Artikel
2017-08-04
Woordwerk: Zon en zunig Door J.G. Schenau

Wij Zeeuwen hebben het over ‘het land waar het leven goed is’. Zo is Zeeland de Nederlandse provincie met aantoonbaar de meeste zonuren. Je hebt er ook overheerlijke bolussen. Ja, er valt veel te genieten. Het verbaast ons niks dat hier jaarlijks honderdduizenden gasten neerstrijken, vooral natuurlijk in de zomer. Tegelijk noemt de Zeeuw zich ‘zunig’. Hij hoeft zelf niet zo nodig alles wat kan. Is dat de volksaard? Is het de strijd met het water, die in de loop der eeuwen regelmatig verloren werd, en er het stempel van betrekkelijkheid en vergankelijkheid op heeft gedrukt? Heeft het te maken met het Calvinisme dat hier nog sterk vertegenwoordigd is?

In welke provincie we ook wonen, het woord ‘genieten’ spreekt tot de verbeelding. Aan de ene kant trekt het ons aan, aan de andere kant voel je iets van spanning. Zon is mooi, maar zonde niet. En kan ík genieten, als ik weet dat zoveel mensen in de wereld tekortkomen? Vraagt dat spanningsveld niet tenminste om een wat zuinig genieten? Een aantal Bijbelse lijnen.

Het volle leven
Het woord ‘genieten’ komt in de Bijbel niet overdreven vaak voor, maar als je er verwante woorden bij optelt, is er maar één conclusie mogelijk: genieten mag. Denk aan woorden als ‘vreugde’, ‘vrolijkheid’ en ‘blijdschap’, ‘het goede’ en ‘lust’, die veel vaker voorkomen. Vooral in het Oude Testament. Het gaat dan over het opdoen van aangename indrukken en ervaringen, met gebruik van al je zintuigen. We laten de Prediker aan het woord: "Ga uw weg, eet uw brood met blijdschap (smaak), drink uw wijn met een vrolijk hart (reuk en smaak), want God schept al behagen in uw werken. Laat uw kleding te allen tijde wit zijn (zien) een laat op uw hoofd geen olie ontbreken (reuk). Geniet van het leven met de vrouw die u liefhebt (alle zintuigen), al de dagen van uw vluchtige leven…” (9:7-9a).

Zo is een bron van vreugde: een goed glas wijn (Ps.104:15), gezondheid (Jes.38:20), een rijke oogst (Deut.12:18), maar ook een kind dat verstandige keuzes maakt (Spr.23:24,25). Het boek Hooglied wil allereerst gelezen worden als een loflied op de liefde van een stel, die bepaald ook zintuiglijk wordt beleefd (bijv. 4:9-11). En de feesten van Israël (Lev.23)! Elk jaar drie keer uitgenodigd worden om eens even in een andere omgeving te zijn, andere mensen te ontmoeten, gastvrijheid te genieten, muziek en zang onderweg. Met in je hart de vreugde om wat God gaf op de akker en in de geschiedenis.

Voor Gods aangezicht
Want dat moet ook duidelijk zijn. Het Bijbelse genieten is geheel bepaald door het kennen en dienen van de HERE God. Het zijn de werken van Zijn schepping, onderhouding, verlossing en regering waarover men zich verheugt. Ze worden gevierd ‘voor Zijn aangezicht’ (Deut.12:7). Buiten de HERE om wordt genieten heidens hedonisme (van het Griekse ‘hèdonè’ = genot). Genotzucht, zonder zelftucht en al helemaal zonder Godsvrucht. De Prediker had al aangegeven, hoe leeg dat is (2:4-11). Voorspoed is een zegen op gehoorzaamheid (Deut.28:11). Gods oordeel over ongehoorzaamheid kan bestaan in het verstommen van de stem van de vreugde, van de bruidegom en de bruid (Jer.7:34). Al heeft Job moeten ervaren dat het in de praktijk van het leven soms veel ingewikkelder ligt (Job 30:26).

Hoe dan ook, zo komen we de aard van het gelovig genieten op het spoor. Prediker gebruikt een woord, dat ‘intensief zien’ betekent: voor zoiets als ‘mindfulness’ hoeft geen mens buiten de Bijbel te zoeken! De dingen zien, zoals ze wezenlijk zijn: door God geschapen en gegeven en opgenomen in een orde. En een ander woord, dat Prediker voor genieten gebruikt, betekent ‘zich vermeien’. Dat is de kunst om je van het voorhandene te laten meevoeren in het grotere verband waarin de dingen zijn gesteld: Gods éigen genieten van zijn werken (Gen.1:31), Zijn verbond met Zijn volk en Zijn weg met de wereld. Genieten is, je dááraan haast te verliezen. Haast, niet helemaal. Dat zou extase betekenen. Dan nemen de machten je zintuigen zomaar over en ligt inderdaad de zonde op de loer. We hebben ook in ons genieten een Heer nodig, de Here Jezus en Zijn Geest.

