Skip to main content

Hoe wordt er in de Psalmen gesproken over tegenstanders? Waar wordt God om gevraagd? Waarom is dat? Hoe wordt er in onze maatschappij gesproken over verschillende groepen? We leven volgens velen in een gepolariseerde maatschappij, kunnen we dan wat met de manier waarop over vijanden wordt gesproken in de Psalmen?

Welk beeld van de kwaaddoeners zetten de Psalmen neer en waar wordt God om gevraagd? En wat kunnen we daar nu nog mee in het maatschappelijk debat. Voor het antwoord op deze vragen luisteren we eerst naar Calvijns uitleg van de Psalmen, een uitleg die heel actueel blijkt.

De kerk is nooit zonder vijanden.
De kerk wordt voortdurend bestreden en is nooit zonder vijanden, en zelfs heftige vijanden die, zoals Calvijn schrijft, ‘haar wreed en meedogenloos bestrijden’. Niemand hoeft de hoop te koesteren dat de kerk in deze wereld ooit In een situatie van rust komt, want de satan zal haar steeds met nieuwe vijanden bestoken. God zal dit toelaten om zo ons geduld zowel te oefenen als te testen. De omsingeling door vijanden dient de oefening in de krijgsdienst. God wil zijn kerk verootmoedigen en tegelijk biedt Hem dat gelegenheid zijn macht te openbaren. ‘God kan de teugels van de satan wat laten vieren om daarna zijn heerlijkheid des te beter te openbaren.’ In de aanvallen ziet de kerk haar onmacht en ervaart zij Gods kracht. Een meer positieve verklaring geeft Calvijn als hij zegt dat God ons blootstelt aan onrechtvaardige vervolging, ‘opdat wij des te opgewekter kunnen roemen dat wij met Christus het kruis dragen, zodat wij ook met Hem deelhebben aan de opstanding’. De geschiedenis leert dat de kerk altijd al onrecht heeft geleden, maar ook dat de kerk steeds goed door de beproevingen is heen gekomen. Geschiedenis kan dus in die zin bemoedigen dat het terugzien op wat God in het verleden gedaan heeft in het afweren van de vijanden, moed kan geven voor het heden. Dat is één van de redenen de Psalmen te lezen, want dan wordt duidelijk ‘dat ons vandaag niets overkomt wat Gods kerk ook vroeger al niet heeft meegemaakt’. Achter de schermen van de geschiedenis wordt de strijd tussen God en de satan gevoerd. De satan zit dus achter de vijanden waar de kerk mee te maken krijgt en het patroon van de geschiedenis is dat de satan steeds aanvalt en God steeds afweert.

Kerk onder het kruis
De kerk leeft in die geschiedenis tussen God en de satan, maar God zal winnen: ‘Het is echt een goddelijk wonder dat de kerk die zo hevig door satan en talloos veel vijanden aangevallen wordt, toch bewaard blijft’. Zoals voor Israël terugkeer uit de ballingschap niet het einde van moeite en strijd betekende, zo geldt dat ook voor de kerk na de dood, de opstanding en de hemelvaart van Christus. Tot aan de wederkomst ‘moeten wij strijden onder het kruis’. Deze ‘smaad van het kruis’ verduistert voor het oog van de wereld (‘coram mundo’) wel de glorie van de kerk. Strijd zal de kerk steeds kennen, ‘want Christus kan slechts door oorlog voeren een vredig Koninkrijk verkrijgen’. Weliswaar is het rijk van Christus een rijk van vrede en rust en gaat er van dit rijk ook rust uit naar de wereld, maar omdat dit Koninkrijk in de wereld botst met de slechtheid van de mensen, kan het zich niet zonder tumult verbreiden. Calvijn geeft deze ’theologia crucis’ (theologie van het kruis) een pastorale spits door te zeggen dat de bestrijding die de kerk ervaart geen reden is tot paniek, maar juist tot bemoediging. Tumult is teken van de voortgang van Christus’ rijk. Hier ligt voor Calvijn overigens wel een ’theologie van onderen’ op de loer. Wat wij zien is een Koninkrijk van Christus dat verstrooid, vervallen en verminkt is. Als het in Psalm 2 gaat over de heerschappij van Christus en de ondergang van de goddelozen, lijkt vandaag het tegendeel het geval te zijn. De ijzeren knots van vers 9 is eerder in handen van de goddelozen dan in die van Christus en komt op de kerk neer in plaats van op de vijanden. Anderzijds is de wetenschap dat de kerk altijd met vijandschap te maken heeft ook reden niet in paniek te raken als er een nieuw soort aanvallen komt opzetten.

