Artikel
2017-10-13
Nader bekeken: Schepper en evolutie? door A. Versluis

Het debat over schepping en evolutie is goed op gang. Belangrijkste aanleiding is het boek van prof. Gijsbert van den Brink waarin hij berekent wat het ‘kost’ als de evolutietheorie waar zou zijn. Daarnaast verscheen een boek van prof. Mart-Jan Paul over dezelfde materie. De conclusies verschillen, maar de auteurs delen ook veel.

Het is mooi dat deze boeken een goed en actueel overzicht bieden van de relevante vragen rondom schepping en evolutie, met verwerking van veel literatuur. Zeker studenten hebben recente, eerlijke informatie nodig over mogelijke antwoorden én blijvende vragen. Daar is het beide auteurs om te doen.

Relevant
Niet iedereen zullen de vragen over schepping en evolutie interesseren. Dat hoeft ook niet: het is volstrekt legitiem om zich te verwonderen over Gods scheppingswerk, zonder belangstelling voor de natuurwetenschap. Het is wel zo eerlijk om dan terughoudend te zijn in beweringen daarover. Voor anderen zijn deze vragen namelijk wel zeer relevant en het is legitiem ze te stellen. Kun je immers een theorie die door de overgrote meerderheid van de wetenschappers (inclusief vele christen-wetenschappers) wordt aanvaard, zomaar afwijzen? Moet je kiezen tussen óf de Schriften serieus nemen óf de evolutietheorie aanvaarden, omdat het niet allebei kan?
Deze vragen worden snel verbonden met de hermeneutiek en het gezag van de Schrift. Dat is begrijpelijk, maar de vragen zijn met een beroep op het Schriftgezag nog niet meteen beantwoord. Het verraste mij dat de Amerikaanse theoloog Benjamin B. Warfield (1851-1921) een open houding had naar de evolutietheorie, terwijl hij onverdacht orthodox was en sterk opkwam voor het gezag en de onfeilbaarheid van de Schrift. Blijkbaar sluit dat elkaar niet perse uit.

Kosten
Van den Brink wil in zijn boek onderzoeken wat de theologische kosten zijn als we de evolutietheorie zouden aanvaarden. In de evolutietheorie zijn drie lagen te onderscheiden: de geologische tijdschaal (de aarde is miljarden jaren oud), de theorie van gemeenschappelijke afstamming (de verschillende levensvormen zijn uit elkaar ontstaan) en het mechanisme van natuurlijke selectie. De eerste laag geldt als zekerder dan de tweede; over de derde is de meeste discussie. Van den Brink beschrijft welke theologische problemen de verschillende lagen oproepen en onderzoekt of het mogelijk is om orthodox-christelijk geloof te combineren met het aanvaarden van de evolutietheorie.
Volgens Van den Brink is dat mogelijk. Daarvoor is het zijns inziens wel nodig om enkele theologische zaken bij te stellen. Ten eerste moeten we het theologisch perspectief van de Bijbel voor ogen houden. Bijbelse uitspraken over de fysische wereld komen niet altijd overeen met uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek, maar dat is ook niet het doel van de Schrift. Ten tweede, aldus Van den Brink, was er in de lange evolutionaire geschiedenis al lijden en dood in de wereld vóór de zondeval. Ten derde zouden Adam en Eva niet het eerste mensenpaar zijn geweest, maar de eersten van een grote groep, aan wie God zich bekendmaakte. Van den Brink wil wel vasthouden aan de volgorde schepping-zonde en aan een historische zondeval, waarvan hij het theologische belang overtuigend aantoont.

Vragen
Dat neemt niet weg dat er stevige vragen bij zijn boek te stellen zijn. Ik noem er hier slechts drie. Allereerst is de vraag of het in Van den Brinks constructie werkelijk lukt om de goede schepping overeind te houden. Van den Brink wil dat wel. De uitspraak dat God alles ‘goed’ noemt, moeten we volgens hem theologisch duiden: God zegt dat het goed is en dat is beslissend. Maar er zou in de evolutionaire geschiedenis al wel volop lijden en dood in de wereld zijn geweest. Bovendien was ook de mens al geneigd tot alles wat later kwaad en zonde genoemd wordt. In deze reconstructie worden de goedheid van de schepping en de discontinuïteit van de zondeval louter theologische begrippen, terwijl de schepping in werkelijkheid helemaal niet zo goed was en er met de val weinig veranderde in de menselijke natuur.
Een tweede vraag is of Van den Brink niet meegaat in een wereldbeeld dat door de natuurwetenschap bepaald wordt, terwijl hij die consequentie van de evolutietheorie juist wil bestrijden. Van den Brink probeert de Bijbel en de evolutietheorie op een bepaalde manier te harmoniseren door Adam en de zondeval te plaatsen in de evolutionaire geschiedenis. Daarmee mag de natuurwetenschap voor de theologie bepalen wat ‘geschiedenis’ en ‘waarheid’ is. In die zin is zijn poging verwant aan creationistische modellen die ook de Bijbel en de geschiedenis in één plaatje wetenschappelijk sluitend willen krijgen. De vraag is of dat in beide gevallen niet ten koste gaat van het eigen Bijbelse perspectief.
Ten derde: Van den Brink legt de Bijbelse gegevens wel steeds aan tegen het evolutionaire verhaal. Maar een mógelijke exegese, die past bij dat verhaal, is nog niet hetzelfde als de meest aannemelijke uitleg. Verschillende nieuwtestamentische noties, zoals dat door één mens de zonde in de wereld gekomen is (Rom. 5: 12) of Paulus’ beroep op de volgorde van de schepping van Adam en Eva (1 Tim. 2:13) komen helaas niet aan bod.

