Skip to main content

De gelijkenis van de tien bruidsmeisjes begint goed. Er komt een feest, een bruiloft! Maar dan … Voor vijf van hen wordt het een ramp. En de vijf andere zijn dan keihard. En vervolgens ook de bruidegom. Wat een verschrikkelijk verhaal!

Je moet er wél aan denken
Je moet er niet aan denken: je auto begint te sputteren en te schokken, stopt – benzine op. Je pakt je mobieltje om om hulp te bellen – batterij leeg. Daar moet je nu juist wél aan denken: je had er bijtijds aan moeten denken dat dat stond te gebeuren. Want je was wel gewaarschuwd … We weten vandaag de dag misschien beter dan ooit dat dit de dingen zijn waar je goed en op tijd aan moet denken. Aan je mooie auto of dure mobieltje heb je niets als ze leeg zijn. De gelijkenis van slimme en domme meisjes wil ons over zoiets aan het denken zetten.

De laatste dingen
De gelijkenis staat in de ‘rede van de laatste dingen’ (Matth. 24 en 25). Die gaat over de eindtijd en de wederkomst. De eerste woorden zijn al: ‘Pas op’ (24: 4). Met die inzet is de toon in beide hoofdstukken gezet. We moeten ervan doordrongen zijn hoe het erop aan komt: ‘de één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden’. Dat zegt Jezus twee keer (24: 40 en 41) vlak achter elkaar.
Dan volgt er iets dat Jezus ook twee keer vrijwel hetzelfde zegt: ‘Wees dan waakzaam, want u weet niet op welk moment (welke dag en welk uur) uw Heere komen zal’ (24: 42 en 25: 13). Tussen de twee keren dat Hij dit zegt vertelt Hij op drie manieren iets over gedrag bij het niet-weten-wanneer:

  • de heer des huizes die niet weet wanneer de dief komt (24: 43-44) moet er steeds op rekenen;
  • tegenover de wijze dienaar (24: 45-47) staat een dienaar die bij zichzelf zegt: ‘mijn heer blijft nog lang weg’ en zich gaat misdragen en voor wie de heer dan eerder komt dan hij verwachtte (24: 48-51);
  • de wijze en dwaze meisjes voor wie de bruidegom later komt dan zij verwachtten.

Het wordt feest!
In de gelijkenis van de tien bruidsmeisjes horen we eerst de lichte kant van het verhaal: het wordt feest! In de Bijbel horen we op veel plaatsen en manieren dat dat uiteindelijk komt: een groot en heerlijk feest. Dat is wat God belooft. Wat kunnen we genieten van hoogtijdagen in ons leven, waar we van alles voor uit de kast halen. We sparen kosten noch moeiten om alles mooi en leuk en lekker te maken. We genieten van het beste van het beste, en van elkaar, van alles bij elkaar! Hier gaat het over een bruiloft. Dat belooft wat! Wij mogen weten dat God met de geschiedenis uiteindelijk naar zoiets heerlijks toe werkt.

‘In deze gelijkenis gaat het bij “bereid zijn” om iets anders dan niet-slapen. Het gaat om goed voorbereid zijn’

Maar dat laat wel op zich wachten…
Maar het loopt enorm uit: de bruidegom komt maar niet. In het huis van de bruid wachten zij en haar familie en vriendinnen vol spanning. Zoiets brengt een eigen, wat opgewonden sfeer mee. Zeker ook bij de bruidsmeisjes: wat hebben ze er een zin in! Maar met dat de tijd verstrijkt, treedt vermoeidheid op. Logisch, als je bedenkt hoe druk ze zijn geweest met allerlei voorbereidingen. En als het wachten dan nog zo lang gaat duren …
Het lijkt raar dat in de gelijkenis die ingekaderd staat in ‘waak dan’ alle tien de bruidsmeisjes in slaap vallen. Dat hen het in letterlijke zin niet lukt om wakker te blijven, kunnen wij begrijpen. En hierdoorheen kunnen we iets horen van dat Jezus ons begrijpt als de gespannen verwachting verflauwt, onze ogen zwaar worden en dicht vallen.
In deze gelijkenis gaat het bij ‘bereid zijn’ (vgl. 24: 44) om iets anders dan niet-slapen. Het gaat om goed voorbereid zijn. Dat leek hen allemaal wel. De bruidsmeisjes hebben zich mooi gemaakt. Ze hebben allemaal fakkels om te zorgen voor een mooi welkom voor de bruidegom. Je ziet het daarom niet direct – maar er is één groot verschil. En dat blijkt een verschil van dag en nacht, van in het licht of in het donker eindigen.

