Skip to main content

In deze serie artikelen maken we kennis met verschillende soorten Psalmen. Deze Psalmen behoren tot verschillende genres qua Psalmen, maar ze zijn ook onbekender. Welk beeld van God krijgen we vanuit de Psalmen aangereikt? Hoe wijzen de Psalmen ons op Christus? Vandaag deel 6: de wraakpsalm, Psalm 137.

De psalmen worden graag gelezen en gezongen. Je hoort er over Gods lof en trouw. Je komt er alle situaties van het leven tegen. Je ziet er gelovigen in het hart. Maar hoe kan het dan dat er psalmen zijn waarin de dichter de meest afschuwelijke dingen toewenst aan zijn vijanden? Laten wraakpsalmen ook iets zien over gelovigen en over God?

Een voorbeeld van zo’n wraakpsalm is Psalm 137. Als je de psalmen op volgorde leest, heb je net 136 gehad, met het refrein over Gods goedertierenheid, die duurt tot in eeuwigheid. Psalm 137 begint ook nog mooi. Het gaat over de verslagenheid van de ballingen in Babel. Ze zijn verslagen, gedeporteerd uit hun land, hun God wordt bespot. Hoe kunnen ze nog een lied van de HEERE zingen in een vreemd land? Het zou alleen maar leedvermaak en spot bij hun vijanden geven.

Verlangen en vergelding

In de verslagenheid klinkt ook het verlangen, naar Jeruzalem. Al is het op dat moment een puinhoop, letterlijk, het blijft toch de stad van God. Je hoort het heimwee: hoe goed het was in de dienst van God, de nabijheid van God. De dichter wil nog liever al zijn kracht en woorden verliezen dan dat hij ergens anders vreugde zou vinden.

Tot zover is het een prachtige psalm, met een boodschap van troost in het grote verdriet van de ballingschap en met een hartstochtelijk verlangen naar Gods aanwezigheid. Maar dan komt het slot van de psalm, over iemand die kleine kinderen grijpt en tegen de rotsen verplettert. En die wordt geprezen! Als je niet wist waar het vandaan kwam, zou je denken dat het propaganda was van een terroristische organisatie. Laat dat alleen de diepte van menselijke wraakzucht zien of is dit ook openbaring van God?

Pas bij dit slot richt de dichter zich tot God zelf. ‘HEERE, denk aan de Edomieten.’ Daarna gaat het over Babel. De Babylonische legers hadden het land verwoest, ze hadden Jeruzalem ingenomen en platgebrand, ook de tempel. De Edomieten hadden hen geholpen om met Juda af te rekenen. Edom was een buurvolk en broedervolk nota bene, de nakomelingen van Ezau, maar het had vol leedvermaak toegekeken en meegedaan.

De dichter van Psalm 137 bidt dat de HEERE daaraan denkt. Babel zal als vergelding zelf ook verwoest worden. Dat de Israëlieten daar in hun omstandigheden naar verlangen, valt nog wel te begrijpen. Maar dat laatste, een zaligspreking van wie kleine kinderen verplettert. Je wilt er niet eens aan dénken. En daar eindigt de psalm mee! Wij voelen daar grote moeite bij. Kun je dat bidden, of meezingen: zalig als je dat doet …? Is dat niet puur menselijk, verkeerd, ver beneden wat de Heere Jezus ons leert in het Nieuwe Testament?

Toch is het, juist als we ongemak of weerzin ervaren bij wat de Bijbel lijkt te zeggen, belangrijk om nog wat langer te luisteren.

"Het gaat niet om het concrete beeld"

Ondergang van de aartsvijand

Het slot van Psalm 137 laat zien hoe ontzettend wreed het er in oorlogen vaak aan toeging. Ook elders in het Oude Testament komt naar voren hoe vrouwen en kinderen gedood werden, vaak op een verschrikkelijke manier. En zou dat beter zijn geworden in onze tijd? Je huivert als je berichten hoort uit Oekraïne of Israël over marteling, seksueel geweld, en weerloze mensen en kinderen die afgeslacht worden. Afschuwelijk wat wij mensen elkaar aan kunnen doen!