Exegese
Paul kiest in zijn boek een andere insteek. Hij vraagt aandacht voor het hele Bijbelse spreken over de schepping, niet alleen in Gen. 1-3, maar ook in de rest van het Oude en Nieuwe Testament. Hij gaat ook uitvoerig in op het ontstaan en de doorwerking van de opvattingen van Darwin en op verklaringen die vanuit creationistische kring zijn gegeven. Paul is bezorgd dat externe concepten de Schriftuitleg gaan bepalen. Hij roept op tot zorgvuldige exegese, waarin hij ook veel waarde hecht aan de uitleg van de kerkvaders.
Paul lijkt sympathie te hebben voor het jongeaardecreationisme. Deze benadering lijkt ‘eenvoudig’ de Bijbel te volgen en is van daaruit erg kritisch op wetenschap die zich baseert op een hoge leeftijd van de aarde of andere onderdelen van de evolutietheorie. Ook hier zijn echter vragen bij te stellen. Vragen over historiciteit en datering zijn namelijk vaak ónze vragen, niet de vragen die de Bijbel stelt. Overtuigingen over de precieze leeftijd van de aarde zijn bijvoorbeeld gebaseerd op een optelling van de leeftijden in de geslachtsregisters. De enige keer dat in de Bijbel gegevens uit een geslachtsregister worden opgeteld, is Mattheüs 1 (driemaal veertien generaties); daar is de strekking echter duidelijk niet historisch exact (meerdere koningen ontbreken), maar theologisch: na zesmaal zeven generaties komt Jezus Christus als de vervulling van de geschiedenis van Israël. Niet elke vraag die wij aan de Bijbel stellen, is dus een goede vraag.
Ook de houding van het creationisme richting de wetenschap roept vragen op. Het is terecht dat men aandacht vraagt voor vooronderstellingen: wetenschap is nooit neutraal. Dat geldt echter voor alle wetenschap, niet alleen voor de natuurwetenschap of voor conclusies die niet stroken met het eigen uitgangspunt. Een principieel wantrouwen of selectief gebruikmaken van wetenschap lijkt geen eerlijke weg.

Eigen perspectief

Als ik het goed zie, heeft onze kerkelijke traditie meestal noch de evolutietheorie, noch het creationisme omarmd. Zo’n tussenpositie lijkt me zo slecht niet. Wel is vaak aandacht gevraagd voor de eigen aard van het spreken van de Schrift. Prof. Oosterhoff heeft al in de jaren ’70 onderzoek gedaan naar de eigen bedoeling van Genesis 2 en 3.
De natuurwetenschap en de theologie hebben elk een eigen perspectief op de werkelijkheid. Juist in de gereformeerde traditie is het onderzoek van de geschapen werkelijkheid gestimuleerd en heeft het een legitieme plaats. Natuurlijk blijft dat mensenwerk; bovendien levert wetenschap wel gegevens op, maar heeft ze altijd een omvattend verhaal nodig om deze te kunnen interpreteren. Het verhaal van de natuurwetenschappen is momenteel dominant, maar het theologische perspectief is ook nodig en heeft zijn eigen recht.
Wetenschap en belijden zullen met elkaar in een open gesprek moeten blijven. De perspectieven zijn niet zomaar in één plaatje te verenigen, zoals aan beide kanten gebeurt. Het lijkt me een betere weg om ze beide recht te doen; dat zal dan wel blijven schuren. Ook hierin is ons kennen ten dele. Wij kunnen niet buiten de zondeval om terug naar het eerste begin. De zonde beïnvloedt ook ons kennen en denken.
Wie precies wil bewijzen hoe het zit, loopt het gevaar dat hij juist het wezenlijke Bijbelse onderscheid tussen Schepper en schepsel vergeet. Job heeft geen antwoord als God hem vraagt of hij er soms bij was toen God de wereld schiep en of hij weet hoe dat ‘werkt’ (Job 38). De belijdenis van God de Schepper heeft alleen de goede toonhoogte als het uitloopt op verwondering en lofzang.

Mede naar aanleiding van
G. van den Brink, En de aarde bracht voort. Christelijk geloof en evolutie. Uitgeverij Boekencentrum, Utrecht 2017, € 22,99, 364 pagina’s, ISBN 978 90 239 7153 5
M.J. Paul, Oorspronkelijk. Overwegingen bij schepping en evolutie. Uitgeverij Labarum Academic, Apeldoorn 2017, € 24,95, 525 pagina’s, ISBN 978 94 0290 4956

Ds. A. Versluis is predikant te Ouderkerk aan de Amstel en hoofdredacteur van De Wekker

 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker