Skip to main content

Spreken over kerkelijke verdeeldheid roept pijn op én verbindt. Een gesprek tussen de ‘afgescheiden’ ds. J.M.J. Kieviet en de ‘hervormde’ P.J. Vergunst over de Afscheiding van 1834 en de zichtbare gevolgen daarvan sinds die tijd.

Jeugdjaren op Goeree
Dominee Kieviet (1950) is geboren en getogen op het Zuid-Hollandse eiland Goeree-Overflakkee. Hij koestert warme herinneringen aan zijn jeugdjaren, waarin met name zijn belezen vader voor hem van grote betekenis was. Hoewel het gezin lid was van de christelijke gereformeerde kerk in Middelharnis, leerde Kieviet al jong over de muren van het eigen kerkverband heen kijken. “We gingen ook wel naar doordeweekse diensten van de Gereformeerde Gemeenten, maar evengoed af en toe naar zondagse diensten in de Hervormde Kerk. Als bijvoorbeeld dominee Leen Vroegindeweij in Sommelsdijk preekte, waren we die dag hervormd. Zo ging dat. Mijn vader was christelijk-gereformeerd, maar wees ons altijd op ‘de kerk der vaderen’, zoals hij dat noemde. Dat besef heeft hij aan mij overgedragen.”
Hoewel Kieviet in de loop van zijn leven weleens op het kruispunt stond om lid te worden van de Nederlandse Hervormde Kerk, weerhield zijn sterke verbondenheid met de plaatselijke christelijke gereformeerde kerk hem daarvan. “Ik ben binnen die kerk geboren, ik ben in die kerk gedoopt en heb daar veel onderwijs ontvangen. Daar heb ik ook mijn vrouw ontmoet.” Het is even stil. “Ik heb daar Christus mogen leren kennen; onder de prediking dáár. Dat heeft mijn verbondenheid aan die kerk gestempeld.” Op 48-jarige leeftijd werd hij predikant, een ‘late roeping’ zoals hij dat zelf noemt. Na zijn afstuderen diende hij acht jaar de gemeente van Rotterdam-Kralingen, vervolgens stond hij acht jaar in Dordrecht-Centrum en tot slot vier jaar in Renswoude.

Géén theoloog
Vergunst (1960) vertelt hoe hij opgroeide in een hervormd gezin te midden van een familie die verder bijna geheel lid was van de Gereformeerde Gemeenten. Met zijn vader als predikant voelde hij zich zowel binnen de familie als onder zijn vrijgemaakt-gereformeerde klasgenoten soms een vreemde eend in de bijt. Ook hij woonde in zijn tienerjaren enige tijd op Goeree-Overflakkee, waar zijn vader toen diende als predikant van de hervormde gemeente in Middelharnis. “Ik ben opgegroeid met veel liefde tot de kerk. Dat heeft mij als kind gestempeld. Niet alleen liefde tot de Heere, maar ook liefde tot Zijn dienst, tot Zijn dag, tot de kerk. Dat betekende dat er bij ons thuis, ondanks de weerbarstige praktijk áltijd, ook met de breedte van de Hervormde Kerk, respectvol over de kerk gedacht en gesproken werd.” Na zijn middelbareschooltijd ging Vergunst Nederlandse taal- en letterkunde studeren in Leiden. Met nadruk: “Ik ben dus géén theoloog, ik ben geen predikant, ook al werk ik bij de Gereformeerde Bond en krijg ik met grote regelmaat mails met ‘dominee Vergunst’ als aanhef. Wel heb ik tijdens mijn studie als bijvak kerkgeschiedenis gekozen. Als onderdeel daarvan kreeg ik een groot literatuurtentamen over de Afscheiding van 1834. Dat is toch wel aardig, dat ik me al heel lang geleden op dit gesprek heb voorbereid.” Na zijn afstuderen werkte Vergunst zeventien jaar bij het Reformatorisch Dagblad; hij is nu 23 jaar de algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond.

Bidden voor elkaar
Kieviet en Vergunst woonden in de jaren zeventig dus al vlak bij elkaar, maar leerden elkaar in de jaren 2001 en 2002 pas goed kennen. Dat gebeurde tijdens gesprekken die naar goed gebruik al decennialang plaatsvinden tussen het bestuur van de Gereformeerde Bond en het deputaatschap voor de Eenheid van Gereformeerde Belijders van de Christelijke Gereformeerde Kerken – waar Kieviet toentertijd deel van uitmaakte. Vergunst: “Het was een spannende tijd, in aanloop naar de totstandkoming van de Protestantse Kerk in Nederland. Er was een kerkvereniging op komst, maar ook een dreigende kerkscheuring. Tijdens een van onze ontmoetingen zei dominee Kieviet: ‘Weet je dat ik elke zondag op de kansel voor de hervormde broeders en zusters bid?’ Die verbondenheid via de voorbede heeft mij toen geraakt. Andersom leidde dat ertoe dat ik vier maanden geleden aan het bestuur van de Gereformeerde Bond het voorstel deed: ‘Nu zitten de Christelijke Gereformeerde Kerken in een moeilijke situatie – zullen wij op alle hervormde gemeenten een appel doen om de komende tijd de CGK in het gebed aan de Heere op te dragen?’” Kieviet: “Nou, dat heeft mij diep geraakt – een paar maanden geleden.”