De psalm benadrukt daarbij de vergelding van wat Babel zelf gedaan heeft. Zulke wreedheden hebben de Babyloniërs begaan tegen Israël. Dat vraagt om vergelding volgens de wetten van het Oude Testament: oog om oog. Niet méér dan dat, maar een vergelding die past bij de misdaad. Wat zou je zelf overigens doen als je zulke afschuwelijke dingen had zien gebeuren bij je eigen geliefden?

Maar dan toch: waarom nu juist kinderen? De psalm gebruikt een heel concreet beeld en dat maakt het zo indringend. Toch gaat het hier niet om blinde wraak en wreedheid. Kinderen, dat is de toekomst. Als de vijand geen kinderen heeft, heeft hij geen toekomst, dan komt er een einde aan zijn heerschappij. Dat was precies wat Babel ook gedaan had. De twee zonen van Zedekia, de laatste koning van Juda, werden voor zijn ogen gedood. Zedekia zelf mocht wel blijven leven, maar aan het koningshuis was een einde gemaakt. Dat is ook de bedoeling in deze tekst. Het gaat niet om een toppunt van wreedheid of geweld tegen weerlozen. De bedoeling is dat Babel geen nageslacht heeft, geen toekomst. Laat er een einde komen aan de macht van deze onderdrukker, deze vijand van God en Zijn volk. Het gaat niet om het concrete beeld, maar om de boodschap van Babels totale ondergang.

Die ondergang had de HEERE bovendien zelf beloofd. Hij had Babel geroepen om Israël te straffen. Maar Babel wacht zelf ook het oordeel van God om zijn eigen zonde (zie Jer. 50-51). De dichter is niet bezig om zijn persoonlijke wraakzucht te botvieren of om zelf te bepalen wie God moet straffen. Hij verwijst naar Gods eigen belofte.

Babel is in de Bijbel de aartsvijand, die zich sterk maakt tegen God. Ze staan in deze psalm tegenover elkaar: Babel en Sion. Wie heeft het voor het zeggen: Babel met zijn macht of de levende God? Kunnen mensen ongestraft spotten met God en proberen om Zijn volk uit te roeien? Kunnen misdadigers doorgaan met hun wreedheden en er ook nog mee wegkomen? Of is er een God die leeft en die recht zal doen, om zo een einde te maken aan alle onrecht en het verzet tegen Hem? Het gaat niet om zomaar een volk dat verloren heeft, maar om Gods eigen zaak.

Gebed

Wat wel het meest van belang is om het slot van Psalm 137 te lezen, is dat de dichter bidt! Hij vraagt om vergelding aan God, hij neemt die niet in eigen hand. De ballingen maken geen plannen om wraak te nemen op Babel, ze bidden niet om kracht om dat uit te voeren, maar ze leggen hun nood in Gods hand. Dat geldt ook de vraag hoe God dat zal doen. ‘Denk aan de Edomieten’, vraagt de dichter, maar hij zegt niet wat God dan moet doen. Wie zijn handen vouwt, houdt z’n handen zolang in elk geval thuis.

Deze woorden zijn geen oorlogskreet of propaganda van terroristen, maar een gebed tot de levende God. Het is een roep uit diepe ellende, door mensen die alles verloren hebben en uitzien naar Gods recht. En zou je in zo’n situatie niet mogen bidden om recht? Als je gezien hebt hoe de Babyloniërs hebben huisgehouden en je kunt niets beginnen … Internationale verdragen en een strafhof waren er niet – en nu ze er wel zijn, worden ze ook genegeerd.

"Wraakpsalmen zijn geen wanklank, maar vragen wel de goede toonhoogte."

Wij westerlingen hebben grote moeite met zulke teksten in de Bijbel – ik ook, en na alle uitleg is dat niet weg. Maar er zijn mensen die verschrikkelijk geweld hebben meegemaakt, die uit zulke psalmen juist troost putten, dat je met alle onrecht, boosheid en wraakgevoelens naar God mag gaan. Je mag het in Zijn handen leggen, biddend dat Hij recht zal doen. Het zou pas echt vreselijk zijn als God níét zou toornen over alle onrecht en zonde op aarde en er niet eens een einde aan zou maken! Wat een troost dat je ook je machteloosheid of haat aan Hém mag overgeven. Hij neemt het serieus en Hij zal volkomen recht doen.

Typisch oudtestamentisch?

