Skip to main content

Wie door het geloof aan Christus is verbonden, draagt bepaalde eigenschappen. Deze eigenschappen zijn hem door de Geest gegeven. De Geest doet in de gelovige geestelijke vrucht groeien. Deze vrucht bestaat uit liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing (Gal. 5: 22). In deze en de volgende nummers van De Wekker wordt aandacht gegeven aan dit profiel van een christen.

Met reden staat liefde (agapè) voorop in de vrucht van de Geest. Zij omvat alle andere deugden; de basis daarvan is liefde tot God. Jezus heeft de Zijnen daarop gewezen toen Hij gebood dat zij God moeten liefhebben met heel hun hart, heel hun ziel en heel hun verstand (Matt. 22: 37).

Weerspiegeling
Waarschijnlijk duidt Paulus in verband met de vrucht van de Geest vooral op liefde jegens de naaste. Paulus heeft daar in Galaten 5 al eerder op gewezen: de gehele wet is in één woord vervuld, namelijk dat wij onze naaste moeten liefhebben als onszelf (vs. 14). Zo zegt Paulus dat trouwens ook in zijn brief aan de Romeinen: de liefde is de vervulling van de wet. Wie zijn naaste liefheeft, is gehoorzaam aan de mozaïsche wet. De verboden op echtbreuk, doodslag, zondige begeerte en welk ander gebod ook ten aanzien van de omgang met de naaste worden samengevat in het gebod tot naastenliefde (Rom. 13: 8-9). Bovendien geeft Paulus in Galaten 5 veel aandacht aan intermenselijke relaties.

Gelovigen weerspiegelen in deze naastenliefde de liefde van hun Vader in de hemel, die Zijn zon laat opgaan over goede en slechte mensen, en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Zo maken ook de Zijnen geen onderscheid in weldoen ten opzichte van hun naaste. Zij zijn volmaakt zoals hun Vader volmaakt is (Matt. 5: 45,48). Het woord dat Matteüs in zijn evangelie gebruikt (teleios) betekent dat de gelovigen op één doel (telos) zijn gericht. Hun liefde is dan onverdeeld, en op één zaak gericht, namelijk het welzijn van hun naaste.

Wat hun leven tekent als kinderen van hun Vader, moeten zij tegelijk als hun opdracht zien, namelijk dat zij moeten wandelen in de liefde (Ef. 5: 1-2). Zo had de HERE dat ook reeds geboden aan de Israëlieten: u moet uw naaste liefhebben als uzelf (Lev. 19: 18). De Geest maakt dat de gelovigen daartoe – dankzij het werk van Christus – in staat zijn; zij zijn door genade geworteld en gegrond in de liefde (Ef. 3: 17).

Deze liefde houdt voor ogen dat de naaste alleen maar tot zijn uiteindelijke bestemming komt in verbondenheid met God, de bron van leven. Daarom mag en moet in naastenliefde – in alle wijsheid en met beleid – de hoop op God worden bekendgemaakt. Deze hoop is het hoogst wensbare voor onze naaste, en het ultieme nodige voor eeuwig welzijn.

Dienende levenshouding
De inhoud van deze liefde is dienst aan het welzijn van de ander. Deze liefde bevat een scheppend element; ze brengt iets tot stand, bij de ander en bij diegenen die ervan getuige zijn. Ook in dat opzicht mag zij de liefde van God weerspiegelen.

Deze liefde die vanuit een dienende houding gebeurt, ziet de naaste als iemand die tot zijn bestemming mag, kan en moet komen in overeenstemming met de wil van God. Zoals God naar diegene luistert die Hem aanroept, luistert de gelovige naar zijn naaste. Zoals God met mensen contact zoekt, zoekt de gelovige contact met zijn naaste. Hij eerbiedigt diens plichten en verantwoordelijkheden, erkent diens rechten en komt aan diens behoeften tegemoet. Zijn verlangen is dat diens goede karaktereigenschappen worden ontwikkeld. Hij deelt in diens vreugde, en biedt troost in verdriet.

Liefde wil bijstand geven waar mogelijk. Daarbij past fijngevoeligheid (1 Kor. 13: 5) en oprechtheid, hartelijkheid en hoffelijkheid. Voor de gelovige betekent deze houding dat hij mag geven vanuit de rijkdom die hij zelf in Christus bezit. Deze liefde kent geduld, is vol goedheid (1 Kor. 13: 4) en blij met de waarheid (1 Kor. 13: 6b). Zoals God barmhartig is, zijn de Zijnen barmhartig (Luk. 6: 36).