Oliedom
Het wordt middernacht, nota bene. Maar eindelijk, dan klinkt het: ‘Hij komt eraan! Ga naar buiten, ga de bruidegom tegemoet.’ Dan zijn de meisjes meteen klaarwakker. Ze steken hun fakkels aan. Die horen bij hun taak: het eervol binnenhalen van de bruidegom. Maar dan komt meteen het verschil aan het licht: vijf van de tien hebben geen olie om hun fakkel te doordrenken. Daardoor gaan hun fakkels meteen weer uit.

Even terzijde: heel gebruikelijk is de gedachte dat de meisjes al veel vroeger met een brandend olielampje op pad gingen, dat ze ergens halverwege wachtten en daar in slaap vielen. En dat, toen de bruidegom kwam, de oliereservoirtjes leeg waren en dat alleen de verstandige meisjes toen nog de nodige reserve hadden. De dwaze hadden ‘geen extra olie’ – zo staat het in de NBV (vs. 3), maar dat ‘extra’ staat er niet bij in de grondtekst. Door o.a. prof. J.P. Versteeg (Hoger onderwijs p. 28vv) en Bernhard Reitsma (Onvoorstelbaar p. 61vv) is er met diverse argumenten op gewezen dat de dwaze meisjes kennelijk helemaal geen olie bij zich hadden. Dan waren ze wel helemaal dom. Dan wordt de gelijkenis nog meer zwart-wit: je lamp kan van buiten goed lijken, maar niets waard blijken doordat je echt oliedom bent geweest. Zoals bij de wijze en dwaze bouwer aan het einde van de Bergrede (Matth. 7: 24-27): het verschil tussen wijs en dwaas zit in wat je niet direct ziet, maar waarmee het wel staat of valt: heeft je huis een fundament dat rust op de rots, of is het gebouwd op zand?
Jezus bedoelt niet een verschil tussen net wel, of net niet genoeg hebben – en dat laatste dan door niet voorziene maar wel heel begrijpelijke redenen. Hij zet beide lijnrecht tegenover elkaar.

Onbarmhartige reactie 1
Je ziet het voor je: de vijf meisjes met lege lampen kijken beduusd en beteuterd naar hun lamp of fakkel, en dan naar de vijf andere meisjes. Ze smeken: Geef ons wat van jullie olie!’ Dan klinkt het wel heel cru en bruut dat hun vriendinnen (want dat zullen ze toch wel geweest zijn) dat verzoek resoluut weigeren. Ze willen niet delen, lijkt het. Dat zou wel heel onbarmhartig zijn en haaks op het evangelie staan … (‘Als iemand (…) uw onderkleding wil nemen, geef hem dan ook het bovenkleed; (…) Geef aan hem die iets van u vraagt, en keer u niet af van hem die van u lenen wil’ Matth. 5: 40, 42). Het is schokkend wat de meisjes zeggen die hun zaakjes wel voor elkaar hebben. Schijnbaar ijskoud. In de gelijkenissen zijn het vaak juist dat soort woorden waarmee Jezus Zijn punt wil maken.
In dit geval: het is niet dat ze niet willen delen; ze kunnen dat niet. De ‘olie’ is niet een beetje over te schenken.