De Koning te rijk

Op het eerste gezicht lijkt in het Nieuwe Testament de vreugde minder uitbundig, meer verstild en verinnerlijkt. Het genieten minder aards, meer op de hemel gericht, en zo ook meer toekomstig. Als er sprake is van een accentsverschil, valt dat wel te verklaren. Het verbond met Israël krijgt hier de verbreding van het wereldwijde Koninkrijk. Het beloofde land Kanaän was aanwijsbaar op de kaart, uiteindelijk belooft God Zijn kinderen een beter, hemels vaderland (Hebr.11:16). Dat is inderdaad toekomstmuziek. Nu zucht de schepping nog (Rom.8:22), en Gods kinderen zuchten mee (Rom.8:23).

Maar vergis u niet! Het volk van het Nieuwe Verbond is er echt niet op achteruit gegaan. Integendeel. In zonde gevallen mensen blijken steeds weer de weelde van het genieten niet te kunnen dragen. Wij willen het wel goed hébben, maar het goede dóen… Om dat te kunnen, moeten we weer goed wórden. Daartoe moest de Here Jezus naar de wereld komen, om als de laatste Adam de schuld dragen en de Geest verwerven. De liefde van de Here Jezus en die van de Vader zijn nu een bron van een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde (1 Petr.1:8). Wie gelooft en zich bekeert, leert door de Geest een nieuwe blijdschap (Gal.5:22). Dan rijmt genieten op genade. Je zult je in Christus de Koning te rijk weten.

Het is vooral het Lukasevangelie, dat het evangelie van de blijdschap mag heten. En dan wordt Maria’s persoonlijke blijdschap (1:47) er in de engelenzang (over uitbundig gesproken!) spoedig een voor de hele wereld (2:10). Dan staat ook hier het lege genieten van de rijke dwaas (12:19) in schril contrast tot het feest van de wachtende vader die zijn verloren zoon in zijn armen sloot (15:23). Ook na opstanding en hemelvaart van de Here Jezus blijft tenslotte de blijdschap over (24:41 en 52).

In dat licht en als teken van het komende Koninkrijk schetst ook het Nieuwe Testament aards geluk. Denk alleen aan de wonderen van de Here Jezus. Op de bruiloft in Kana redde Hij het feest en klonk de stem van bruidegom en bruid ineens weer vrolijk en blij. En dan staat er, dat Hij dit deed als begin van Zijn tekenen (Joh.2:11). Dít, de vreugde van een bruiloftsfeest, dít is de toekomst (Openb.19:7).

Denk ook aan Zijn genezingswonderen. Die blinde in Betsaïda (Mark.8:22-26) moest niet de mensen als bomen zien, hij moest de mensen én de bomen zien. De dove moest niet alleen het verlossende Woord horen (Mark.7:34), maar ook de muziek van Bach. De verlamde, die door de naam van Jezus weer lopen kon (Hand.3:6), moest niet alleen de tempel in kunnen rennen, maar ook de atletiekbaan op. En de tien melaatsen, die Jezus genas, waren uiteraard blij met hun gezondheidsverklaring door de priester (Luk.17:14), maar vast toch ook dat hun lichaam weer onbekommerd door een geliefde gestreeld kon worden. Juist ook daarom blijft het zo verdrietig dat er maar eentje bij de Here Jezus terugkwam om God de eer te geven…

De Here Jezus zelf liet zich graag uitnodigen voor een diner. Hij liet zich het eten en drinken zelfs zo welgevallen dat ze Hem een ‘vraatzuchtig mens en een drinker’ noemden (Luk.7:34). En niet minder dan Abraham, Salomo en Job mogen nieuwtestamentische gelovigen genieten van hun rijkdom (1 Tim.6:17). Als zij er maar niet hoogmoedig mee worden en hun hoop blijven stellen op God. Je blijdschap moet namelijk wel blijdschap kunnen blijven ‘in de Here’ (Fil.4:4).

Christelijk hedonisme?
Even tussendoor, zouden we van een ‘christelijk hedonisme’ kunnen spreken? De bekende Amerikaanse predikant John Piper pleit daarvoor. Hij bedoelt daarmee overigens meer dan christelijk genieten van het geschapen leven. Zijn motto is: ‘God wordt in ons het meest verheerlijkt, als wij onze diepste voldoening vinden in Hem’. Dan is het toppunt van genot dus het erkennen van de heerlijkheid van God en het genieten van de omgang met Hem. Piper kan zich daarbij beroepen op vele psalmteksten. Proef en zie dat de HERE goed is… zingt Psalm 34.

