We leven in de dagen na Pinksteren. In korte termijn sprekend, een paar dagen na het vieren van het Pinksterfeest. In lange termijn sprekend, ongeveer tweeduizend jaar na de vervulling van de belofte die de Here God in de eeuwen daarvoor deed, de uitstorting van de Heilige Geest op alle vlees.
In de toespraak die de apostel Petrus houdt haalt hij een belofte uit Joël 2 aan:
Aan het einde der tijden, zegt God,
zal Ik Mijn Geest uitgieten over al wat leeft.
Dan zullen jullie zonen en dochters profeteren,
jongeren zullen visioenen zien
en oude mensen dromen dromen.
Ja, over al Mijn dienaren en dienaressen
zal Ik in die tijd Mijn Geest uitgieten,
zodat ze zullen profeteren.
Hooggespannen verwachtingen
Hoe groots, allesomvattend en ontzagwekkend is deze belofte. Dat beloofde wat, toen bij de uitstorting van de Heilige Geest. Wat zouden de volgelingen van de Here Jezus op dat moment en in de tijd daarna gedacht en verwacht hebben? Een nieuwe andere samenleving zou er komen, iedere gelovige in nauwe verbondenheid met God, iedere gelovige ontving de heilige Geest. Het kon niet stuk gaan. En het ging ook ‘goed’ in de eerste tijd. Als we in Handelingen lezen van de eendracht in de eerste christelijke gemeente dan is dat jaloersmakend en zou je wensen dat het in 2026 ook zo gaat, in de plaatselijke kerkelijke gemeenten, in de verbondenheid tussen christenen in Nederland en wereldwijd.
Anti-paradijs
Maar de Schrift kennend weten we dat die bijzondere eendracht en opoffering niet heel lang duurde. Binnen de gemeenten zelf ontstond tweedracht over wie bijvoorbeeld belangrijker was en op basis daarvan zich voorrechten toe-eigende. Er ontstond discussie over de leer en hoe samen te leven. Het geeft aan de ene kant verdriet dat wat zo indrukwekkend en ingrijpend begon met de uitstorting van de heilige Geest zo lijkt te verdwijnen in ons aards gemodder. Alsof het ons mensen niet lukt om te leven in het paradijs, dat we het goede niet lang kunnen verdragen en er altijd een moment komt dat we dingen naar onze hand willen zetten, c.q. stuk gaan maken.
"Er is geen onderscheid meer tussen kind of ouder, man of vrouw en jong of oud, allen ontvangen de heilige Geest."
Een geschenk
Maar aan de andere kant ligt er ook troost in dat de Here God ons mensen die maar aanrommelen blijft zoeken en ons Zijn heil geeft, ondanks de zonde die aan ons kleeft. Dat Hij door het offer van Christus naar ons kijkt en ons Zijn Geest gegeven heeft. Onvoorstelbaar dat Hij dat heeft gedaan, terwijl Hij ons zo goed kent en weet hoe makkelijk wij Hem de rug toekeren. Ondanks onze onbetrouwbaarheid gaf Hij ons de belofte die werkelijkheid werd met Pinksteren. Zonen en dochters die profeteren, jongeren die visioenen zullen zien en oude mensen die dromen dromen.
Voor oude mensen
Een ouder iemand vroeg mij weleens wat er bedoeld werd in Handelingen 2 met oude mensen die dromen dromen. De vraag ging uit van de gedachte dat er in deze verzen onderscheid wordt gemaakt tussen welke mensen gaan profeteren, welke visioenen zullen zien en wie dromen van God krijgen. Het tegenovergestelde is echter het geval. Het noemen van zonen en dochters, jongeren en oude mensen laat de alomvattendheid zien van de uitstorting van de heilige Geest. Er is geen onderscheid meer tussen kind of ouder, man of vrouw en jong of oud, allen ontvangen de heilige Geest. Allen zullen profeteren, visioenen zien of dromen dromen, d.w.z. in verbondenheid zijn met God, en Zijn Woorden en beloften mogen ontvangen en verkondigen.
Dromen dromen
Dromen: het klinkt als een fantaseren over de nabije of verre toekomst. Wat zou het mooi zijn als … Zo kijken wij naar dromen. Hier echter gaat het om dromen die de Here God geeft. Dromen waarin Hij iets duidelijk maakt aan de dromer, een boodschap van Hem. Ik herinner me niet weleens een boodschap van God in een droom te hebben gekregen. Mensen uit het Midden-Oosten zijn er meer mee vertrouwd, om door dromen boodschappen te krijgen. Vluchtelingen uit die streken die tot geloof kwamen vertellen vaker over een droom die zij kregen waarin ze bijvoorbeeld Jezus zagen. Wij westerlingen zijn daar niet zo op georiënteerd en blijkbaar spreekt God dus minder tot ons door dromen.
‘I have a dream’
Ondanks dat wil ik u meenemen in mijn dromen, geen boodschappen van God maar dromen in de alledaagse zin van het woord.
Ik heb een droom dat door kerken recht wordt gedaan aan afstandsmoeders, dat wat zij willen bieden verder gaat dan erkennen van het onrecht dat hun is overkomen.
Ik heb een droom dat asielzoekers hartelijk worden ontvangen en tegemoet getreden, ook in plaatsen als Loosdrecht en Apeldoorn.
Ik heb een droom dat woede en boosheid die gevoed worden door polarisatie niet worden omgezet in vernielen en kapotmaken, maar in het zoeken van vrede en recht voor de naaste.
Ik heb een droom dat op de komende synode van de CGK er eenheid en eendracht zal zijn.
Ik heb een droom dat binnen de CGK naar de stem van het midden geluisterd wordt.
Stel dat
U merkt dat de dromen divers zijn. Voor sommige dingen ligt de verantwoording bij mezelf, bijvoorbeeld in mijn woonplaats Apeldoorn. De meeste dingen liggen echter buiten mijn macht. De genoemde dromen laten zien hoe ingewikkeld het is als het om dromen, visioenen en profeteren gaat. Nu heb ik tevoren aangegeven dat het geen boodschappen van God zijn. Maar stel dat het wel dromen zijn die God mij gaf. Het zou toch kunnen, want God wil toch vrede en gerechtigheid voor misdeelden? Hij wil toch eenheid tussen christenen? Stel dat de Here God mij deze boodschappen gegeven heeft. En een stap verder, openbaringen van God die voor u bestemd zijn. Zou u ze dan accepteren als boodschap van God? Ik hoor u al denken. Wie is dat die deze droom kreeg, is ze betrouwbaar? Is ze van hetzelfde houtje als ik? Hoe toets ik of dit werkelijk van God komt? Een waar dilemma. Maar goed, wees gerust, het zijn geen van God ontvangen dromen. Slechts het weten dat Gods Geest is uitgestort op alle vlees, met daarbij de woorden van Petrus: ‘Want nooit is een profetie voortgekomen uit menselijk initiatief: mensen die namens God spraken werden daartoe altijd gedreven door de heilige Geest’ (2 Petr. 1:21).