De troost voor de strijdende kerk komt ook voort uit de relatie tussen Christus en de kerk. God treedt ter bescherming op, omdat Hij ieder die de gelovigen aanvalt beschouwt als zijn eigen vijand. Wie aan de kerk komt, komt aan God zelf.

Vijanden in de kerk
Heel concreet spreekt Calvijn in de uitleg van Psalm 83 over de paus die met een ‘duivelse woede’ de hele wereld tegen ‘ons’ opzet. Nergens elders in Zijn Psalmen commentaar wordt zo direct en zo fel over de paus en de vijandschap tegen de kerk gesproken. Calvijn ziet een duidelijke parallel met het lijden dat Christus op aarde onderging. Hij werd bestreden door de officiële ambtsdragers van de kerk, en zo wordt zijn lichaam vandaag ook bestreden door wettige dienaren die zich als de opvolgers van Petrus beschouwen, maar in werkelijkheid opvolgers van Kajafas zijn. Toch is in deze commentaar nergens een oproep tot breken met de rooms-katholieke kerk te vinden. Calvijn wijst wel op de moeiten die mensen hebben om te leven in een kerk waar het licht tot duisternis wordt en de majesteit van God bespot. Ook David werd een vreemdeling in zijn eigen land, en dat kan ook de situatie van de gelovige in de kerk zijn. De analogie David-Christus-kerk kan Calvijn ook positief toepassen.

'ex tenebris mortis ecclesia' (de kerk komt vanuit de duisternis van de dood)

Zo wijst hij erop dat David een vluchteling was en slechts ternauwernood zijn leven wist te redden, maar dat God tenslotte de rollen omdraaide en Davids vijanden moesten vluchten. Het zal — aldus Calvijn — de vijanden van Gods kerk anders vergaan dan Julius Caesar die na de gemakkelijke verovering van Egypte kon zeggen dat hij kwam, zag en overwon. Gods vijanden zullen komen, versteld staan en overwonnen worden.

Verborgen bescherming
Echter God beschermt de kerk niet altijd op zichtbare wijze. De uiterlijke verschijning van de kerk kan zelfs zodanig verdwenen zijn, dat het lijkt alsof de kerk dood is. Juist op dat moment schept God haar als het ware opnieuw. Dat is volgens Calvijn het typerende van Gods manier van werken, want zoals God eens uit niets (‘ex nihilo’) hemel en aarde heeft geschapen, zo past het bij zijn werkwijze om ook de kerk weer uit de duisternis van de dood op te richten.’ Voor Calvijn is er niet alleen ‘post tenebras lux’ (na duisternis komt licht) zoals het devies van Genève luidde, maar geldt eveneens: ‘ex tenebris mortis ecclesia’ (de kerk komt vanuit de duisternis van de dood). Evenals Christus’ godheid tijdens zijn leven op aarde meestentijds verborgen was, zo geldt dat vanzelfsprekend ook van zijn lichaam, de kerk. Opnieuw speelt hier de analogie met David een rol. Hij was reeds vroeg tot koning gezalfd, maar dat koningschap bleef lang verborgen en dat gold van Christus’ koningschap ook. Die verborgenheid van de kerk impliceert ook de waarschuwing niet op het uiterlijke af te gaan. De grote gebouwen van de papisten met hun indrukwekkende altaren zijn voor God en zijn engelen een gruwel, ’terwijl de ruïnes van de ware kerk heilig zijn’.

