Skip to main content

Bij kerken die ontstaan op het zendingsveld, moeten en mogen oude vragen opnieuw doordacht worden. Zaken die voor de kerken in Nederland gewoon zijn geworden, zijn in de nieuwe context niet altijd vanzelfsprekend. Opnieuw zal dan gekeken moeten worden naar wat Schrift en belijdenis te zeggen hebben in de andere culturele context.

 In Albanië, waar ik werk als evangelist, speelt dit bij de jonge zendingsgemeenten die onstaan zijn uit het zendingswerk van Zending Gereformeerde Gemeenten (ZGG). In 2023 is onze broeder Klement Rizallaraj toegelaten tot de opleiding voor predikant en in oktober 2026 hoopt hij bevestigd te worden. De toelating tot de opleiding vond plaats door een toelatingscommissie en aan het eind van het opleidingstraject is er een kerkelijk examen afgenomen nadat de schoolopleiding met het gewenste resultaat was afgesloten. Dit proces volgde in grote lijnen de situatie zoals we die in Nederland kennen.
Maar het riep ook vragen op. Is dit de manier waarop de Albanese kerk van de toekomst het proces vorm moet geven? Hoe komen we eigenlijk aan deze verschillende toelatingsgesprekken en examens? Kan en mag dat ook anders? Deze vragen worden versterkt doordat in Albanië samengewerkt wordt met enkele andere gereformeerde kerken, uit Brazilië en Noord-Amerika. Zij hebben ook een toelatingstraject, maar dat ziet er weer anders uit.
Vanuit deze achtergrond heb ik een onderzoek uitgevoerd naar de toelating tot het ambt van predikant. De hoofdvraag van mijn onderzoek was hoe die toelating in de zendingscontext van Albanië vorm zou moeten krijgen. Daarbij heb ik gekeken naar wat Schrift en belijdenis hierover zeggen, wat de historische achtergrond is van de in Nederland gegroeide praktijk, hoe andere gereformeerde kerken wereldwijd dit vormgeven en wat het kerkrecht hierover zegt. Hieronder geef ik kort de bevindingen weer.

Bijbel en belijdenis
In het Nieuwe Testament lezen we duidelijk dat het Christus Zelf is die de ambten ingesteld heeft en dat Hij het is die ambtsdragers aanstelt. De gemeente van Christus wordt hierbij ingeschakeld door middel van verkiezingen. Zij moet er goed op letten of de ambtsdragers voldoen aan de eisen die met name in de pastorale brieven over hen vermeld staan. Deze kunnen samengevat worden in: 1) persoonlijke godsvrucht die zich uit in goede werken, 2) bekwaamheden die in beginsel aanwezig zijn en 3) zuiverheid in de leer. De gemeente moet dit onderzoek zorgvuldig doen. Er moet genoeg tijd geweest zijn om leer en leven te kunnen beoordelen. Zo moet ze ervoor waken dat er geen wolven in de schaapskudde van Christus binnendringen.
Als we de eisen zien die de Schrift stelt aan het onderzoek, verdient het de voorkeur dat dit gebeurt door broeders die de betrokkene indien mogelijk persoonlijk kennen en die tevens voldoende geestelijk onderscheidingsvermogen hebben.
In de Drie Formulieren van Enigheid wordt vrijwel niet gesproken over de toelating tot het ambt. In de Grote Catechismus van Westminster wordt er kort op ingegaan in antwoord 158, waarin gezegd wordt dat dat het Woord alleen mag worden verkondigd door degenen die daar voldoende gaven voor hebben ontvangen en officieel zijn geroepen en toegelaten tot het ambt.

De kerkgeschiedenis
Vanaf het begin van de Reformatie is er sprake van een kerkelijk examen, dat wat we nu peremptoir (beslissend) examen noemen. Calvijn geeft aan dat op leer, leven en vaardigheden onderzocht moet worden. Bij Martin Bucer is te zien dat dit direct vanaf het begin vorm kreeg door middel van een brede commissie.
Rond 1600 werd het preparatoir (voorbereidend) examen ingevoerd. Voordien werden de studenten alleen door de universiteit op hun theologische kennis geëxamineerd, maar nu wilde de kerk dit ook zelf doen. Hiervoor waren drie redenen. Ten eerste was er sprake van opkomend remonstrantisme, waardoor de kerken twijfels hadden bij de zuiverheid van de leer op de universiteiten. Ten tweede werden de universiteiten ruimer in hun toelating, waardoor de kerk zélf extra waarborgen wilde inbouwen. En ten slotte kwam de wens op om personen die niet gestudeerd hadden aan een universiteit ook te kunnen examineren.

