God, door de hand van Christus zijn ze wel bewaard.  

Tot de dag van Christus

In Fil. 1 toont Paulus zich dankbaar voor het feit dat de Filippenzen gemeenschap hebben gekregen aan het Evangelie. Ze mochten die boodschap in geloof aanvaarden en stelden zich ook in dienst van de verbreiding van dat Evangelie (vs. 5). Paulus is daar God intens dankbaar voor. Hij weet namelijk maar al te goed dat dit geen prestatie is van de Filippenzen,  maar gratie van God Zelf.
Om die reden is Paulus er diep van overtuigd dat de Heere het werk dat Hij onder hen begonnen is, ook zal afmaken tot op de dag van Christus. God levert geen half werk. Het is niet zo dat Hij ergens aan begint en het vervolgens erbij laat zitten. Het tegendeel is het geval. God blijft met de Filippenzen bezig tot ze op de dag van Christus de volkomen verlossing mogen genieten.
Ook voor Paulus betekent dit niet dat hij denkt: binnen is binnen. Nu hoef ik niets meer voor te ze vragen en hoef ik ze ook niet meer te vermanen. Het tegendeel is het geval. In vers 9 bidt hij al weer voor de gemeente of ze overvloediger mogen worden in de liefde. En in het vervolg van de brief klinken ook allerlei vermaningen. Juist omdat hij weet van Gods werk in hun leven verlangt hij er ook naar dat dit steeds meer aan het licht komt.

Bewaring verzekerd

Een passage uit 1 Petr. 1 is bijzonder treffend. Deze woorden zijn geschreven bij het schijnsel van het vuur van de beproeving (vs. 6v). Toch doet het Petrus geen toontje lager zingen. Petrus prijst God voor het nieuwe leven dat Hij in Zijn barmhartigheid aan de vreemdelingen in Klein-Azië schonk en waaraan het te danken is dat zij mogen leven met hoop.

Petrus weet dat deze hoop geen ijdele hoop is. Het mag de hoop zijn op een erfenis die in de hemel voor hen wordt bewaard (vs. 4). Petrus is er zeker van dat ze die erfenis niet mis zullen lopen. In de hemel wordt namelijk niet alleen de erfenis voor hen bewaard. Ook zijzelf worden in de kracht van God voor de erfenis bewaard (vs. 5). Nu de erfenis bewaard wordt voor hen en zij voor de erfenis kan het niet anders dan dat zij die hemelse erfenis zullen ontvangen! De kracht van God is erop berekend om de gelovigen zo in bescherming te nemen dat zij de erfenis onmogelijk kunnen mislopen.

Vanwege die bewaring kan het geloof dan ook de vuurgloed van de beproeving dragen. Het geloof zal in de beproeving niet in vlammen opgaan maar juist meer gaan glanzen. Het vuur zal onzuivere elementen wegbranden en ervoor zorgen dat het geloof steeds meer wordt wat ze wezen moet. Gods werk is vuurvast. Dankzij Gods bewaring  wordt nota bene in de beproeving geloof juist steeds meer geloof. De beproeving voert het niet bij de erfenis vandaan maar brengt er juist dichterbij!

Eens Gods kind altijd Zijn kind!
Uit deze summiere opsomming van Bijbelse gegevens blijkt dat J.C. Ryle terecht stelt: ‘eens in Christus is altijd in Christus’. Wie door genade eens tot kind van God is aangenomen, zal dat altijd blijven. Wie de Heilige Geest heeft ontvangen, kan die genade nooit meer verliezen. Wie eens vergeving heeft ontvangen, blijft altijd in die vergeving delen. Wie eenmaal door een levend geloof met Christus verenigd is, kan de eenheid met Hem nooit meer verliezen. Wie genade van God ontving, zal dan ook vroeg of laat de eeuwige heerlijkheid binnen gaan.

In de leer van de kerk duiden we dit vaak aan als de volharding der heiligen (zie hfst. 5 D.L.). God bewaart de zijnen bij het geloof en juist daarom zullen ze blijven geloven tot hun laatste snik! In een volgend artikel wil ik u laten zien hoe de Vader, de Zoon en de Heilige Geest elk op eigen wijze hierin hun aandeel hebben.

Ds. H. Peet is predikant te Bunschoten


 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker