Skip to main content

Het woord ‘nieuw’ hangt in de dagen dat dit nummer verschijnt in de lucht. We hebben de jaarwisseling net achter ons en zeggen nog tegen mensen die we voor het eerst in dit jaar zien: gelukkig nieuwjaar! Intussen zijn we nuchter genoeg om te weten dat 2023 niet een heel ander jaar zal worden dan 2022. De oorlog in Oekraïne sleept zich voort, de zorgen rond vluchtelingen, klimaat en energie zijn niet afgenomen. De vraag is niet óf het nieuwe jaar rampen en oorlogen brengt, maar de vraag is slechts: hoeveel.

Het maakt iets duidelijk van wat er gebeurt als wij het woord ‘nieuw’ in de mond nemen. We gebruiken het graag en worden met dat woord door reclamemakers ook geregeld verlokt tot het doen van een aankoop. Intussen weten we natuurlijk dat we gewoon dezelfde telefoon kopen die we al hadden, met een enkel knopje en hier en daar een klein trucje dat de vorige nog niet had. Iets vergelijkbaars geldt voor onszelf. ‘In het nieuwe jaar ga ik het helemaal anders doen’, zeggen we monter tegen onszelf, om in de tweede week van januari vast te stellen dat we weliswaar in een ander jaar leven, maar dat wij nog dezelfde zijn. We blijken familie van de Atheners, die volgens Lukas voor ‘niets anders tijd over (hadden) dan om iets nieuws te zeggen of te horen’ (Hand. 17: 21).

Hunkering
Intussen blijkt uit zo’n verlangen iets van een diepe hunkering. En daarmee samenhangend: het besef dat dingen beter kunnen, anders moeten, niet zijn zoals ze horen te zijn – daar begint veel filosofie toch uiteindelijk altijd. Waarom zouden die Atheners voortdurend op zoek geweest zijn naar iets nieuws? Omdat al die diepe filosofische gedachten die ze onderling zo ijverig uitwisselden misschien wel interessante diagnoses stellen, maar uiteindelijk nooit veel verder komen dan dat: diagnoses – en in ieder geval niet een werkelijk nieuwe wereld brengen. Uitgerekend aan de Atheners verkondigt Paulus dan een boodschap die in geen mensenhart is opgekomen, maar die werkelijk nieuw en echt vernieuwend is: Jezus Christus de Opgestane. Uitgerekend daar begint hij te spreken over de opstanding. De Atheners kunnen het niet plaatsen en lachen er smakelijk om. Maar ze laten daarmee zien dat ze geen benul hebben van wat er werkelijk met ons aan de hand is. Ik vrees dat we binnen en buiten de kerk ook in dat opzicht familie van de Atheners zijn.

‘Onszelf nieuw maken, dat kunnen wij niet. Dat moet God doen. En dat is waar het Evangelie over gaat’

In september 2019 verscheen van Rutger Bregman het boek De meeste mensen deugen. Het is een wereldwijd succes en er wordt inmiddels een tv-documentaire bij het boek gemaakt, opdat iedereen het weten zal: de meesten van ons deugen. In de kern willen we eigenlijk graag het goede doen, maar we zijn terechtgekomen in een wereld die we niet meer kunnen overzien en daarom hebben de machthebbers ons op de mouw gespeld dat onderling wantrouwen een verstandige levenshouding is – diezelfde machthebbers bieden ons dan aan dat zij onze veiligheid garanderen als wij enkele vrijheden aan hen afstaan, zodat zij die macht gebruiken kunnen om het allemaal een beetje in de hand te houden. Machthebbers deugen dus meestal niet, zo lijkt Bregman te willen zeggen, maar als we opnieuw ontdekken wie we werkelijk zijn, dan kunnen we ons van hen vrijmaken en dan ligt het paradijs zo’n beetje voor het grijpen. Een probleem is dan natuurlijk nog wel hoe we die enkele rotte appels die er zijn (de meeste mensen deugen, maar niet alle mensen) op het spoor komen.

De Schrik van Roden
Vorig jaar verscheen een podcast van dagblad Trouw onder de titel: ‘De Schrik van Roden’. In zeven afleveringen reconstrueert Maarten van Gestel het verhaal van de vorig jaar december op 103-jarige leeftijd overleden Jacob Luitjens. Hij was tijdens de bezetting lid van de NSB en na de oorlog heeft hij wel kort gevangen gezeten, maar hij ontsnapte naar Paraguay en was later in Canada docent aan de universiteit geworden. Bij verstek werd hij in het naoorlogse Nederland veroordeeld tot een lange gevangenisstraf en toen Nederlandse journalisten hem in de jaren negentig van de vorige eeuw traceerden in Canada, werd hij uitgeleverd aan Nederland, verloor daarmee zijn Canadees staatsburgerschap en zat een aantal jaar in een Nederlandse gevangenis. Nadat hij zijn straf had uitgezeten kon hij niet meer terug naar Canada, waar zijn vrouw was blijven wonen met het gezin – zij stierf enkele jaren geleden, zonder haar man nog weer gezien te hebben.

Wie de podcast beluistert, merkt als snel dat Van Gestel vaststelt dat Luitjens weliswaar stomme dingen gedaan heeft tijdens de bezetting, maar dat de naam ‘Schrik van Roden’ van ná de oorlog is – en dat van enkele van de misdaden waar Luitjens mee in verband gebracht wordt, helemaal niet zeker is wat de ware toedracht is geweest. De conclusie is dat als Luitjens destijds niet gevlucht was, hij een korte gevangenisstraf had gekregen en al rond 1950 de draad van zijn leven weer zou hebben kunnen oppakken. Nu treft de journalist hem moederziel alleen in een dorp in Friesland, waar hij alleen vanuit de kerk nog wat bezoek krijgt. Het is een tragisch verhaal, dat duidelijk maakt dat Luitjens geen monster was – en misschien eigenlijk ook wel deugde, in die zin dat hij meende iets goeds te doen toen hij zich inzette voor het nationaalsocialisme. Zijn verhaal maakte voor mij nog weer eens duidelijk hoezeer we ernaast zitten als we menen dat de meeste mensen deugen, maar dat er enkele monsters zijn voor wie we op onze hoede moeten zijn. Wij tekenen deze ‘monsters’ graag zo duister mogelijk, zodat wij er licht bij afsteken en ons kunnen verheugen over onze eigen deugdzaamheid en vooral: de aandacht van onszelf en onze dwaasheid kunnen afleiden – maar we vergeten de vraag te stellen waarom we keer op keer horen dat grote misdadigers zulke buitengewoon normale mensen zijn. ‘Eichmann war stinknormal’ (hoe je dat in het Nederlands vertaalt, weet ik niet helemaal, maar ik denk dat dat ook niet nodig is), schrijft Hannah Arendt aan haar man als ze in 1961 in Jeruzalem het proces tegen de SS-officier bijwoont. Abel Herzberg en Harry Mulisch, die het proces ook bijwoonden, waren dat helemaal met haar eens. En het erge is: met zijn bijdrage aan de vernietiging van de Europese Joden meende hij ook nog eens iets goeds te doen. ‘De mens wil niet dat de zonde zonde is’, zegt Luther, ‘want hij wil haar nou juist vanwege het goede dat zich daarin aan hem voordoet.’ Dat woord van de reformator houdt me bezig. Wij zondigen terwijl we menen iets goeds te doen. Zonde dienen we niet allereerst te zoeken op de plekken waar wij zwak zijn, waar we bezwijken voor verleiding, maar op de plekken waar wij ons sterk wanen en menen God niet nodig te hebben. Op die plekken waar wij menen Gode een dienst te bewijzen. Let eens op hoe de dingen in het Evangelie gaan: met de vrouw in Johannes 4 voert Jezus een barmhartig gesprek en hij wijst haar zwakte genadig aan en lest haar dorst – maar in het gesprek met mensen die zich sterk wanen en uit naam van God Jezus tot de orde roepen en uiteindelijk overleveren om gedood te worden, klinkt een andere toon – kijk maar in Johannes 9 of Lukas 15. Mensen die menen dat de voortgang van Gods werk in deze wereld van hun inzet afhangt, hun ijver voor de zuiverheid – het is gevaarlijk.