"De zendingskerk in Albanië doet er goed aan te bezien of de classis een prominente plek in de toelating tot de opleiding kan krijgen."

Aan het begin van de negentiende eeuw ontstond in de afgescheiden kerken het admissie-examen (het gesprek over toelating tot de opleiding). Primaire reden daarvoor was de zeer jonge leeftijd van de personen die zich aanmeldden, soms duidelijk jonger dan zeventien jaar. Later kwam daar als reden bij dat men vond dat er meer toezicht aan de poort nodig was omdat theologiestudenten losbandig gedrag vertoonden.

Praktijk in gereformeerde kerken in de wereld
Onderzoek naar diverse kerken in Nederland, Noord-Amerika, Brazilië, Zuid-Afrika en Nigeria laat zien dat er overal sprake is van onderzoek naar hen die predikant wensen te worden. Wereldwijd is sprake van een vorm van kerkelijk examen aan het eind van de opleiding. Soms is dit gesplitst in een preparatoir en een peremptoir examen, soms zijn deze twee gecombineerd. Vrijwel overal neemt de classis deze examens af, soms samen met de universiteit, en soms gebeurt het door de synode.
De grootste verschillen zijn te zien bij het admissie-examen, het toelatingsgesprek tot de opleiding of tot het kandidaatstraject binnen de opleiding. Vrijwel overal is er een vorm van een toelatingsgesprek. In diverse kerken gebeurt dat door het bestuur van de universiteit, het curatorium, in andere kerken gebeurt dit door de classis. Een ander verschil is de status van dit toelatingsgesprek. Soms is het een beslissend moment, waarbij iemand die aangenomen wordt met grote waarschijnlijkheid predikant zal worden en wie afgewezen wordt geen predikant kan worden, in andere gevallen is het meer een eerste toelating waarbij men ruimte laat om gaandeweg de opleiding te ontdekken waar de roeping van de betrokkene ligt.

Kerkrecht
De Dordtse Kerkorde (DKO) geeft alleen richtlijnen over het peremptoir examen. Het onderzoek tot de toelating tot de bediening van het ambt van predikant moet bij de classis liggen (met afvaardiging van de particuliere synode) en niet alleen bij de kerkenraad. Als redenen hiervoor worden genoemd dat veel kerkenraden niet de vereiste bekwaamheid hebben, dat de classis over toelating gaat en dat de predikant wordt toegelaten tot het hele kerkverband.
Over toelating tot de predikantsopleiding kan in de kerkrechtelijke literatuur gelezen worden dat belangrijke kerkelijke beslissingen door kerkelijke vergaderingen (kerkenraad, classis, synode) genomen moeten worden. Een curatorium is een deputaatschap en geen kerkelijke vergadering.
Hieruit kan geconcludeerd worden dat als toelating tot de opleiding een zwaarwegende beslissing is, deze dus beter bij een classis dan bij een curatorium belegd worden. Een bijkomend voordeel is dat tegen beslissingen van een kerkelijke vergadering beroepsmogelijkheden bestaan, die er bij een curatorium niet altijd zijn.

Afweging
Er zijn alternatieven mogelijk voor de wijze van toelating tot het ambt van predikant. De redenen voor het onstaan van het preparatoir en admissie-examen zijn goed te begrijpen, maar passen niet altijd goed in een nieuwe context zoals in Albanië.
De zendingskerk in Albanië doet er goed aan te bezien of de classis een prominente plek in de toelating tot de opleiding kan krijgen.
Cultureel gezien is dit ook meer passend dan toelating door een curatorium, omdat relaties in deze cultuur heel belangrijk zijn, en men elkaar op classicaal niveau mogelijk beter kent. Vanuit de cultuur is er ook veel voor te zeggen om de toelating tot de opleiding geen beslissend moment te laten zijn, maar een eerste stap waarbij gaandeweg de opleiding meer duidelijkheid ontstaat over de roeping en de invulling daarvan. Dat voorkomt mogelijk gezichtsverlies.
Een preparatoir examen zal niet altijd nodig zijn, met name niet als de kerk haar eigen theologische opleiding heeft. Dan zou een opleidingsexamen kunnen volstaan.
De uiteindelijke toelating tot het ambt van predikant is en blijft een zaak van de kerk door middel van het peremptoir examen op de classis.

Weergaven: 0