‘De olie is niet een beetje over te schenken’

Wat er precies met de olie bedoeld is? Sommigen noemen heel concreet: goede werken, het geloof, de liefde, de Heilige Geest. Je kunt ook denken aan de dingen om deze gelijkenis heen: de twee dienaren van 24: 45-51, die uitgebreid terugkomen in de drie dienaren die talenten toevertrouwd krijgen (25: 14-30). En aan het slot van hoofdstuk 25, over de schapen en de bokken; dat je niet bokkig bent, maar schaap (geworden) zal blijken in dat wat je doet voor armen en behoeftigen – dat heb je aan Mij gedaan, zegt Jezus dan. Het zijn allemaal elementen die eigenlijk onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn. Beter dan een keus voor een van deze dingen is te denken aan alles samen, aan alles waarmee je van binnenuit (beter: doordat Jezus in je leeft) een licht bent in de wereld.
Hoe graag we het misschien ook zouden willen, van zulke dingen kunnen we niets overdoen aan mensen die ons lief zijn. We kunnen alleen doorverwijzen naar waar je dit wel kunt halen – volop en zonder prijs en zonder geld. Maar daar moet je wel op tijd heen. Er is meer dan genoeg te krijgen. Alleen de tijd, die is begrensd.

Onbarmhartige reactie 2
Dat blijkt als de dwaze meisjes voor een dichte deur komen te staan. Dat is ook onbarmhartig. We kunnen het ons haast niet voorstellen. Zoiets zouden wij al niet doen bij een feest: genodigden bikkelhard buitensluiten om een foutje, mensen die er toch bij horen wegsturen.

‘Dat het eens te laat kan zijn is een aansporing om er nu voor te zorgen dat dat niet gebeurt’

Zoiets past nog veel minder bij de oosterse gastvrijheid. Zoiets past – zou je denken – nog veel minder bij God, bij de Here Jezus. De reactie van de bruidegom is nog schokkender dan die van de wijze bruidsmeisjes. En zo ook nog meer het punt dat Jezus wil maken: je kunt te laat komen, en dan is het echt te laat. Dan gaat het feest voor jou niet door …
Nog eens komt iets uit de Bergrede terug. De meisjes die roepen: ‘Heer, heer, doe ons open’, het doet denken aan: ‘Niet ieder die tot Mij zegt: Heere, Heere (…) Velen zullen op die dag zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in Uw Naam (…) Dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend’ (Matth. 7: 21-23). Het komt erop aan dat je doet wat God wil (7: 21 – en de eerder aangehaalde gelijkenis van de twee bouwers, 7: 24-27).
‘Ik ken u niet’ betekent niet dat de meisjes geen kennissen of zelfs niet goede bekenden waren. Het gaat over het doorsnijden van banden die er leken te zijn, maar waar dat een vergissing is gebleken. In de Bijbel betekent ‘kennen’ dat er een persoonlijke relatie is. De dwaze meisjes hebben de bruidegom vreselijk teleurgesteld. Ze zijn er zelf de reden van dat ze het feest niet alsnog kunnen meemaken.

Onbarmhartig?
Is de gelijkenis daarmee een onbarmhartig verhaal? De bedoeling is het tegenovergestelde. Zo indringend als het maar kan waarschuwt Jezus voor wat kán gebeuren, maar niet hóéft. Dat het eens te laat kan zijn is een aansporing om er nu voor te zorgen dat dat niet gebeurt. De uitnodiging voor het feest is er. En de olie – en alles wat er nodig is voor het feest – is volop te krijgen, zelfs ‘gratis’, puur door genade. Maar denk er daarom niet gemakkelijk over.
Uit deze gelijkenis spreekt de barmhartigheid van Christus die niet wil dat je verloren gaat, maar dat je je heil bij Hem zoekt en vindt. Die je erbij wil hebben op het feest dat komt!

Weergaven: 33