Maar is dit niet typisch het Oude Testament? Leert de Heere Jezus het ons in het Nieuwe Testament niet anders, namelijk om je vijanden lief te hebben en voor hen te bidden? Zoals Hij zelf deed aan het kruis: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.’

Het is uit de hele Bijbel volstrekt duidelijk wat God nu van Zijn volk vraagt: je vijanden liefhebben, de vrede zoeken. Gods koninkrijk komt niet met menselijk geweld; er is nooit ruimte voor de kerk om geweld te gebruiken of om als individu zelf wraak te nemen. Als er al geweld nodig is, ligt dat in handen van de overheid.

Ook het Nieuwe Testament spreekt echter over het oordeel van God, en er wordt gebeden om Gods vergelding. In Openbaring bidden zelfs de verlosten in de hemelse heerlijkheid: ‘Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet?’ (Openb. 6:9-10). En later in Openbaring wordt de val van Babylon aangekondigd, de grote vijand van God. ‘Vergeld haar, zoals zij u vergolden heeft’ (Openb. 18:6). Er wordt zelfs een loflied gezongen op God, die volkomen rechtvaardig oordeelt. ‘Halleluja, dat God het bloed van Zijn dienaren gewroken heeft’ (Openb. 19:1-2). Ook het Nieuwe Testament spreekt over het oordeel van God en doet een beroep op Gods recht. Je kunt niet een paar psalmen overslaan en dan van de moeite met dat oordeel af zijn.

Spiegel

We mogen onszelf wel de vraag stellen of zo’n psalm ons geen spiegel voorhoudt. Zijn wij als westerse, moderne mensen misschien lauw geworden? Leggen wij ons niet veel te makkelijk neer bij alle zonde in de wereld en in ons eigen leven? Zijn wij echt bewogen met onrecht dat Gods kerk en anderen wereldwijd wordt aangedaan? Lijden wij wel als Góds eer, Gods recht vertrapt wordt?

Misschien ligt daar wel de oorzaak dat wij zo’n psalm maar moeilijk kunnen zingen. De Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer heeft daarop gewezen in een preek over Psalm 58. Wij hebben snel de neiging om op zo’n psalm neer te kijken, alsof wij moreel hoger staan. Maar Bonhoeffer keert het om: zo’n psalm is te hoog voor ons. Want je moet wel heel dicht bij God leven om zo te kunnen bidden: zo vol van Gods heiligheid, zo bewogen met Gods recht, zo vol overgave in Zijn hand.

Als Gods oordeel werkelijk komt, is het zo rechtvaardig dat ik daar ook onder val. God overziet alles, wij niet. Hij doorgrondt ons hart, Hij alleen heeft de kennis, de macht en de bevoegdheid om volkomen recht te doen. Maar dat betekent dat Zijn oordeel dan ook over mijn leven gaat. Waar blijf ik als Hij al mijn daden, gedachten en verlangens in het gericht brengt?

Gods oordeel is neergekomen op de enige die het niet verdiend had, Zijn eigen Zoon. Hij was zonder zonde, maar gaf zich over in plaats van zondaren. Daarmee komt zo’n psalm wel in een ander licht te staan. Het Nieuwe Testament wijst de wraakpsalmen niet af; tegelijk worden ze ook niet herhaald. God heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard; daarom valt juist bij Hem en het geloof in Hem de scheiding. ‘Wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven.’ Maar ook: ‘wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem’ (Joh. 3:36).

Een lied van vergelding wil ons brengen tot gebed om vergeving. Vergeving die ik zelf zo hard nodig heb. Vergeving voor vijanden, zoals Christus dat de Zijnen leert. Maar ook het gebed om recht, als je groot onrecht of onpeilbaar leed is aangedaan. Deze psalm wijst ons de weg om niet je vuisten te ballen, maar je handen te vouwen – of zelfs om gebalde vuisten toch eerst te vouwen.

Wraakpsalmen zijn geen wanklank, maar vragen wel de goede toonhoogte. Christus leert ons bidden: ‘Uw koninkrijk kome.’ Dat is een gebed om Zijn regering in mijn eigen leven, een gebed om bekering van Gods vijanden, maar ook, zoals de Heidelbergse Catechismus prachtig uitlegt, het verlangen naar Gods volkomen heerschappij. Gods vijanden vergaan, Christus brengt vrede en volkomen gerechtigheid.

Weergaven: 0