Piper heeft veel geleerd van de 18e-eeuwse Amerikaanse puritein Jonathan Edwards. Ook is er verwantschap met wat Augustinus en Calvijn over het genieten van het goede leven hebben geschreven, al valt daar nog wel wat meer over te zeggen. Maar dat voert nu te ver.

Ik weet niet, of het verstandig is ‘christelijk’ en ‘hedonisme’ zo aan elkaar te verbinden. Je vindt het hedonisme onder andere bij de filosofen op de Areopagus in Athene. Die maken Paulus uit voor een ‘praatjesmaker’… (Hand.17:18). Daar komt bij, dat we God zelf als de ene Goede (Mark.10:18) wel van Zijn aardse goed moeten blijven onderscheiden. Weldadig was het, dat Annemarie Pronk – winnares van Heel Holland Bakt 2016 – op de nationale televisie een van haar lekkernijen bewust noemde naar precies die beginwoorden van Psalm 34:9: ‘Proef en zie’.

Tot Gods eer
Wat we wel in heel de Schrift leren, is dat God zelf de bron, de norm en het doel van al ons genieten blijft. Dat kan ook niet anders, want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen (Rom.11:36). Ook wijzelf zijn met geen ander doel geschapen dan Hem de eer te geven (1 Kor.10:31). Dat geeft christelijk genieten een aantal typische eigenschappen.

Dankbaarheid
"Want alles wat God geschapen heeft is goed en niets is verwerpelijk, wanneer het onder dankzegging aanvaard wordt…” (1 Tim.4:4). Dankzegging betekent: geen rechten hebben. Als voedsel en kleding ons genoeg zijn (1 Tim.6:8), dan is de rest toegift. Als we die zouden moeten missen - al zou de vijgeboom niet in bloei staan… dan rest nóg de vreugde ‘in de God van mijn heil’ (Hab.3:17,18). Dat is een moeilijke les. Het is de leerschool van Job: ‘Zouden wij het goede wel van God ontvangen en het kwade niet?’ (Job 2:10).

Verantwoordelijkheid
Dankbaarheid zal zich intussen ook uiten in de gehoorzaamheid aan Gods geboden: "… want (wat wij in dankzegging aanvaarden) het wordt geheiligd door het Woord van God en door het gebed” (1 Tim.4:5). We zullen de grenzen van het Koninkrijk in acht nemen en maat weten te houden. Geen eigen rechten, wij zijn geen eigenaar van wat we genieten mogen. Als we genieten, doen we dat als rentmeesters. Met zorg ook voor al het geschapene, in het besef dat we eens verantwoording moeten afleggen. Zoals de Prediker al zei (12:14).

Voorlopigheid  
Het goede leven is nog niet het beste leven. Dat komt nog. Daarom zullen wij ‘bezitten, als niet bezittend’ (1 Kor.7:29-31). Dr. A. de Reuver vatte wat Calvijn schreef over de overdenking van het toekomstige leven eens zo samen: het vóór-handene mag er zijn, maar het óp-handene domineert. Het is de wederkomst van de Here Jezus Christus in heerlijkheid, die de genieting van het aardse leven betrekkelijk maakt. Dat is ook een troost voor hen voor wie er in dit leven niet zoveel, of zelfs heel weinig te genieten valt. Ook in de voorlopigheid blijft de Here Jezus de Leidsman en Voleinder van het geloof. Hij heeft om de vreugde die Hem in het vooruitzicht was gesteld, het kruis verdragen… (Hebr.12:2).

Mededeelzaamheid
En dat dat geen goedkope troost is, maken christelijke levensgenieters zichtbaar met hun zorg in de naam van Jezus voor de armen en voor hen die op andere manieren tekortkomen. Zo ging het al op de feesten in Israël: niet alleen het eigen gezin beleefde vrolijkheid voor het aangezicht van de Here, maar samen met de Leviet, de wees, de weduwe en de vreemdeling (Deut.26:11,12). De nood van de wereld moet bij ons altijd de vraag oproepen: wat kan ik doen? En daarna: wat kan ik nog meer doen? Toch hoeft de nood van de wereld geen verstikkende deken te zijn over het eigen genieten: Job gunde én de armen hun deel (31:16) én zijn eigen kinderen hun feest (1:4). Een blijmoedige gever (2 Kor.9:7) mag vrijmoedig genieten. Die zal namelijk weten, dat geven sowieso blijer maakt dan ontvangen (Hand.20:35).

ds. J.G. Schenau is predikant van Goes (en import- Zeeuw)

 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker