Skip to main content

Moeten we als kerk mondig zijn op het politieke vlak? Deze oude vraag komt continu tamelijk nieuw op de agenda van kerken en kerkverbanden. Kerken willen eraan ontsnappen, maar kunnen we de politieke geest ontvluchten?

Afgelopen week kwam een nieuw kerkelijk collectief in het nieuws: De Linkse Kerk. De initiatiefnemers zien met lede ogen aan dat veel kerkgangers en stemmen in de kerk vooral conservatief-rechtse sentimenten en thema’s benadrukken. Dit nieuwe stemgeluid van de Linkse Kerk staat voor een linkse politiek met dito onderwerpen, waarbij vooral inclusiviteit en solidariteit benadrukt worden.
Iets minder recent klonk een ander pleidooi. Op een studieavond in Gouda pleitte opiniemaker Wierd Duk voor een verbond van christelijke, cultuurchristelijke en conservatieve stromingen. Kerken moeten volgens hem buiten hun veilige cocon treden en zich uitspreken over thema’s als immigratie, seksualiteit en christelijke waarden.
Deze denkrichtingen lijken ideologisch ver van elkaar af staan, maar in principe willen ze allebei hetzelfde: kerken moeten kleur gaan bekennen. De tijd van neutraliteit, denken vanuit het midden en de nuance is over. Kerkmensen moeten openlijk getuigen in woord en daad wat kernwaarden en thema’s als barmhartigheid, naastenliefde en waarheid concreet betekenen.

Kerk moet politiek zijn?
De reacties op deze twee initiatieven lieten zich aftekenen. Mensen onderstreepten online hun goedkeuring voor het ene initiatief, terwijl het andere idee als polariserend en partijdig werd omschreven. Sommigen dachten mee hoe een initiatief in de praktijk zou kunnen werken en hoe de toekomst eruit zou kunnen zien.

"De kerk van Christus leeft op een Ik-Gij manier met God en met elkaar"

Mijn observatie is dat veel kerkmensen heel voorzichtig waren. Hun overwegingen werden verwoord door collega Arnold Huijgen op Radio 1. De kerk is nu net de plaats waar uitersten elkaar ontmoeten. De kerk biedt een brugfunctie voor de eilanden en bubbels die er in onze samenleving langs de lijnen van politiek en sociaal-economische status gevormd zijn. Het Evangelie is daarnaast niet te verbinden met een politieke partij of politieke richting. Je doet de Bijbel geen recht als teksten en thema’s omschreven worden met de latere politieke categorieën van links en rechts. In de kerk is het Evangelie de leidraad, niet het verkiezingsprogramma van een politieke beweging.
Die voorzichtigheid herken ik. Het Koninkrijk van God is enerzijds politiek, waarbij Christus-gerichtheid en liefde zich uitstrekken over alle vlakken van ons samenleven. Anderzijds is het mijn schrikbeeld dat een kerk zich consequent zou moeten uitlaten over politieke onderwerpen die op de agenda van de dag staan. De kerk is geen meningenmachine, politieke influencer of advieskanaal. Het Evangelie staat centraal in zijn scherpte, diepte en breedte. De kerk mag wat mij betreft mysterieus zijn en de hang naar transparantie in dit opzicht weerstaan. De kerk is er niet om in een politiek kamp gestoken te worden.

De politiek geworden kerk?
De vraag is echter of de kerk aan politiek kan ontsnappen. Ja, kerken kunnen politieke thema’s en uitspraken vermijden en zich concentreren op de verkondiging van het Evangelie. Tegelijk is het politiek denken in de kerk niet vreemd. De afgelopen jaren viel mij op dat steeds meer politieke termen ingeburgerd werden in het spreken over onze kerken en de processen die gaande waren. Broeders en zusters die andere meningen waren toegedaan werden geschilderd in de kleuren van ideologische tegenstanders, terwijl gelijkgezinde CGK’ers werden begroet met de kus van de vriendschap. We delen ons kerkverband in aan de hand van ‘links’ en ‘rechts’. De theologisch vreemde termen ‘meerderheid’ en ‘minderheid’ werden gehanteerd. De synodeafvaardiging werd een ideologische strijd: had de ene particuliere synode een kleur aangenomen, leek een andere particuliere synode op die beweging te reageren. Tijdens de synodeweken ontspon zich ook een intrigerend politiek proces, inclusief nachtelijke overleggen en achterkamers.

"Die kerk is niet links, niet rechts, maar een zegen"

Kerkpolitiek is het gaan heten. In dit kerkpolitieke denken en spreken is vaak geen sprake meer van een theologische visie op de kerk: een gemeenschap die Christus vergadert, waar broeders en zusters met verschillende verhalen en achtergronden vereend zijn, waar het goede voor de ander gezocht wordt, waar het eigen gelijk opgaat in het zoeken van het heil van de ander. Paulus houdt deze theologische visie op de kerk ons bijvoorbeeld in de Eerste Korinthebrief voor. Als over de kerk en kerkmensen in termen van sociologische groepen of politieke kleuren gesproken wordt, is het wachten op immense verdeeldheid, vervreemding en polarisatie. De CGK loopt er nu op stuk, in andere kerkverbanden in Nederland zie ik het begin van een kerkpolitisering van de kerk.
Kan de kerk aan deze politisering ontsnappen? Ik denk dat de oplossing op het relationele vlak te vinden is. Hebben we als kerken een hechte onderlinge relatie gehad de afgelopen tijd? De Joodse filosoof Martin Buber maakt een behulpzaam onderscheid tussen twee typen relaties: Ik-Gij en Ik-het relaties. Ik-Gij relaties zijn persoonlijk en wederzijds, er is sprake van openheid, liefde en eerlijkheid. Dingen worden uitgesproken en er wordt met elkaar rekening gehouden en geleefd. Ik-het relaties daarentegen zijn afstandelijk, de ander is eerder een object. Deze relaties zijn vaak passief en gevoelsarm. Ik-het relaties zijn er vooral vanwege het feit dat ik de ander nodig heb om mijzelf en mijn levensstijl te onderhouden of om iets gedaan te krijgen.
Als kerken zijn wij naar mijn mening de laatste jaren in de ik-het modus beland. Dingen werden niet meer uitgesproken, hete hangijzers en lastige kwesties en opmerkingen zijn blijven broeien. We zijn langzamerhand in een scheiding van tafel en bed beland. Dan is kerkpolitiek een uitloper van een proces van objectivering van de ander.
De kerk van Christus leeft echter in het Nieuwe Testament op een Ik-Gij manier met God en met elkaar. Er is sprake van ontmoeting, van persoonlijke relaties, van zelfverloochening en zelfopoffering. Er is geen plaats voor kerkpolitiek, want we zijn met elkaar getrouwd. Misschien is deze visie op de kerk wel utopisch, maar het is wat mij betreft de toon die de kerkelijke muziek moet maken. Die kerk is niet links, niet rechts, maar een zegen, ‘die ons toekomt vanaf het kruis en door de opstanding van Christus’ (prof. dr. W. van ’t Spijker).

Weergaven: 0