Skip to main content

Als christelijk-gereformeerden op dit moment onder elkaar over de kerk beginnen, is dat met diep bezorgde gezichten. Alleen op zondag tijdens de kerkdienst, als ze samen de apostolische geloofsbelijdenis uitspreken en één heilige, algemene, christelijke kerk belijden, klinkt er misschien een positieve toon, maar na de dienst, bij de koffie, en in de rest van de week heerst de gelatenheid of de verontwaardiging als de kerk ter sprake komt.

Een fantastische kerk
Ik las onlangs een boek over de kerk met de titel: De kerk is fantastisch (uitgeverij KokBoekencentrum Utrecht). De auteur is Rik Torfs, een rooms-katholiek gelovige uit Vlaanderen. Hij is lid van een kerk die in zwaar weer verkeert, in ieder geval in ons werelddeel. Het ene na het andere kerkgebouw moet sluiten door gebrek aan gelovigen. En elke keer opnieuw duikt er een bericht op van seksueel misbruik door een geestelijke of van pogingen van kerkleiders dergelijke voorvallen te verdoezelen.

Torfs is jurist, kerkjurist. Nu hebben juristen de naam dat ze rechtlijnig zijn, van de regeltjes. Hun gereedschap is het wetboek en de wetten staan daar zwart op wit; je moet alleen de juiste regel op de juiste situatie toepassen. Dit is volgens mij een onterecht oordeel over juristen. Bedenk hoe advocaten de regels ‘plooien’ ten bate van hun cliënt en hoe rechters de persoonlijkheid van een verdachte en de omstandigheden rondom de vermeende misdaad in rekening brengen. Het vooroordeel van rechtlijnigheid over juristen geldt zeker Torfs niet. In 2020 schreef hij het genoemde boek met zijn uitdagende titel. Die is natuurlijk gericht tegen het imago dat de kerk bij velen vandaag heeft: een saai, ouderwets, star en irrelevant instituut. In zijn boek schrijft Torfs een hoofdstuk tegen moralisme. Het zou niet onlogisch zijn te denken dat juristen moralisten zijn. Zij hebben van de moraal hun werk gemaakt. Maar Torfs hekelt het als leiders ons precies vertellen wat we wel of niet moeten doen. Want dan hoeven we alleen nog maar te gehoorzamen en kunnen we ons geweten uitschakelen. Terwijl de kerk juist een plaats moet zijn waar gewetens worden gevormd. Bovendien hebben alle berichten over seksueel misbruik door geestelijken de geloofwaardigheid van de kerk zo aangetast, dat iedere eis tot morele zuiverheid hol klinkt. De kerk is veeleer een ziekenhuis. Ze is er niet voor wie onberispelijk leven, maar voor de gebrekkigen. De rode draad van De kerk is fantastisch is de afwijzing van de claim van het absolute gelijk door de kerk. Torfs bekritiseert uitspraken van bisschoppen en pausen. In dat verband schrijft hij ook over de kerk en humor.

"Er is een moment van onderlinge verbondenheid gevoeld in de doorgebroken glimlach op ieders gezicht"

Tussen relativisme en absolutisme
Alomvattend relativisme is onwerkbaar. Dan kun je niemand meer ergens op aanspreken. Het raakt de waarheid en de betrouwbaarheid van ideeën en van mensen. Maar het andere uiterste, het verabsoluteren van jouw gedachten als enige en eeuwige waarheid, is net zo onhoudbaar. In het leven kan het juist verkeren. Als rooms-katholiek heeft Torfs met stevige waarheidsclaims te maken. De onfeilbaarheid van de paus, de heilsnoodzakelijkheid van het lidmaatschap van de roomse kerk, de macht van de geestelijken die de sacramenten bedienen zonder welke je niet zalig wordt laten geen ruimte over voor andersdenkenden. Torfs kan er niet mee uit de voeten en relativeert deze roomse gedachten. Hij noemt dan de humor. Humor maakt de kerk verdraagzaam en te verdragen. Want humor relativeert.

De onwillekeurige glimlach
Iedereen die wel eens vergaderingen bijwoont waar standpunten worden ingenomen en besluiten moeten vallen zal het herkennen. Twee personen hebben een totaal andere mening en hoe langer er gepraat wordt, hoe verder de meningen uiteen gaan lopen. Beiden zijn overtuigd van eigen gelijk en graven zich steeds dieper in. Het komt neer op: jij of ik. Maar ineens kan alles kantelen als een van de aanwezigen een humoristische opmerking maakt. Iedereen, ook de kemphanen, schieten in de lach, onwillekeurig, soms ongewild. De benauwende sfeer waarin de discussie was terechtgekomen breekt open en iedereen ziet het betrekkelijke van zijn woorden in. Er is een moment van onderlinge verbondenheid gevoeld in de doorgebroken glimlach op ieders gezicht. Er is nieuwe bereidheid om verder te praten. Dat is de relativerende invloed van humor.

Waarheid en eigen gelijk
Wat ik inzichtgevend vind, is dat Torfs onderscheid maakt tussen de waarheid zelf en de gedachte dat ik die aan mijn kant heb. Humor relativeert niet de waarheid zelf, maar wel mijn claim dat ik gelijk heb. ‘Quid hoc ad aeternitatum’ schrijft hij dan. De Latijnse woorden die ik als titel heb gebruikt. Alleen al het Latijn is humoristisch. Het staat interessant en klinkt gewichtig boven een artikel van mij in De Wekker. Tegelijk is het mysterieus. Het maakt nieuwsgierig. Want wat betekent het? Dit: ‘Wat betekent dit in het licht van de eeuwigheid’. Mijn ideeën en onze discussies worden gerelateerd aan de eeuwigheid. Als dat gebeurt, verschuift het gewicht.

Ik, vogels en bloemen
Een van mijn favoriete Bijbelgedeelten is Mattheüs 6:25-33. Je komt dit gedeelte ook ergens in Torfs boek tegen. Het zijn relativerende woorden van Jezus: ‘Daarom zeg Ik u: Wees niet bezorgd over uw leven, over wat u eten en wat u drinken zult; ook niet over uw lichaam, namelijk waarmee u zich kleden zult. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding? Kijk naar de vogels in de lucht: zij zaaien niet en maaien niet, en verzamelen niet in schuren; uw hemelse Vader voedt ze evenwel; gaat u ze niet ver te boven? Wie toch van u kan met bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen? En wat bent u bezorgd over de kleding? Kijk naar de lelies in het veld, hoe ze groeien; ze werken niet en spinnen niet; en Ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet gekleed ging als één van deze.”

Eten, drinken en kleding zijn eerste levensbehoeften. Niets is belangrijker voor ons. Dat zal Jezus zeker niet ontkennen. Toch stelt Hij de vraag: wat betekent onze zorg ervoor in het licht van de eeuwigheid? Hij relativeert ze door onze aandacht te bepalen bij vogels en bloemen. En uiteindelijk door ze te verbinden aan de eeuwige God en Zijn koningschap.

Quid hoc ad aeternitatem? De kerk zou zich die vraag wat vaker moeten stellen.

Weergaven: 0