‘Wij rekenen er graag mee dat wij – of in ieder geval de meesten van ons – deel van de oplossing zijn’

Herschepping
De dingen hierboven leggen een diep verschil bloot tussen onze gedachten en de gedachten van het Evangelie. Wij rekenen er graag mee dat wij – of in ieder geval de meesten van ons – deel van de oplossing zijn. Daarom zoeken we ijverig naar diagnoses en stellen verbeterplannen op om de dingen nieuw te maken, of ons gedrag. Maar in het Evangelie blijken wij nou juist deel van het probleem te zijn – niet de dingen moeten nieuw worden of die enkele monsters die er zijn. En we zijn er ook niet met wat nieuw gedrag, maar wijzelf moeten nieuw worden en dan ook: wij allemaal. Maar onszelf nieuw maken, dat kunnen wij niet. Dat moet God doen. En dat is waar het Evangelie over gaat. Een werkelijk nieuwe boodschap is het daarom, want hier krijgen we niet gezegd wat er van ons verwacht wordt en wat wij moeten doen, maar hier wordt ons gezegd wat onze goede God doet. Als wij nieuw moeten worden, moet de Here ons herscheppen. Dat is radicale taal. We worden niet verbouwd, bijgewerkt of gerepareerd, maar herschapen. Radicaler kan niet – van grond af aan opnieuw opbouwen, daar gaat het om. Dat maakt duidelijk dat de diagnose van het Evangelie echt een andere is dan onze optimistische blik. Tussen ons en de nieuwe wereld blijkt het oordeel te staan. De wereld die we kennen en wij zoals we zijn, moeten eerst voorbijgaan. Zo zegt Paulus het in 2 Korinthe 5. En datzelfde klinkt in Openbaring 21: 4: de eerste dingen zijn voorbij. Een nieuwe schepping. In die termen spreekt het Evangelie. Dat zijn radicale termen. Hoe radicaal, blijkt in het lijdensevangelie. Als Jezus sterft, is dat op vrijdagmiddag – dat is in de scheppingsweek van Genesis 1 het moment dat de mens geschapen wordt. Met Jezus’ sterven gaat ons menszijn, gaan de eerste dingen de dood in. En op de eerste dag van de nieuwe week wekt de God ‘die gesproken heeft: Licht schijne uit het duister’ (2 Kor. 4: 6) Zijn Zoon op als de Eersteling, als de Eerstgeborene onder vele broeders en zusters, als de tweede Adam. Het nieuwe begin van het Evangelie breekt aan nadat Gods oordeel over de wereld zoals wij hem gemaakt hebben, voltrokken is.

Alle dingen nieuw
Het maakt duidelijk hoe ernstig wij ontwricht zijn. Zoals de zware bijwerkingen van een medicijn ons doet beseffen hoe ernstig de ziekte is die we met ons omdragen, zo is het hier ook. Als er geen andere weg is dan deze dat Gods eigen Zoon de dood binnengaat en opstaat, dan ontdekken we daaraan hoe het er met ons aan toe is.
Maar het maakt ook duidelijk hoe groot de trouw van de Here God aan Zijn werk is. ‘Zie, Ik maak alle dingen nieuw’, horen we in de Bijbel. In een wereld die betoverd is door dat woord ‘nieuw’ heeft de kerk ervan te getuigen dat de werkelijke vernieuwing van de Here komt en wij die alleen maar kunnen ontvangen – in geloof. Dat is dan een zaak van rusten van onze boze werken en Hem door Zijn Geest in ons laten werken. Laten we het eerst zelf vooral geloven en ons aan Hem toevertrouwen: persoonlijk, maar ook kerkelijk. En dan erover spreken met de wereld om ons heen!

Weergaven: 44