‘Deze liefde bevat een scheppend element; ze brengt iets tot stand’

Eveneens is liefde bereid tot vergeving. Zoals – en ook omdat – God vergeving schonk aan wie Hem daarom niet vroegen, zijn de Zijnen bereid tot vergeving (Ef. 4: 32b), in elk geval ten opzichte van diegenen die oprecht berouw tonen en oprecht om vergeving vragen (of zelfs smeken). Maar zij zullen dan ook zoeken naar mogelijkheden tot vergeving voor wie daarom niet vragen. Wie de vergevende liefde van God heeft ervaren, neemt een vergevende houding aan ten opzichte van zijn naaste (vgl. Matt. 18: 21-35). Gelovigen zullen in navolging van God zoeken naar het betonen van vergeving in situaties waarin deze vergeving menselijkerwijs gesproken niet of nauwelijks kan worden opgebracht. Misschien is deze vergeving niet direct mogelijk. Het gevoel moet er ook enigszins in meekomen: vergeving is en blijft een geschenk.

Vergeving schenken brengt altijd lijden met zich mee. Zoals God in Christus lijden op Zich nam om vergeving en redding te kunnen schenken aan mensen die verloren waren, zijn ook de Zijnen bereid lijden op zich te nemen ten dienste van het heil van hun naaste. Zoals God – indien nodig – bestraffend spreekt en handelt, zo kan ook de gelovige zijn naaste voor wie hij verantwoordelijkheid draagt, terechtwijzen. Liefde concurreert niet met recht, en bestaat evenmin in de toegeeflijkheid van steeds wijkende wanden. Haar grens ligt bij evident gebleken onverbeterlijk gedrag. Ook daarin spiegelt zij zich aan de liefde van God (vgl. Jer. 3: 8). Er is geen gebod datgene van de ander te aanvaarden wat niet thuishoort in het rijk van Christus; er is geen gebod de duivel lief te hebben. Wel is er het gebod tot liefde jegens de ander die óók beeld van God is en als zodanig waarde heeft. Er is verbondenheid op basis van een gezamenlijk mens-zijn en een gezamenlijke afhankelijkheid van God.

Naaste-zijn
Naastenliefde heeft betrekking op diegene die je op je weg aantreft (Luk. 10: 25-28). Van deze naaste gaat altijd een appel uit. Zoals God in heel de geschapen werkelijkheid spreekt, en vandaaruit een appel doet uitgaan, spreekt Hij ook door de naaste. Deze naaste is degene voor wie je misschien niet direct sympathie kunt opbrengen, en die buiten de eigen kring leeft. Van nature heb je je man, je vrouw, je kinderen en je ouders lief. Zij horen bij je. Liefde voor hen valt onder zelfliefde, aldus Kierkegaard in zijn boek Wat de liefde doet (1847). Zo doen ook de heidenen. Wie zijn eigen geliefden liefheeft, heeft zichzelf lief. Jezus doet ons echter over grenzen kijken die door mensen zijn gemaakt.
Wat de achtergrond van de desbetreffende naaste is, is niet van belang: ras, volk, sekse, maatschappelijke positie of seksuele gerichtheid. Het jodendom in de dagen van Jezus beperkte de naaste tot het eigen volk. Jezus stelt daartegenover dat er liefde moet zijn voor diegenen die niet tot de eigen kring behoren (Matt. 5: 44). Uiteindelijk is de vraag niet van belang wie onze naaste is, maar of wij zelf een naaste zijn voor diegene die wij op onze weg aantreffen (Luk. 10: 36). In principe kan de gelovige elk mens als naaste ontmoeten, en voor hem een naaste zijn. Voor wie hij vandaag geen naaste is, kan hij morgen wel een naaste zijn: iemand die zorg nodig heeft, een kind dat een thuis zoekt, een asielzoeker voor wie onderdak wordt gevraagd. Ook via indirecte hulpverlening aan nabije of verre naasten kan het gebod tot naastenliefde worden gepraktiseerd. Verder moet worden gedacht aan toekomende generaties. Wetenschappelijke, technische en economische projecten moeten rekening houden met de effecten daarvan op het welzijn van komende generaties: vooruitziende naastenliefde.

