‘Er ontstond daarom verbittering, zodat zij uit elkaar gingen…’
(Handelingen 15:39a)
Ruzies zijn aan de orde van de dag, maar van christenen mag je anders verwachten. Wie Christus leert kennen, leert van Hem zachtmoedig te zijn en nederig van hart. Je bent geen ruziemaker meer, maar vredestichter. En toch komen broeders soms in botsing en christenen in conflict.
Barnabas is een verbinder, een bruggenbouwer. Als Saulus geen voet aan de grond krijgt bij de apostelen in Jeruzalem is het Barnabas, de zoon van de vertroosting, die hem onder zijn hoede neemt en bij de apostelen introduceert (Hand. 9:27). Als Barnabas op bezoek moet in Antiochië om te kijken wat daar allemaal gebeurt, ziet hij de genade van God en is daar erg blij over. De zorgen zijn onterecht, want God is hier aan het werk! Barnabas was een man vol van geloof en van de Heilige Geest (Hand. 11:23-24). Hij haalt Paulus uit Tarsus en samen werken ze in Antiochië. Er moet een sterke band tussen hen ontstaan zijn.
Die band is alleen maar sterker geworden toen ze samen op zendingsreis gingen. Dagen, nachten, maanden brachten ze samen door. Ze maakten mooie en moeilijke dingen mee, zagen mensen genezen worden en tot geloof komen, maar kregen ook te maken met vervolging. Als ze terugkomen in Antiochië kunnen ze vol vreugde vertellen wat God gedaan heeft. En samen werken ze een tijd in de gemeente van Antiochië.
Maar als Paulus aan Barnabas voorstelt opnieuw op reis te gaan en Barnabas aangeeft zijn neefje Markus graag mee te nemen, is daar opeens verbittering. Markus had hen in de steek gelaten op de eerste zendingsreis. Dat is Paulus blijkbaar in het verkeerde keelgat geschoten. Dat doe je niet. Dat is ontrouw in het werk van God. Barnabas heeft er blijkbaar milder over geoordeeld. Het is toch je neef en nu zijn we toch weer een tijdje verder. Maar Paulus wil er niets van weten. Het gebeurt niet. Er ontstond verbittering. Dan kun je niet goed meer naar elkaar luisteren. Het eigen gelijk is oorverdovend geworden.
Hoe is het mogelijk?! In grote theologische en missionaire uitdagingen weten ze elkaar te vinden, lief en leed in Gods Koninkrijk hebben ze gedeeld, maar nu het om een reisgenoot gaat komt de relatie onder spanning. Hoe kan dat toch? Het blijft niet bij een woordenwisseling. Barnabas zegt: dan ga ik wel met Markus en zoek jij het maar uit. En Paulus: je doet maar, dan ga ik wel met Silas. Verbittering. Verwijdering. Elkaar niet meer kunnen vinden.
Lukas laat in het midden wie er gelijk had. Het gaat ons niet aan. Ieder mag in de spiegel kijken. Het kan zomaar gebeuren. Ook onder gelovigen, ook in de kerk. Soms om dingen die het niet waard zijn.
Je zou zeggen: hoe kan er nu zegen op rusten? De eerste zendingsreis begon met gebed, de tweede met ruzie. Van Barnabas en zijn reis lezen we niets meer, omdat Lukas meereist met Paulus. Maar duidelijk is dat ondanks deze ruzie het werk van God doorgaat en gezegend wordt. Dat is geen vergoelijking van de ruzie. Het is wel een bemoediging bij al onze eigenwijsheid en klein-menselijkheid.
Goed is het niet. Het komt gelukkig wel goed. Paulus en Barnabas hebben elkaar weer gevonden. Over Markus schrijft Paulus dat hij hem zeer van nut is voor het dienstwerk dat hij doet (2 Tim. 4:11). Dat zijn hoopvolle woorden bij een botsing van broeders.