Calvijn en wij
Onze situatie is niet die van mensen die vanwege hun geloof moeten vluchten, maar wel die van vreemdeling. Vreemdeling in deze wereld in de zin van mensen die op doorreis zijn en dat leidt soms tot vormen van vijandschap die voortkomen uit zowel onbegrip als afkeer. Onbegrip omdat niet begrepen wordt waarom christenen zich anders gedragen en andere meningen hebben dan wat als algemeen aanvaard of normaal wordt gezien. Maar ook afkeer en daarmee vijandschap omdat Bijbelse standpunten steeds meer gezien worden als discriminerend, als inperking van vrijheid, en als gewetensdwang. Juist Calvijns spreken over de satan die achter de vijandschap jegens kerk en gelovigen zit, kan ons helpen te zien hoe venijnig en hoe agressief die vijandschap is. Die vijandschap houdt bij de kerkdeur geen halt, maar komt vrij gemakkelijk maar onopvallend binnen via gedachten en meningen die niet ineens maar zo gaandeweg de preken en het luisteren daarnaar, de christelijke levensstijl, de geloofsbeleving en de omgang met de Bijbel negatief beïnvloeden.  Calvijn wordt niet concreet in het aanwijzen van wie de vijanden zijn, met uitzondering dan van de paus die zich in zin tijd dan ook als vervolger van christenen openbaart. Dat Calvijn weinig concreet is, wil ik als een verstandige tip aan ons opvatten. Wij zijn snel geneigd heel concreet te worden als het om vijanden gaat en in preken wemelt het dan ook van waarschuwingen tegen verslavingen aan seks, geld, drank, games etc. Of tegen vage grootheden als individualisme, consumentisme en allerlei andere ‘ismen’.  Maar we kunnen deze vijanden – want dat zijn ze wel – zo vaak noemen dat de mensen er immuun voor worden. Is het niet de uitdaging om de ander – en jezelf! – te laten ontdekken wat haar of zijn specifieke vijand is? Tegelijk is er behoefte om die vijanden die zich onder allerlei ‘ismen’ verstoppen, zichtbaar te maken en te ontmaskeren, en daarvoor hebben we denkers nodig. Christelijke filosofen, sociologen, psychologen die ons laten zien wat – of beter wie – er achter sommige fenomenen zit en hoe die in elke tijd weer anders zijn.

 

Christus en het kruis
Opvallend vind ik hoeveel Calvijn spreekt over het kruis van Christus als het gaat over vijandschap. Mij valt op hoe vaak in kerkelijke discussies gezegd wordt: ‘maar het gaat om Christus’. Ik weet niet goed wat daarmee bedoeld wordt, maar ik zie bij dit thema wel dat het dan ook gaat om de Christus aan het kruis. Dat betekent lijden, offers brengen, dat betekent ook de ellende ondergaan die vijanden je toebrengen. Vijandschap die je zelfs vanuit de kerk kunt ondergaan zoals ook Christus dat meemaakte. Wat dat concreet betekent, is denk ik huiswerk voor ieder van ons, maar het betekent in ieder geval lijden in de kerk, lijden aan de kerk en lijden door en voor de kerk. Daarbij is ook te bedenken dat ik als kerklid zelf op een bepaalde manier een vijand van de kerk kan zijn. En als ik zelf met Christus slachtoffer van vijandschap in de kerk wordt, helpt het dat Calvijn bij dit thema ook wijst op het feit dat Christus recht zal spreken. Hij die aan het kruis hangt is ook de rechter over levenden en doden. Maar het feit dat Hij rechter is, bewaart mij ervoor zelf als rechter op te treden. Dit zegt Calvijn die zijn Frankrijk moest ontvluchten omdat zijn leven in gevaar was, die in Genève veel narigheid over zich heen kreeg en die vervolgde gereformeerden her en der in Europa moest bemoedigen. Vijandig onrecht wreken is de taak van Christus niet die van christenen. Dat te weten vraagt veel van de christen in het huidige Europa, maar in de verbinding met Christus is dit zeker te dragen.

Weergaven: 44