Littekens van kerkscheuring
Sinds die gesprekken in 2001 en 2002 hebben de beide mannen goed contact en spreken ze elkaar met enige regelmaat, onder meer tijdens de Haamstede-conferenties voor predikanten en evangelisten. “Hoewel ik daar tussen 2004 en 2011 niet geweest ben”, vult Vergunst aan. “Ik kwam er al vanaf de jaren tachtig, tot in 2003 iemand tegen mij zei: ‘Ik wil jou de hand niet meer schudden.’ Toen heb ik jarenlang de mentale weerbaarheid niet gehad om er te komen. Zo diep kan een kerkelijke breuk sporen trekken. Nu is de situatie anders; er komt een nieuwe generatie theologen. Ik denk dat de scherpe kantjes er wat af zijn.”
Ook Kieviet staat de kerkscheuring van de Nederlandse Hervormde Kerk – een deel werd PKN, een deel werd Hersteld Hervormd – bijna twintig jaar na dato nog helder voor ogen. “Als het over afscheiding gaat, dan denk ik als eerste aan 2004. Dat heeft me buitengewoon pijn gedaan. Op Flakkee is het heftig geweest, dat liep dwars door families en gezinnen heen.”
Vergunst knikt instemmend. Hij ondervond in zijn eigen familie en zijn werk voor de Gereformeerde Bond eens temeer hoe deze kerkscheuring diepe sporen naliet. “Onze kinderen heb ik er nooit iets over verteld. Ik dacht: ze moeten de donkere kanten van de kerk in hun puberteit maar niet horen. Ik wil liever het goede van de dienst van God voorleven.” Zelf bracht het hem, door die diepte heen, een vernieuwd en verdiept zicht op het fundament en de roeping van de kerk. “Ik heb de laatste vijf, zes jaar, bij de krimp in en alle teloorgang van werk in de Protestantse Kerk, alsook bij het zien van spanningen of eenzijdigheden in andere kerken, nog meer ontdekt hoe desastreus en ook hoe zondig het principe van afscheiding is. Dat zondige bedoel ik dan in de eerste plaats naar mijzelf: wij hebben elkaar niet vast kunnen houden. Het is zó verlammend, op een dorp en in de stad, dat de kerk gescheurd is. Voor het getuigenis van het Evangelie; voor ál die kerkelijke energie; voor het spreken naar de overheid; voor de stem in de samenleving. En bovenal voor de eer van God! Afscheiding is niet de oplossing voor de enorme spanning waar de kerk in komt tussen eenheid en waarheid. De kerk gaat op weg naar Zijn Koninkrijk in een gebróken gestalte haar weg. En daarin hebben wij helemaal niks om op te staan: wij leven van Gods trouw, van Zijn verbond. Dat verplicht ons tot gehoorzaamheid.”

Tussen 1834 en vandaag
Kieviet knikt instemmend. Van jongs af aan werd bij hem thuis, naast De Wekker, ook De Waarheidsvriend, het officiële blad van de Gereformeerde Bond, gelezen. “Ik heb daarin altijd de liefde voor het geheel van de kerk geproefd – de kerk die eeuwen achtereen een belangrijke plaats onder het volk van Nederland had. Die volkskerkgedachte sprak mij altijd aan. Dat is ook één van mijn aarzelingen bij de Afscheiding van 1834: de kerken van de Afscheiding hebben het volk, de toen nog gedoopte natie, laten vallen. Ze hebben zich vooral op – en veelal tegen – elkáár gericht. Al na twee, drie jaar kwamen ze in de crisis van de jeugd terecht. Met opnieuw afscheidingen tot gevolg.”
Dat van de aloude Gereformeerde Kerk alleen nog “tot op het bot verdeelde en in veel scherven uiteen gevallen brokstukken” resteren, benoemt Kieviet als “het faillissement van de Afscheiding”: “Op veel plaatsen heeft men ook de ‘gronden der vaderen’ verlaten. Dat vooral is aangrijpend.” De huidige ontwikkelingen in de Christelijke Gereformeerde Kerken zijn er wat hem betreft een voorbeeld van. “Een gezamenlijke terugkeer naar de hervormde wortels – dat is mijn heimwee en mijn gebed.”
Vergunst haakt daarop in. “Ik heb pas nog gezegd: ‘Jaap, jij bent voluit een ledeboeriaan.’ In die zin dat het verlangen naar een ongedeelde en belijdende hervormde kerk altijd gebleven is. Dat proef ik als je spreekt, als ik naar je luister en als ik van je lees.” Kieviet: “Er is alle reden tot verootmoediging en bekering. Ik las van een landbouwer in Breukelen, een eeuw geleden, die zei: ‘De Hervormde Kerk ligt verzonken in de schuld. De afgescheiden kerken zijn gebouwd op de schuld.’ Daarin herken ik me. Het mes snijdt in mijn eigen vlees als ik met pijn erken dat de Afscheiding van 1834 een voorbarige en onterechte beslissing is geweest.”

Hoop voor de kerk
Het gesprek tussen Vergunst en Kieviet markeert de wederzijdse waardering en onderlinge verbondenheid. Kerkmuren worden voor even overstegen, maar toch moeten ze zich verhouden tot een zwaar verdeeld kerkelijk landschap. Welke boodschap hebben ze daarin voor de kerk?
Dominee Kieviet verwijst bij wijze van antwoord naar wat de negentiende-eeuwse theoloog H.F. Kohlbrugge schreef in De leer des heils: “Wat is u nodig te weten? 1. Dat ik een mensch ben, en niets méér. 2. Dat God God is; 3. Dat Hij Zijne beloften ook aan mij vervult.”
“Zo is er toch hoop voor de kerk”, voegt hij toe. Vergunst vult aan: “Wanneer ben je nou het meest verbonden? Als je samen je lege handen voor God houdt. En wanneer heb je de kerk meer lief? Als je voor haar bidt.” Kieviet, instemmend: “Nou, dat is het!”

Weergaven: 4