Skip to main content

Wie kent de liederen van Willem Barnard niet? Onlangs zijn ze allemaal bij elkaar gebracht in een prachtige uitgave. Twee (!) banden lichten al die liederen toe. Wat kenmerkt de liederen van Barnard? Hoe wil Barnard eigenlijk dat wij zingen?

Bekend in de breedte van de kerken zijn vertalingen die Barnard (1920-2010) maakte van Engelse liederen: ‘Blijf mij nabij wanneer het duister daalt’ en ‘De ware kerk des Heeren’ bijvoorbeeld. Ook berijmde Barnard voor de Psalmberijming van 1967 een heel aantal psalmen waarvan sommigen ook bekend zijn in gemeenten die die berijming niet gebruiken: ‘De stilte zingt U toe o Heere’ (Ps. 65) en ‘Waarlijk dit is rechtvaardig, dat men de Heere prijst’ (Ps. 92). En er zijn heel wat ‘eigen’ liederen van Barnard. Wie heeft in de kersttijd nooit ‘Eer zij God in onze dagen’ gezongen? In totaal staan er 352 liederen in de bundel In wind en vuur.

Duiding
Twee banden geven toelichting bij de liederen. Per lied wordt aangegeven in welke bundels het lied wordt gebruikt, welke Bijbelse lijnen erin verwerkt zijn, wat de poëtische kracht is, zijn plaats in de liturgie en hoe de melodie tot stand gekomen is.
Al die toelichtingen zijn geschreven door mensen met (veel) verstand van zaken. Ze zijn ter zake en diepgravend. Maar de boeken kunnen ook prima als dagboek worden gebruikt: iedere dag van het jaar een lied overwegen en de Bijbelse lijnen lezen en overdenken. Bij ‘Eer zij God in onze dagen’ bijvoorbeeld wordt opgemerkt: ‘De gemeente, bijeen in het duister van die nacht, wordt te verstaan gegeven dat “deze tijd” de tijd is van heersers als Augustus en dat ‘onze dagen’ gekenmerkt zijn door landvoogden als Quirinius. De heersers bepalen onze tijd.’ ‘Het lied bezingt dat “onze dagen” (strofe 1) geen Augustusdagen, maar “levensdagen” (strofe 3) kunnen zijn. “Augustusdagen werden genesisdagen, schepping gaande.”’

Woordpoëzie
Er leefde bij Barnard een diep besef dat in de gemeente het Woord van God klinkt. Veel van de liederen zijn daarom geschreven naar aanleiding van de lezingen die de leesroosters van de anglicaanse, de lutherse en de rooms-katholieke kerk voor die zondag bevatten.
Bijvoorbeeld het lied over de schenker en de bakker (lied 195 in deze bundel). Het opent zo:

De schenker en de bakker,
die hadden zich misdragen,
die zaten vele dagen
op water en op brood.

Dat is duidelijk en heel eenvoudig. Iedereen herkent het verhaal. Maar in de volgende strofen wordt het wachten van de schenker en de bakker een wachten op de oordeelsdag en het brood wordt avondmaalsbrood:

De een wordt prijsgegeven,
de ander krijgt het leven,
maar beiden zijn verheven,
want bloed en wijn zijn rood.

Zo blijven ze tezamen,
het oordeel, de genade,
met passie en met Pasen,
de beker en het brood.

De tekst gaat open in het geheel van de Schrift en in het midden van de gemeente die hoort en viert.

Zingen is innen
Wat is eigen aan de liederen van Barnard? Voordat in de twee oranje bundels de liederen worden toegelicht wordt in 150 pagina’s artikelen geschreven over het leven van Barnard en hoe en waarom hij zijn liederen schreef.

‘Nee, zingen doe je niet om uiting te geven aan wat in je leeft, maar om jezelf te binnen te brengen wat je niet “eigen” is.’

In een artikel van Barnard zelf schrijft hij: ‘Nee, zingen doe je niet om uiting te geven aan wat in je leeft, maar om jezelf te binnen te brengen wat je niet “eigen” is.’ Zingen is voor Barnard dus niet zozeer een bezigheid om je uit te spreken als wel om je iets te binnen te brengen. Je uit niet, je int. Je zingt over een werkelijkheid die je niet meteen bekend is, die je misschien ook wel niet ligt maar al zingend gaat er iets voor je open.
Daarmee keert Barnard zich tegen poëzie die het gevoelsleven van de dichter uitzingt. Maar ook tegen een kerklied dat zijn eigen religieuze meer of minder bevindelijke emoties bezingt. Dat lijkt me actueel: is veel van wat we zingen (thuis en in de kerk) niet vooral bedoeld om ons te uiten? Zijn de liederen die echtparen aandragen voor hun trouwdag misschien vooral de uitdrukking van wat zij van God hebben ervaren of wat ze van Hem willen? En geldt hetzelfde niet voor de psalmen die u hebt genoteerd voor uw begrafenis? Maar is wat wij voelen en ervaren wel zo heilzaam? Zouden we misschien in de kerk ook iets kunnen zingen dat ons helemaal niet bekend voorkomt, dat ons bekeert?

De mythe
Er is een woord dat bij Barnard geregeld voorkomt: de mythe of mythologisch. Tjerk de Reus schrijft een inzichtgevend artikel waarin hij aan de hand van dat begrip ook een ontwikkeling bij Barnard tekent. In de jaren 40 en 50 van de vorige eeeuw wordt zijn theologie en ook zijn dichterschap gekenmerkt door de theologie van Karl Barth en Oepke Noordmans. Die theologie is kritisch op de mythe. De mythe is een levensbesef dat voortvloeit uit de verhalen die verteld worden. Het besef, het verlangen dat een mens heelheid en eenheid wil, rust en regelmaat. Het is het verhaal van de Germaanse mythe dat in de jaren 30 en 40 zo vaak verteld én bezongen was.
Barnard is daar dus kritisch op. Het Woord van God doorbreekt de mythe, het ontmaskert die. Mensen worden door de aanspraak van het Woord juist losgemaakt uit de ban van de mythe. De ervaring van gebrokenheid is dan het gevolg van de inslag van het Woord.
De mythe, maakt die zich ook in onze tijd niet groot? Zijn het niet de verhalen die ook in onze tijd worden verteld in tv-programma’s die een idylle vertellen of politieke verlangens naar boerenwijsheid?
Later gaat Barnard naar Engeland en daar leert hij iets anders: de dankbaarheid. In de anglicaanse liturgie ontdekt hij dat het Woord van God ons niet alleen wegroept maar ook een richting wijst, hoop wakker maakt. Het sacrament begint dan een grotere rol te spelen als de plek waar de belofte waar wordt. Dan blíjft het lied dus spreken van een werkelijkheid die anders is dan wat wij bedenken maar na ellende en verlossing wordt er dan ook gezongen op de toonhoogte van de dankbaarheid.
Ik denk dat veel eigentijdse liederen raken aan hoop en belofte. Maar het is wel de vraag of dat verlangen dan uiteindelijk niet mythologisch is in die zin dat de aanbidding een wereld bezingt die wij graag zouden willen. Aan de andere kant is er ook een zingen dat blijft hangen in vragenstellen, in een eindeloos zoeken naar een nieuw hart. Maar Gods Woord en Geest bewerken ook iets. En dat mag gezegd worden.
Goed, er valt nog veel meer te grasduinen in de artikelen. Over het kerkelijk jaar, over de sacramenten of over hoe Barnard de Psalmen berijmde. Het is een prijzige uitgave, maar een prachtige uitgave.

Weergaven: 87