Wat moeten christenen vinden van muziek of activiteiten waar de naam van Christus genoemd of verkondigd wordt, maar de artiest of medewerker in het leven geen blijk geeft van een leven met Christus? Recent kwam deze vraag weer op tafel en de meningen liepen sterk uiteen.
Ik vermoed dat veel lezers geen actief luisteraar zijn van het Nederlandse levenslied, soms ook de smartlap genoemd. Recent kreeg een zanger uit deze hoek van de muziek echter behoorlijk wat christelijke aandacht. Mart Hoogkamer kwam via een tv-programma en een bezoek aan het Stadsklooster in Dordrecht in aanraking met Opwekking 22: ‘In de Naam van Jezus overwinnen wij.’ Tijdens de uitzending bleef hij deze zin herhaaldelijk zingen en uiteindelijk bracht hij een nummer uit: ‘In de Naam van Jezus’. De zin uit Opwekking 22 werd een belangrijk element in het refrein, de rest van het refrein en de coupletten zijn van de hand van Hoogkamer en zijn schrijvers. Het lied heeft volgens Hoogkamer geen religieuze stellingname, maar is in een onrustige wereld ‘een expressie van hoop en liefde voor iedereen’. Hoogkamer zelf is niet gelovig, maar bijgelovig.
In het NPO-radioprogramma Dit is de Dag liepen de christelijke meningen uiteen. De hervormde predikant Gerard van Zanden wees op het gebod om de Naam van God niet ijdel te gebruiken en op de inhoud van het lied: hoe verdraagt het ‘In de Naam van Jezus overwinnen wij’ zich met ‘Het maakt niet uit wat je doet, want het komt allemaal wel goed’? Rob Veenstra van Stadsklooster Dordt stond er anders in: Hoogkamer is respectvol en er ontstaat een prachtig podium om het Evangelie uit te dragen.
"Een gelovige is niet los verkrijgbaar van zijn cultuur, maar ook niet los verkrijgbaar van de God van het Woord."
De vraag naar de waardering van dit soort zaken keert vaker terug op de christelijke discussietafels. De discussie rondom het lied van Hoogkamer deed mij terugdenken aan de discussie rondom De Passion van de EO, waar dezelfde verschillende standpunten werden ingenomen. Maar ook bij de uitvoering van de Matthäuspassion van Bach kunnen dezelfde vragen en argumenten aangevoerd worden: is het wel gepast dat de woorden van Jezus gezongen worden door een niet-christen?
Filippenzen 1,18?
Een veelgebruikt argument in deze discussie is Filippenzen 1,18: ‘toch wordt Christus op allerlei manieren verkondigd, hetzij onder een voorwendsel, hetzij in waarheid; ik verheug mij in deze dingen.’ Laat Paulus hier niet zijn enthousiasme zien over de verkondiging van Christus, zelfs als het met valse, onzuivere of niet-christelijke motieven gebeurt?
Deze tekst moeten we echter wel lezen in zijn context. Paulus spreekt hier over de verkondiging van Christus in zijn gevangenschap (1,12). Zijn gevangenschap is geen belemmering voor de verkondiging van Christus, maar is zelfs een stimulans voor missionaire arbeid gebleken (1,14). Tegelijkertijd merkt Paulus op dat er ook mensen met onzuivere motieven Christus verkondigen, omdat zij Paulus als een rivaal beschouwen. Paulus onderstreept de ironie: zij verkondigen Christus, ondanks hun weerzin tegen hem, en dat Christus verkondigd wordt is belangrijker voor hem dan zijn eigen naam en eer. Paulus keurt in vers 18 niet goed dat ongelovigen ook de Naam van Christus kunnen verkondigen, maar constateert met genoegen dat Christus verkondigd wordt ondanks onzuivere motieven. Paulus stemt niet in, maar wijst op een feit.
Cultuurvisie
Mijn vermoeden is dat het antwoord op deze kwestie sterk afhangt waar je theologische wieg staat. In deze discussies zie ik vaak grof gezegd een tweedeling ontstaan. Aan de ene kant is er een cultuurkritische groep christenen, veelal uit bevindelijk-gereformeerde kring, die een dergelijk gebruik van christelijke taal en symbolen door niet-gelovige professionals ziet als lasterlijk. Deze groep ziet het als een bevestiging van het idee dat cultuur en media onverschillig of zelfs vijandig staan tegenover christelijk Nederland en zich niets gelegen laten om heilige zaken te misbruiken.
"De kerk hoeft wat mij betreft niet bang te zijn om soms op haar strepen te staan, als hoeder van de heilige zaken die haar toevertrouwd zijn."
Anderzijds staat er een groep cultuuroptimistische christenen, die openstaat voor culturele uitingen. Deze groep, vaak te vinden in evangelische en neocalvinistische kerken, zien dit soort momenten als een bevestiging van Gods werk in de cultuur en als een kans om invloed uit te oefenen en missionair werkzaam te kunnen zijn. Waarom zou alleen de duivel goede muziek en cultuur moeten hebben?
Tussenweg?
Zelf sta ik er vaak tussenin. Ik ga niet ontkennen dat mijn eerste reactie vaak cultuurkritisch is. Culturele initiatieven waarin zaken van het geloof gebruikt worden om te scoren of geld te verdienen zijn mij een doorn in het oog. De kerk hoeft wat mij betreft niet bang te zijn om soms op haar strepen te staan, als hoeder van de heilige zaken die haar toevertrouwd zijn. In deze casus voel ik dus mee met collega Van Zanden. De Naam van Jezus Christus is niet zomaar iets: in de Bijbel is het niet alleen Zijn Naam, maar gaat het ook om Hemzelf. Als een niet-gelovige vanuit een zoekersintentie de Naam van Christus gebruikt kan ik ermee leven, maar in dit geval wordt een grens overschreden in mijn ogen. Heilig is Zijn Naam (Luk. 1,49).
Tegelijkertijd zie ik ook de mogelijkheden die dergelijke uitingen bieden. De influencer Noor van der Weijden merkte op dat zij al verschillende vragen en gesprekken had gehad naar aanleiding van het nummer. Kerken hoeven dit soort zaken niet te zoeken of te stimuleren, maar nu het nummer eenmaal in de lucht is biedt het wel kansen om in gesprek te raken. Beseffen mensen wat ze zeggen en zingen? Zo kan er een opstap zijn om de diepte in te gaan, naar de kern van de vragen van het leven en het christelijk geloof. Op deze manier kan ook gesproken worden over het punt waarom het christenen zo raakt als de Naam van Jezus zo zonder geloofsovertuiging gebruikt wordt. Ik zie dat in de Bijbel de Heere ook gebruikmaakt van de diensten van Bileam om het volk te zegenen (Num. 22-24) en Rachab om zijn volk te redden (Joz. 2). Tegelijk zien we ook de klem die dit missionaire gesprek heeft: Bileam komt door zijn zonden om (Num. 31,8), terwijl de gelovige Rachab een van de moeders van Christus genoemd wordt (Matt. 1,5).
Gelovigen zijn wat mij betreft dus principieel en praktisch, oprecht als de duiven en scherpzinnig als de slangen (Matt. 10,16). Interessant is wat de hervormde predikant J.J. Buskes eens schreef over de eveneens hervormde hoogleraar K.H. Miskotte: ‘De cultuur der eeuwen is door zijn hoofd en hart heen gegaan. Maar bij dit alles wist hij en weet hij, weet hij steeds meer van het gezag, dat uitgaat van het Woord Gods.’ Een gelovige is niet los verkrijgbaar van zijn cultuur, maar ook niet los verkrijgbaar van de God van het Woord.