Jezus wil – zo zegt Augustinus – dat wij inzien dat diegene onze naaste is jegens wie we de plicht der barmhartigheid moeten nakomen. Hij vraagt zelfs van de zijnen dat zij hen met zegen tegemoet moeten treden die hen met haat bejegenen (Luk. 6: 27), en dat zij bidden voor degenen die hen vervloeken (Luk. 6: 27-28; Matt. 5: 44).

Het evangelie wijst op de kracht van het gebod tot de naastenliefde: U moet uw naaste liefhebben als uzelf (Matt. 22: 39; Mark. 12: 31; Rom. 13: 9). Dan wringt dit gebod – aldus opnieuw Kierkegaard – als met een loper het slot van de zelfliefde open en ontwringt een mens daarmee de zelfliefde. Dat is ook de bedoeling van dit gebod: dat ons de zondige en ongezonde zelfliefde afhandig wordt gemaakt. ‘Dit “als jezelf” gaat recht op zijn doel af en dringt met de onverzettelijkheid van de eeuwigheid oordelend door tot in de binnenste schuilplaats, waar een mens zichzelf liefheeft.’ En: ‘… geen worstelaar kan degene met wie hij worstelt zo in zijn greep hebben als dit gebod greep heeft op de zelfliefde, die daardoor geen vin meer kan verroeren.’

In de naastenliefde verlies je ook iets van het onderscheid tussen de naaste en jezelf. Je bewustzijn ten aanzien van jezelf wordt als het ware uitgebreid. Ze wordt gekenmerkt door radicale empathie.

Gemeente van Christus
Juist in de christelijke gemeente moet deze geestelijke vrucht van liefde blijken. Deze vrucht wordt getoetst op momenten dat er spanningen zijn, en mensen elkaar misschien niet zo goed liggen. Waarschijnlijk duidde Paulus op deze binnenkerkelijke liefde toen hij sprak over de liefde als vrucht van de Geest. Maar vooral de apostel Johannes wijst op deze liefde in de gemeente van Christus.
Johannes onderstreept in dit verband dat het fundament van de onderlinge liefde ligt in de liefde van God en Christus jegens de gelovigen. Op deze liefde mogen en kunnen wij bouwen. Tegelijkertijd gaat daar ook een appel van uit. Omdat God de Zijnen uitnemend heeft liefgehad in Christus Jezus, behoren zij elkaar lief te hebben (vgl. 1 Joh. 4: 11). Zo zei ook Jezus dat Hij de Zijnen een nieuw gebod gaf, namelijk dat zij elkaar moeten liefhebben, omdat Hij hen heeft liefgehad (Joh. 13: 34; 15: 12). Het nieuwe van dit gebod is dat er een nieuw fundament is gelegd.

Daarnaast is de liefde van God en Christus een voorbeeld voor de Zijnen. Dit voorbeeld bestaat in dienst aan de ander, die gekenmerkt wordt door zelfverloochening. Een indrukwekkend teken daarvan gaf Christus Jezus toen Hij de voeten van Zijn discipelen waste (Joh. 13: 1-17). Dienst aan de naaste schrikt niet terug voor werk dat in de ogen van de wereld minderwaardig is, en waar mensen zich aan ergeren en stoten. De voetwassing wees naar het allerhoogste bewijs van Gods liefde, in de kruisiging van Christus Jezus.

Christus heeft daarin Zijn vrienden liefgehad, die Hem kennen en weten wat Hij doet (Joh. 15: 15; 1 Joh. 3: 16). Hij heeft zichzelf voor hen overgegeven. Zoals Hij hen heeft liefgehad en Zijn leven voor hen heeft ingezet, moeten zij elkaar onbaatzuchtig liefhebben. In een dergelijke liefde is de ware liefde kenbaar (1 Joh. 3: 16). Een even heerlijk of misschien nog groter voorbeeld is het liefdevolle handelen van de Vader en de Zoon jegens de wereld. Gods liefde kwam tot uiting in de zending van Zijn Zoon (Joh. 3: 16). Daarmee gaf Hij zichzelf. Déze liefde mag de christelijke gemeente stempelen. Als God de Zijnen zó heeft liefgehad, behoren ook zij elkaar lief te hebben (1 Joh. 4: 11; vgl. 3: 16; 1 Joh. 4: 9-10). ‘Waar liefde woont, gebiedt de HEER Zijn zegen.’

Weergaven: 61